Alle leven op aarde stamt uit de zee. Vele honderden miljoenen jaren geleden kropen de eerste complexe soorten langzaam aan land. Ze kwamen ook in zoet water terecht. Soms maakten ze later de omgekeerde beweging: van land via een tussenstap in zoet water opnieuw richting zee (dat is met de voorlopers van de walvissen gebeurd).
...

Alle leven op aarde stamt uit de zee. Vele honderden miljoenen jaren geleden kropen de eerste complexe soorten langzaam aan land. Ze kwamen ook in zoet water terecht. Soms maakten ze later de omgekeerde beweging: van land via een tussenstap in zoet water opnieuw richting zee (dat is met de voorlopers van de walvissen gebeurd). Een speciaal geval is de kwabaal: de enige kabeljauwachtige ter wereld die zich aan een leven in zoet water heeft aangepast. Daar is wel veel tijd overheen gegaan. Volgens een studie in het vakblad Molecular Ecology Resources gingen zijn wegen en die van de huidige zeekabeljauw al bijna 44 miljoen jaar geleden uit elkaar. De kwabaal heeft zo'n 22.000 genen - dat is een beetje meer dan wij. Daarvan zouden er 377 zo gemuteerd zijn dat ze een aanpassing aan een leven in zoet water mogelijk maakten. Zo heeft de vis efficiëntere mechanismen voor DNA-herstel gekregen. Dat was nodig, want in ondiep zoet water wordt hij meer aan schadelijke uv-straling blootgesteld dan in de zee, waardoor zijn DNA extra bescherming kan gebruiken. Zonder de aanpassingen zou zijn transitie richting rivieren en beken waarschijnlijk mislukt zijn. Ondanks de lange aanpassing aan een leven in zoet water heeft de soort nog altijd eigenschappen die terug te voeren zijn op haar voorgeschiedenis in zee. Een kwabaal kan per keer miljoenen eitjes lossen, zomaar in het water, zonder enige vorm van bescherming - dat is echt iets uit de zee. De larven zwemmen vrij rond. Er zijn er dus veel nodig om te vermijden dat de soort verdwijnt. Opvallend is dat de kwabaal zich voortplant in koude omstandigheden, in de winter dus. De larfjes sterven namelijk als het water warmer wordt dan 6 graden Celsius. Wetenschappers denken dat de kwabaal floreerde tijdens de ijstijden. Onder het ijs voelde hij zich in zijn sas. Archeologische vondsten wijzen uit dat hij in de middeleeuwen bij ons heel algemeen moet zijn geweest. Hij werd soms zelfs als varkensvoer gebruikt. De bekende Gentse waterzooi was aanvankelijk een gerecht met kwabaal. De kip kwam er pas in toen de vis zeldzaam begon te worden. De kwabaal kan een meter lang worden en ziet eruit als een kruising tussen een paling en een katvis. Vanaf de Tweede Wereldoorlog crashte zijn populatie in onze contreien, vooral als gevolg van ruilverkavelingen en andere vormen van intensieve landbouw die uiterst onvriendelijk waren voor de soort. Ze heeft zuiver water nodig én geschikte overstromingsgebieden voor een optimale voortplanting. Beide werden schaars. In de jaren 1970 was de kwabaal officieel uitgestorven in Vlaanderen. Sinds 1999 werkt het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) aan een herstelprogramma, gebaseerd op het uitzetten van gekweekte kwabaaltjes. Het lijkt te lukken, zij het nog altijd op beperkte schaal. De vrees bestaat wel dat de klimaatopwarming met haar hogere watertemperaturen extra druk op de nieuwe populaties zet. Wetenschappers van de Odisee Hogeschool in Sint-Niklaas zijn begonnen met de kweek van zoetwaterkabeljauwen voor consumptie. Ze brengen de vissen groot in klimaatkamers, waarin ze de koude omstandigheden voor de ideale voortplanting nabootsen. De bedoeling is onder meer dat de Gentse waterzooi zo opnieuw zijn originele samenstelling kan krijgen. De kwabaal zou namelijk een lekkere vis zijn.