De term 'engelenvleugel' heeft betrekking op langgerekte schelpen op onze stranden die met twee aan elkaar hangen. Dikwijls komt de ene schelpenhelft los van de andere voor ze aanspoelen, maar bij engelenvleugels blijven ze samen door hun sterke band. In feite gaat het om schelpen van dode boormossels: schelpdieren die zich in een substraat boren en daar hun leven lang blijven zitten. Het kan om hout gaan, zelfs om steen, maar ook om veen en klei op de zeebodem. In onze Noordzee komen vijf soorten voor, waarvan eentje een pseudoboormossel is: ze ziet eruit als een boormossel, maar ze is er niet nauw aan verwant.
...

De term 'engelenvleugel' heeft betrekking op langgerekte schelpen op onze stranden die met twee aan elkaar hangen. Dikwijls komt de ene schelpenhelft los van de andere voor ze aanspoelen, maar bij engelenvleugels blijven ze samen door hun sterke band. In feite gaat het om schelpen van dode boormossels: schelpdieren die zich in een substraat boren en daar hun leven lang blijven zitten. Het kan om hout gaan, zelfs om steen, maar ook om veen en klei op de zeebodem. In onze Noordzee komen vijf soorten voor, waarvan eentje een pseudoboormossel is: ze ziet eruit als een boormossel, maar ze is er niet nauw aan verwant. De algemeenste echte boormossel op onze stranden is de witte. Ze heeft geen verbinding tussen de twee schelpen, waardoor ze niet als engelenvleugels te zien is. Ze houdt beide schelpenhelften apart op haar lijf door spierkracht. Als de twee helften van de schelp van een boormossel gesloten zijn, blijft er een gapende opening over, want het weke schelpenlijf is te groot voor de inhoud van zijn schelpen. Het zou de reden zijn waarom de diertjes een onderkomen zoeken in een hol dat ze zelf graven, want hun schelpen beschermen hen niet tegen handige schelpenlijveneters. De langwerpige schelpen zijn doorgaans geel- tot vuilwit gekleurd. Ze zijn herkenbaar aan een patroon van horizontale en verticale lijnen met stekeltjes op de kruispunten tussen de lijnen. Die verzorgen het graafwerk. Boormossels maken mechanische bewegingen met hun schelpen, waardoor ze een opening 'raspen' in het substraat dat ze gekozen hebben. Hoe harder het substraat, hoe dunner de schelp wordt. Vooral de schelpen van witte boormossels krijgen het hard te verduren, want ze zijn dunner dan die van de meeste familiegenoten. Ze moeten hun hol of gang daarenboven hun leven lang blijven uitvijlen, want ze blijven groeien. De diertjes voeden zich door middel van een sifon die buiten het boorgat in het water zit en er minuscule voedingsdeeltjes opneemt. Een vrouwtje kan zo ook tot 3,5 miljoen eitjes per jaar in het water lossen, wat een goede voortplanting moet verzekeren. Toch krijgt onze witte boormossel het kwaad als gevolg van de opmars van de Amerikaanse boormossel, die in feite een pseudoboormossel is. Ze heeft zich aan de Amerikaanse oostkust een vergelijkbare levensstijl eigen gemaakt, waardoor ze op onze boormossels is gaan lijken (of omgekeerd natuurlijk). Het betreft hier eerder een geval van convergente evolutie - de natuur die op verschillende plekken in de wereld dieren creëert met hetzelfde gedrag - dan van verwantschap. De Amerikaan werd op het einde van de negentiende eeuw met oesterboten uit de Verenigde Staten meegebracht en kwam per ongeluk in Britse wateren terecht, van waaruit hij de volledige Europese kustlijn veroverde. Nu is hij op weg om de Afrikaanse westkust in te palmen. Zoals het met Amerikanen de gewoonte is, domineert hij de regio's waarin hij terechtkomt. Tenminste, dat blijkt uit tellingen van aangespoelde schelpen op onze stranden: driekwart Amerikaanse en een kwart inheemse boormossels. Het valt echter niet uit te sluiten dat de verdeling onder water gunstiger is voor autochtone mossels. Misschien spoelen de schelpen van Amerikaanse boormossels makkelijker aan. Ze zijn ook robuuster dan de fragiele bouwsels van de witte boormossel, waardoor ze waarschijnlijk langer bewaren.