Het is steevast een mooi moment als je een tijgerspin in het oog krijgt. Je ziet bijna uitsluitend de grote vrouwtjes met de gele en zwarte banden op hun lijf en poten, hangend in hun web, altijd met de kop omlaag, bijna altijd laag bij de grond in het gras, wachtend op hun voornaamste prooien: sprinkhanen. Die worden na de vangst in zijde verpakt. Ze krijgen een beet mee, waardoor ze verlamd worden en er een vorm van voorvertering begint. De soort wordt weleens 'wespspin' genoemd, maar ze is niet gevaarlijk voor een mens.
...

Het is steevast een mooi moment als je een tijgerspin in het oog krijgt. Je ziet bijna uitsluitend de grote vrouwtjes met de gele en zwarte banden op hun lijf en poten, hangend in hun web, altijd met de kop omlaag, bijna altijd laag bij de grond in het gras, wachtend op hun voornaamste prooien: sprinkhanen. Die worden na de vangst in zijde verpakt. Ze krijgen een beet mee, waardoor ze verlamd worden en er een vorm van voorvertering begint. De soort wordt weleens 'wespspin' genoemd, maar ze is niet gevaarlijk voor een mens. De tijgerspin is een van de grootste spinnen die je bij ons kunt zien. De vrouwtjes kunnen tot 2 centimeter groot worden. De geel-zwarte tekening is tegelijk een soort camouflage die bescherming biedt in de wirwar van groene, gele en bruine grasstengels waarin de soort doorgaans leeft, maar ze zou ook nieuwsgierige prooien uit het gras kunnen lokken. Die lopen in de val omdat ze alleen het lijf opmerken en niet de poten, zodat ze er geen spin in zien. De mannetjes van een tijgerspin zijn een stuk kleiner dan de vrouwtjes (en zijn onopvallend gekleurd): ze worden maximaal een halve centimeter groot. Dat heeft zijn redenen. Om te beginnen is een mannetje dan zo licht dat hij geen noemenswaardige beweging op het web genereert als hij een vrouwtje benadert. Anders dreigt hij opgegeten te worden voor hij gepaard heeft. Nu wordt hij meestal opgegeten na de paring, als extra energie om de eitjes te ontwikkelen die hij hopelijk bevrucht heeft. Kannibalisme is een klassieke strategie in de vrouwtjesspinnenwereld. Af en toe registreren spinnenonderzoekers een ogenschijnlijk absurde techniek van een mannetje om zich van exclusieve toegang tot een vrouwtje te verzekeren: hij plugt zichzelf na een paring vast in haar voortplantingskanaal, waardoor hij garandeert dat concurrenten haar achteraf niet belagen. Zo creëert hij een vorm van monogamie - maar blijft hij de rest van zijn (korte) leven een trieste prop in een opening van zijn geliefde. In de meeste gevallen laat een mannetje na een paring gewoon een van zijn twee pedipalpen als hindernis in de vrouwelijke opening achter - het gaat om een op poten gelijkend tastorgaan dat mannelijke spinnen ook voor spermaoverdracht gebruiken. Als hij de paring overleeft, kan hij dan nog achter één ander vrouwtje aan. Driekwart van de tijgerspinvrouwtjes paart met één man, dus de afschermingstechniek lijkt te werken. De eitjes komen uit een ander kanaal, zodat de mannelijke blokkade de voortplanting niet verhindert. De tijgerspin is niet langer zeldzaam in onze contreien. Ze stamt uit het gebied rond de Middellandse Zee, maar sinds een kwarteeuw verovert ze Europa. Hoogstwaarschijnlijk is dat een gevolg van de klimaatopwarming. De soort verspreidt zich door ballondraden die jonge spinnen produceren. Ze laten een lange zijden draad los uit hun achterlijf: als die lang genoeg is, worden draad én spinnetje meegenomen door de wind. Zo kunnen ze grote afstanden afleggen, zeker als ze door opstijgende warme lucht hoog meegenomen worden. Hun landingsplaats kunnen ze niet kiezen - ze moeten geluk hebben dat ze op een geschikt terrein terechtkomen. Tijgerspinnen komen steeds meer voor in verwilderde en dus aantrekkelijke tuinen.