Je moet stevig uit de hoek komen om kans te maken op een verkiezing als 'Europese Spin van het Jaar': een initiatief waarmee spinnenverenigingen als het Belgische Arabel aandacht willen wekken voor spinnen. Het helpt als de uitverkoren spin iets aparts heeft.
...

Je moet stevig uit de hoek komen om kans te maken op een verkiezing als 'Europese Spin van het Jaar': een initiatief waarmee spinnenverenigingen als het Belgische Arabel aandacht willen wekken voor spinnen. Het helpt als de uitverkoren spin iets aparts heeft. Het helpt niet als je een doodgewone springspin bent. Springspinnen vormen wereldwijd de grootste spinnenfamilie, met meer dan zesduizend soorten. Op de Vlaamse soortenlijst van Natuurpunt staan er twintig. Springspinnen bouwen geen web, maar besluipen hun prooi en bespringen ze. Daarvoor zijn ze toegerust met ogen als koplampen op de voorkant van hun kop. De mannetjes gebruiken die ook om hun kansen in te schatten bij rituele gevechten, waarbij ze met hun grote afgeplatte kaken de tegenpartij intimideren. De vrouwtjes zouden hun ogen de kost geven om mannetjes te monsteren en het beste exemplaar te kiezen. Tot daar de springspinroutine. Maar de springspin die het tot Europese spin van 2019 schopte, is de bosmierspringspin. Wat haar uitzonderlijk maakt, is dat ze het uiterlijk van een bosmier nabootst. Veel springspinnen hebben een wat compacte, geblokte vorm, maar de bosmierspringspin is een langgerekt diertje van een halve centimeter groot dat een duidelijke 'taille' heeft. Die scheidt het achterlijf van de voorste lichaamshelft (het kopborststuk). Daardoor krijgt de spin het voorkomen van een mier.Bosmierspringspinnen hebben daarenboven de neiging hun voorste paar poten omhoog te houden en regelmatig in de lucht te bewegen, zoals de antennes van een mier. Ze lopen zelfs als een mier, op drie paar poten dus en met korte intervallen van rennen en stilstaan. Naar spinnennormen is de bosmierspringspin ook opvallend gekleurd, met afwisselende patronen van zwart en roodbruin - nog iets om als mier te kunnen doorgaan. De spinnen doen die evolutionaire moeite niet om mieren te verschalken, want ze eten overwegend vliegjes en mugjes. Ze doen het omdat veel spinneneters op hun hoede zijn voor mieren, die agressief uit de hoek kunnen komen en onsmakelijk kunnen zijn door hun mierenzuur. Een mierenlook biedt de spin dus een vorm van bescherming, waardoor ze zich meer op haar prooien kan focussen en minder waakzaam hoeft te zijn om niet zelf ten prooi te vallen aan spinneneters. Camouflage door het nabootsen van een andere soort is niet zo uitzonderlijk in de natuur. Er zijn nog spinnen die op mieren lijken, op de Vlaamse lijst staat bijvoorbeeld ook een slanke mierspringspin. Er zijn ook nogal wat insecten die zichzelf beschermen door te doen alsof ze een ander insect zijn, denk aan zweefvliegen of vlinders die zich vermommen als wesp. De bosmierspringspin is vooral actief in de zomer, maar kan het hele jaar door gevonden worden op zonnige en liefst wat vochtige plekken met stenen en mos. Dat is dus een andere biotoop dan die van bosmieren, maar dat lijkt hun overleving niet te hinderen. De spinnen zijn wel veel schaarser dan de bosmieren, die in grote kolonies kunnen leven. Op de waarnemingensite van Natuurpunt staan de laatste jaren bijna uitsluitend meldingen van bosmierspringspinnen voor enkele Limburgse natuurgebieden. De soort is dus zeker niet algemeen, hoewel ze waarschijnlijk gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Argeloze waarnemers verwarren ze mogelijk met een mier.