Onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) herhaalde het de afgelopen weken vaak. De school zou, in vergelijking met de wereld daarbuiten, een relatief veilige haven zijn. Binnen de schoolmuren zouden we het virus immers beter onder controle hebben dan daarbuiten. Dat de minister gelijk heeft, is niet uitgesloten. Maar sluitend bewijs voor die stelling leveren de cijfers niet.
...

Onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) herhaalde het de afgelopen weken vaak. De school zou, in vergelijking met de wereld daarbuiten, een relatief veilige haven zijn. Binnen de schoolmuren zouden we het virus immers beter onder controle hebben dan daarbuiten. Dat de minister gelijk heeft, is niet uitgesloten. Maar sluitend bewijs voor die stelling leveren de cijfers niet. Hoeveel Vlaamse leerlingen en leraren zijn er de afgelopen weken precies besmet geraakt? Volgens de CLB's (centra voor leerlingenbegeleiding), die belast zijn met de contactopsporing, waren het er relatief weinig. Tussen 28 september en 11 oktober werden 1795 leerlingen en 411 personeelsleden positief getest. Dat komt neer op respectievelijk 0,15 en 0,25 procent van alle leerlingen en leraren. Niet meteen alarmerend, lijkt het, zeker als je weet dat de voorbije twee weken meer dan 0,5 procent van de Belgische bevolking positief testte. Over de cijfers van het CLB valt helaas maar één ding met zekerheid te zeggen: ze zijn, allicht meer nog dan de algemene cijfers, een onderschatting. Kinderen en jongeren ontwikkelen zelden zware symptomen, waardoor ze minder vaak worden getest. Dat wil uiteraard niet zeggen dat ze minder vaak besmet zijn. Dat het virus ook bij hen vlot circuleert, blijk uit cijfers van Sciensano over de positiviteitsratio (het cijfer dat aangeeft hoeveel procent van de tests positief uitvalt) per leeftijdscategorie. Hier zien we dat de tests van kinderen of jongeren tussen 10 en 19 jaar ongeveer even vaak positief resultaat opleveren als bij de rest van de bevolking. Enkel bij de kinderen van 0 tot 10 is het percentage significant lager. Voor Steven Van Gucht, viroloog bij Sciensano, is het een bevestiging van wat experts al even vermoeden. Kinderen worden zelden ziek van een besmetting met het coronavirus, en ze besmetten elkaar (en volwassenen) ook niet vaak. 'Bij kinderen onder tien jaar vinden we zelden gevallen', zegt Van Gucht. 'Als we ze testen, blijken ze vaak besmet door andere virussen. Het aantal coronabesmettingen neemt bij kinderen nu wel toe, maar veel minder snel dan bij de rest van de bevolking. Ik heb het dan over een vervijfvoudiging bij de kinderen sinds 1 september, tegenover een verdertienvoudiging bij de totale bevolking.' De 10- tot 19-jarigen zijn een ander verhaal. Als die worden getest, blijken ze ongeveer even vaak besmet als volwassenen. Maar, zo zegt Van Gucht, misschien is de afbakening die hier wordt gehanteerd niet fijnmazig genoeg om te laten zien wat er werkelijk aan de hand is. 'Het valt op dat het aantal besmettingen bijzonder sterk toeneemt vanaf 15 jaar, om dan te pieken bij 18 en 19 jaar. Voor mij is dat een aanwijzing dat het zelfstandiger worden een belangrijke factor is. Hoe zelfstandiger jongeren worden, hoe groter het risico. Als ze wat ouder worden, gebruiken ze vaker openbaar vervoer, of spreken na school af met vrienden. Ik vermoed dat de besmettingen eerder in die hoek te zoeken zijn. Als de besmettingen volledig schoolgerelateerd waren, zou een 14-jarige evenveel besmettingskans hebben als een 17-jarige. In werkelijkheid raken de 17-jarigen vandaag bijna dubbel zo vaak besmet als de 14-jarigen. Dat lijkt me toch een duidelijke indicator.' Heeft Ben Weyts bijgevolg gelijk als hij zegt dat de klas vandaag een veiligere plek is dan de wereld daarbuiten? Zou het dus, omgekeerd, niet kunnen dat jongeren nog meer risico lopen als hun school de deuren sluit? Een antwoord zou van het brononderzoek kunnen komen. Helaas geeft het Vlaamse brononderzoek daarover weinig uitsluitsel. Op het eerste gezicht wat preciezere gegevens kwamen er vorige week van het Waalse Agence pour une Vie de Qualité (Aviq). Het agentschap telde sinds de start van de tweede golf 2597 clusters van besmettingen in gezinnen. 481 andere clusters werden elders ontdekt. Van die minderheid zou bijna de helft in de scholen ontdekt zijn. Yves Coppieters, professor volksgezondheid aan de ULB, relativeerde die cijfers wel meteen. 'Als we vaststellen dat bijvoorbeeld in een school vijf leerlingen besmet zijn geraakt, weten we niet hoe die leerlingen covid-19 hebben opgelopen en ook niet waar. Het had op school kunnen gebeuren, maar ook in de familiekring.' Het was Het Laatste Nieuws dat vorige week berichtte dat 'wij', in tegenstelling tot Nederland en Duitsland, nog altijd niet weten waar we besmet raken. Die buurlanden zouden de voornaamste besmettingsbronnen al lang kennen. Was dat maar waar, we zouden er iets uit kunnen leren. Volgens de laatste update van het Nederlandse RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) kon tijdens de eerste week van oktober in een minderheid van 26 procent van de gevallen de 'setting van de mogelijke besmetting' worden achterhaald. Van die minderheid vond volgens het brononderzoek 59 procent van de besmettingen zijn oorsprong in de 'thuissituatie'. School en kinderopvang zouden 3,9 procent voor hun rekening nemen. Inmiddels is de kwaliteit van het Nederlandse brononderzoek nog verder gedaald. Volgens recente berichten zou nog bij 13 procent van alle positieve tests de vermoedelijke bron bekend zijn. Precieze gegevens ontbreken ook in Duitsland, een land dat alom geprezen wordt voor zijn efficiënte aanpak. Volgens de overheden zou er tot dusver in één Duitse school een clusterbesmetting bevestigd zijn. In een recent rapport stelt het gerenommeerde Robert Koch Institut dat besmettingen van kinderen en jongeren 'vaak' vertrekken van volwassenen. Onduidelijkheid is er volgens het instituut nog over de mate waarin het virus binnen de scholen of van de scholen naar gezinnen circuleert. Die kwestie is nog altijd 'voorwerp van onderzoek'. Een eerste conclusie: over de rol van open scholen in de huidige piek valt weinig stelligs te zeggen. De vele onderzoeken resulteren wel in een aantal aanwijzingen. De groeiende consensus is dat jonge kinderen elkaar en volwassenen slechts zelden besmetten, en dus ook geen bepalende rol spelen in de huidige piek. Veel minder consensus is er over de rol van jongeren. Helemaal nieuw, en bijzonder relevant voor dit thema, is een studie over de impact van schoolsluitingen tijdens de eerste coronagolf in Zweden. Drie Zweedse economen (Jonas Vlachos, Edvin Hertegard en Helena B Svaleryd) onderzochten er hoe gevaarlijk het was om de 'lagere middelbare school' (leeftijd tussen 14 en 16) zelfs op het hoogtepunt van de eerste piek volledig open te houden. Wat het (nog niet gepeerreviewde) onderzoek zo interessant maakt, is dat er in Zweden vergeleken kon worden met de 'hogere middelbare school' (leeftijd van 17 tot 19 jaar), die wél gesloten werd. Een veelbetekenend terzijde: voor deze studie werden de gevolgen voor leerlingen zelf niet bestudeerd. Het aantal ernstige gevallen was volgens de onderzoekers te klein voor statistisch zinvolle analyse. Van de meer dan 1 miljoen Zweedse leerlingen tussen 7 en 16 jaar werden er 87 ernstig ziek. Bij jongeren van 17 tot 19 waren dat er 71. In geen van de twee leeftijdscategorieën viel een dode te betreuren. Wat de studie wél onderzocht zijn de gevolgen voor ouders en leraren. Om bij de ouders te beginnen: bij hen was het verschil tussen gesloten of open school eerder klein. De onderzoekers schatten dat een sluiting van de lage middelbare school enkele honderden besmettingen had kunnen vermijden. Opvallender was het verschil bij leraren en hun partners. Het openhouden van lagere middelbare scholen zou bij hen tot een verdubbeling van het aantal besmettingen hebben geleid, en zelfs een aantal dodelijke slachtoffers hebben gemaakt. Die schade kon volgens de onderzoekers evenwel beperkt worden door kleinere klassen en maskers, voorzorgsmaatregelen die in Zweden niet waren genomen. Ten gronde besluiten de onderzoekers dat de voordelen van een sluiting niet opwegen tegen evidente nadelen zoals toegenomen ongelijkheid, leerachterstand en economische schade.