De naamgeving van een vogel kan veel zeggen over de houding van mensen tegenover het dier. In het Engels heet 'onze' wespendief honey buzzard of honingbuizerd. Dat klinkt vriendelijker, maar in feite is het niet correct. De wespendief is geen echte honingeter: hij haalt vooral raten uit wespennesten, om zich te voeden met de larven die daarin huizen.
...

De naamgeving van een vogel kan veel zeggen over de houding van mensen tegenover het dier. In het Engels heet 'onze' wespendief honey buzzard of honingbuizerd. Dat klinkt vriendelijker, maar in feite is het niet correct. De wespendief is geen echte honingeter: hij haalt vooral raten uit wespennesten, om zich te voeden met de larven die daarin huizen. Vroeger heette de wespendief bij ons 'wespenbuizerd' - dat is vandaag ook de Duitse naam ( Wespenbussard). Het neutrale 'buizerd' werd dus ooit vervangen door het pejoratieve 'dief'. Misschien was iemand erachter gekomen dat de wespendief geen echte buizerd is, hoewel zijn uiterlijk en gedrag in de lucht sterk aan onze algemeenste roofvogel doen denken - alleen kenners worden niet in de war gebracht door de gelijkenissen tussen de vliegsilhouetten van buizerd en wespendief. Tot minstens in de jaren 1960 heerste er veel weerstand tegen roofvogels - vandaar mogelijk de keuze voor 'dief'. Er bestaan historische geschriften van 'vogelliefhebbers' die wespendieven bestudeerden door de vogels te schieten en hun nesten te plunderen. Gelukkig is de wespendief niet gemakkelijk te vinden. Hij broedt graag in bossen en leidt er een verborgen bestaan. Dat belet niet dat sommige mensen erdoor gefascineerd raken. Amateurornithologe Marieke Berkvens vond in juni 2004 een veer van een wespendief, waarna het dier haar niet meer losliet. Een uitgebreid relaas van haar bevindingen verscheen eind 2017 in het blad Natuur.oriolus. Voor zijn voeding wandelt de wespendief graag door een bos, op zoek naar wespennesten. Om die te vinden, houdt hij de vliegbewegingen van wespen in de gaten. Hij graaft de nesten open met zijn poten, waarna hij de raten met de weerloze larven naar boven haalt. Hij stoort zich niet aan de zoemende en stekende verdediging van de volwassen wespen. Het lijkt erop dat hij de wespeningang van een nest intact laat, waardoor hij er langere tijd op kan teren. Omdat de wespendief bij uitstek een insecteneter is, is hij verplicht om in de winter naar zuidelijker oorden te trekken. In het verslag van Marieke Berkvens staan terugmeldingen van in België geboren en geringde wespendieven uit Ghana en Togo. Tegenwoordig kunnen wespendieven, zoals veel vogels, ook intensief gevolgd worden via minidataloggers en -satellietzenders op hun rug, die hun verplaatsingen in detail blootleggen. Ornitholoog Wouter Vansteelant heeft daarover met twee collega's gepubliceerd in het vakblad Proceedings of the Royal Society B. Ze volgden jonge wespendieven uit het zuiden van Finland tijdens hun trek naar Afrika. De dieren waren niet ver van elkaar geboren, maar zouden op grote afstand van elkaar terechtkomen: de meest westelijke jonge vogel (in Mali) zat op meer dan 3300 kilometer van de meest oostelijke (in Congo). Ze bleken zich zo veel mogelijk te laten meedrijven met de wind om op een bepaalde plek terecht te komen. Die zochten ze dan later in hun leven wel consequent op voor hun overwintering. Vansteelant en zijn collega's vroegen zich af of die willekeur nog altijd een goede strategie is, want vroeger was een veel breder areaal in Afrika geschikt voor de wespendief dan nu. Over hoe het bestand van de soort bij ons evolueert, is weinig bekend - daarvoor is ze te moeilijk te bestuderen. Het lijkt er wel op dat ze standhoudt.