In onze contreien komen drie inheemse slangen voor: de adder, de ringslang en de gladde slang. De laatste is de kleinste. Het belangrijkste kenmerk ter onderscheid met de andere twee zijn gladde schubben, die een zacht velletje geven. De gladde slang is ongevaarlijk voor de mens, maar niet voor de hagedissen en kleine zoogdieren die haar voornaamste prooien vormen. Jonge gladde slangen leven bijna uitsluitend van hagedisjes, maar naarmate ze ouder worden komen er meer muizen op hun menu.
...

In onze contreien komen drie inheemse slangen voor: de adder, de ringslang en de gladde slang. De laatste is de kleinste. Het belangrijkste kenmerk ter onderscheid met de andere twee zijn gladde schubben, die een zacht velletje geven. De gladde slang is ongevaarlijk voor de mens, maar niet voor de hagedissen en kleine zoogdieren die haar voornaamste prooien vormen. Jonge gladde slangen leven bijna uitsluitend van hagedisjes, maar naarmate ze ouder worden komen er meer muizen op hun menu. Dat de dieren vooral van andere reptielen leven, is betekenisvol voor hun succes: hagedissen zijn schaars bij ons, dus ook gladde slangen. De soort komt in Vlaanderen bijna uitsluitend voor in heidegebieden in de provincies Antwerpen en Limburg. De Kalmthoutse Heide vormt een bolwerk, met naar schatting een duizendtal exemplaren (en nog eens duizend aan de Nederlandse kant van het grenspark). De kans dat u tijdens een wandeling in de heide een gladde slang te zien krijgt, is echter piepklein. De dieren zijn uitstekend gecamoufleerd. Ze leven grotendeels verborgen in bladstrooisel of onder droge heidetakjes en bewegen zelden, tenzij vroeg in het seizoen. In de prille lente gaan mannetjes na het ontwaken uit een lange winterslaap op zoek naar vrouwtjes, zoals het mannetjes betaamt. De slangen brengen de winter door in konijnen- en andere holen, meestal alleen, af en toe in het gezelschap van enkele soortgenoten. De paring is een kronkelig gebeuren, waarbij het mannetje zich vastbijt in de nek van het vrouwtje. Er zijn gevallen beschreven waarbij een hongerig mannetje een vrouwtje tijdens de paring begint op te eten, wat niet bevorderlijk is voor zijn voortplantingssucces. Het illustreert dat voeding dwingender kan zijn dan seks. Dat geldt niet voor vrouwtjes, die doorgaans niet eten tijdens de zwangerschap. Ze zoeken dan gewoon elke dag het beste plekje om op te warmen. Als vrouwtjes zich verplaatsen, is het vooral om in gunstiger temperatuursomstandigheden terecht te komen. De babyslangetjes ontwikkelen zich in de eitjes die in het moederlichaam blijven zitten - ze breken er tijdens de geboorte uit. Hoe warmer ze het hebben, hoe sneller ze groeien. Als het in de zomer koel blijft, kan de geboorte uitgesteld worden tot de volgende lente. Het vrouwtje neemt vervolgens een snipperjaar. Dat zou bij ons vooralsnog vrij frequent gebeuren, zodat een gladdeslangvrouwtje zich niet elk jaar voortplant. Onder impuls van bioloog Christoffel Bonte (Natuurpunt) worden de gladde slangen in de Kalmthoutse Heide goed bestudeerd. Liefst 66 procent van met een zendertje uitgeruste dieren bleek zich op een doorsneedag niet te verplaatsen. Slechts 13 procent legde meer dan 10 meter af. Hoe warmer het was, hoe groter de kans op een verplaatsing. Over een langere periode bekeken verplaatst een derde van de slangen zich zo goed als niet. Amper 7,5 procent legt meer dan 100 meter af. De langste geregistreerde afstand bedroeg net geen 700 meter. Biotoopverlies is de belangrijkste oorzaak van de bescheiden hedendaagse verspreiding van de gladde slang bij ons. Her en der zijn maatregelen genomen om de versnippering van haar biotoop tegen te gaan, onder meer door corridors vrij te maken in bossen tussen heidezones en ecoducten aan te leggen over of onder wegen. Het moet de genetische kwetsbaarheid van de soort verminderen.