Bioloog Eckhart Kuijken, de gepensioneerde eerste directeur van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, heeft zestig jaar van zijn leven gewijd aan de studie van ganzen. Het begon allemaal wel met een halve vergissing. Toen de piepjonge ornithologen Kuijken en Guido Burggraeve, de latere conservator van het Zwin, als tieners op 17 februari 1958 in de polders van Damme een groep van honderden ganzen ontdekten, omschreven ze die in een 'korte mededeling' (in het blad De Wielewaal) als kol- en rietganzen.
...

Bioloog Eckhart Kuijken, de gepensioneerde eerste directeur van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, heeft zestig jaar van zijn leven gewijd aan de studie van ganzen. Het begon allemaal wel met een halve vergissing. Toen de piepjonge ornithologen Kuijken en Guido Burggraeve, de latere conservator van het Zwin, als tieners op 17 februari 1958 in de polders van Damme een groep van honderden ganzen ontdekten, omschreven ze die in een 'korte mededeling' (in het blad De Wielewaal) als kol- en rietganzen. Pas later vernamen ze dat ze geen rietganzen hadden gezien maar kleine rietganzen. Beide soorten vallen op door hun donkere kop, maar de rietgans heeft oranje poten en een beetje oranje op de snavel en de kleine rietgans heeft roze in de plaats van oranje. Het is de ornithologen-in-de-dop vergeven: ze hadden toen alleen kleine verrekijkers (en nog geen goede vogelgidsen). De verrekijkers werden aangevuld met telescopen en vogelringen, kleurringen, radiotransmitters en satellietzenders die telkens een beter (want gedetailleerder) zicht op de verplaatsingen en het gedrag van de vogels gaven. De 'korte mededeling' werd een licentiaatsverhandeling, een doctoraatsverhandeling en een reeks publicaties in vakbladen. Het bestand van de kleine rietgans in Vlaanderen steeg lange tijd (het maximum was 38.000 dieren), maar gaat nu achteruit. De soort broedt vooral op Groenland en Spitsbergen. Vroeger overwinterde bijna de hele Spitsbergen-populatie in de Vlaamse polders, nu is dat nog 30 procent. Als gevolg van de klimaatopwarming met haar zachtere winters blijven veel ganzen in Denemarken hangen - dat spaart twee keer 400 kilometer uit in trekverplaatsingen. De ganzen hebben ook bij ons hun gedrag aangepast. Vroeger zaten ze bijna uitsluitend op natte graslanden, sinds de jaren 1990 komen ze meer op akkers voor. Veel grasland is drooggelegd en omgezet in akkers voor vooral aardappelen en mais. Dat was onder meer een gevolg van de introductie van Zuid-Amerikaanse soja als veevoer, zodat boeren minder weilanden nodig hadden, want hun koeien bleven meer op stal staan. De resten van de oogsten die achterblijven op de akkers zijn echte junkfood voor ganzen. Het onderzoek op basis van het aflezen van kleurringen steunt op honderden vrijwilligers die een groot deel van de polders bestrijken. Burgerwetenschap op zijn best! Soms kunnen de waarnemingen gekoppeld worden aan de conditie van een dier: als het een 'hangbuik' heeft, heeft het goed gegeten en zou het in vorm moeten zijn. Vogels met een goede conditie in de lente brengen doorgaans meer jongen groot in het volgende broedseizoen. Sommige dieren zijn echte nomaden die op veel plekken in de polders gezien worden, andere zijn honkvast met een voorkeur voor een bepaalde site. Sommige reizen altijd als koppel, andere doen het alleen. Dat onderscheid komt ook bij mensen voor. Bizar was de ontdekking dat nieuwjaarsvuurwerk tot zo veel onrust in de polders leidt dat veel ganzen op 1 januari hun terugtrek richting noorden aanvangen. Het was ook opvallend dat het ganzenbestand een boost kende nadat alle jacht op wilde ganzen verboden werd. De polderganzen worden wel almaar meer een toeristische attractie. Daar is niets mis mee, zolang de dieren rustig hun ding kunnen doen.