Veel nuttiger dan de doodgraver vind je ze niet in onze natuur. De 1 tot 4 centimeter lange kever met een opvallend oranjerood patroon op zijn rugschilden is een meester-recycleerder. Hij leeft van wat hij in kadavertjes van muizen en kleine vogels vindt, inbegrepen vliegenmaden. Zodra hij in voortplantingsmodus komt, recupereert hij energie en materie uit dode dieren om ze in zijn kroost te pompen.
...

Veel nuttiger dan de doodgraver vind je ze niet in onze natuur. De 1 tot 4 centimeter lange kever met een opvallend oranjerood patroon op zijn rugschilden is een meester-recycleerder. Hij leeft van wat hij in kadavertjes van muizen en kleine vogels vindt, inbegrepen vliegenmaden. Zodra hij in voortplantingsmodus komt, recupereert hij energie en materie uit dode dieren om ze in zijn kroost te pompen. Als een keverkoppel er klaar voor is, zoekt het een geschikt kadaver. Het sleept dat soms naar een goede plek om het in te graven - zo vermijdt het de intense bovengrondse competitie om lijken. Het kadaver wordt klaargemaakt als kinderkamer. De haren of pluimen worden er afgebeten, en dikwijls wordt het rottend vlees in een soort gehaktballetjes gerold, die elk apart bewaard worden in een slijmlaagje, mogelijk om het rottingsproces te vertragen. Als de jongen er zijn, is verhuizen naar een ander lijk geen optie. Als een aanstaande moeder tijdens dat voorbereidende proces een ander vrouwtje ontmoet, wordt er een stevig robbertje gevochten. Mannetjes vechten uitsluitend met andere mannen. Soms bereiden ze alleen een kadaver voor, waarmee ze een vrouwtje pogen te imponeren. Ze lokken haar met speciale geurstoffen. Volgens een studie in The Journal of Evolutionary Biology hebben vrouwtjes een voorkeur voor kleinere mannetjes, niet omdat die hen meer jongen opleveren, wel omdat ze minder gedoe veroorzaken door te vechten. The American Naturalist heeft dan weer laten weten dat vrouwelijke vechtersbazen succesvoller in de voortplanting zijn dan voorzichtiger vrouwtjes: hun jongen overleven gemakkelijker. Ondanks het vechtersgedoe zijn er opvallende parallellen tussen onze voortplantingstechniek en die van doodgravers. Net als bij ons zorgen beide keverouders samen voor de jongen. Een vrouwtje legt haar eitjes vlakbij het geprepareerde lijkje. Als de jongen uitkomen, lokt ze hen met fijne roepjes naar het aas. Vader en moeder kunnen het vlees voorkauwen om het verteerbaarder te maken en geven het zo aan hun jongen door. Hoewel de jongen op eigen kracht kunnen eten, stimuleren ze de ouders door middel van actieve communicatie om hen te voeden. Ze groeien dan sneller. Ze maken geen onderscheid tussen vader of moeder, maar ze lijken wel te voelen - te ruiken waarschijnlijk - dat er een doodgraver in de buurt is die geen familie is, want dan vallen ze meestal stil. Mogelijk vermijden ze zo het risico dat ze worden uitgeschakeld door een dier dat geen competitie met zijn eigen jongen wil. In Science stond een voedingstactiek beschreven die wel erg ver gaat voor een dier dat niet, zoals de meesten van ons, nadenkt over zijn doen en laten. De doodgravers doen zich ook te goed aan de darmen van hun kadavers. Daarin zitten bacteriën die de voedingswaarde van het rottend vlees voor hun jongen verhogen. De ouders spuwen wat van de voorgesneden darminhoud op de slijmlaag rond de vleesballetjes. Experimenten wezen uit dat 'steriele' vleesballetjes veel kleinere jongen opleveren dan de doodgraversversie van wat wij bifidus- of andere bacteriële toevoegingen zouden noemen. De doodgravers managen bacteriën dus voor hun eigen welzijn. Doodgravers zijn bijna het hele jaar door te zien, maar toch vooral in de zomer. Het loont de moeite ze een tijdje in de gaten te houden.