Zo aan het begin van het schooljaar bekruipt me steevast de neiging om een zekere bezorgdheid te uiten over ons onderwijs. Er valt uiteraard heel wat over te schrijven. Ik hoop dat we de komende jaren van het onderwijsdebat niet ook nog eens een partijpolitieke kermis maken, maar wil nu liever een verwant thema aansnijden: de opvoeding. We koesteren grote verwachtingen over wat onze kinderen allemaal hebben opgepikt als zij de schoolpoort verlaten. Maar wat hebben wij hen als ouders bijgebracht als ze opnieuw de schoolpoort binnenstappen? Ook dat is een legitieme vraag.
...

Zo aan het begin van het schooljaar bekruipt me steevast de neiging om een zekere bezorgdheid te uiten over ons onderwijs. Er valt uiteraard heel wat over te schrijven. Ik hoop dat we de komende jaren van het onderwijsdebat niet ook nog eens een partijpolitieke kermis maken, maar wil nu liever een verwant thema aansnijden: de opvoeding. We koesteren grote verwachtingen over wat onze kinderen allemaal hebben opgepikt als zij de schoolpoort verlaten. Maar wat hebben wij hen als ouders bijgebracht als ze opnieuw de schoolpoort binnenstappen? Ook dat is een legitieme vraag. Uit onderzoek blijkt dat ouders meer tijd met hun kinderen doorbrengen dan vroeger. Dat lijkt contra-intuïtief, aangezien de meeste ouders allebei uit werken gaan en aanzienlijk wat tijd in het verkeer doorbrengen. Toch zien de onderzoekscijfers er best soliede uit. Wat de opvoeding vandaag ook typeert, is een explosie aan bezigheden. Kwam je er als kind vroeger van af met een zaterdagochtend padvinderij, dan hoort er vandaag ook nog te worden gezwommen, gevoetbald en wat weet ik nog niet allemaal. Ook de woensdagnamiddagen en de avonden zitten volgepropt. Ouders willen hun kinderen van alles laten proeven en er trots op kunnen zijn dat ze wat in hun mars hebben. Maar opvoeden is op die manier ook een beetje taxi spelen geworden. Kinderen zijn vandaag wellicht wat bedrevener in tekenen, tennis of klarinetspelen, maar die vele bezigheden leiden ook tot nervositeit en minder weerbaarheid. De Amerikaanse opvoedkundige Kim Brooks zette daar onlangs een boompje over op in The New York Times. Kinderen hebben steeds minder vrij spel, in het park of in de speeltuin bijvoorbeeld, onbevangen met andere kinderen. Ze worden minder spontaan blootgesteld aan uitdagingen en risico's en kunnen minder op eigen ritme, met vallen en opstaan, hindernissen leren overwinnen. De publieke speelruimte wordt kleiner en door het verkeer wellicht ook onveiliger, maar deze generatie berooft haar kinderen van een natuurlijke habitat om op eigen kracht op ontdekking te gaan. De plekken waar mijn generatiegenoten vroeger ravotten, zijn ingenomen door bedrijventerreinen en woningen - voor kleine avonturiers afgesloten met hoge hekken en poorten. Overbescherming breekt de veerkracht van kinderen. Ze verhindert hen met obstakels, pijn en falen om te leren gaan. Door kinderen te zeer te behoeden voor ongeluk, zo schrijven deskundigen als John Marsden en Peter Gray in recent werk, ontnemen ouders hen de kans op geluk. Geluk impliceert immers ook het vermogen om ongeluk te kunnen incasseren. Zodra de kasplantjes uit hun beveiligde omgeving worden gehaald, bekruipen hen angst en onzekerheid en rest de ouders vaak niet anders dan de eindeloze voortzetting van die overbescherming. Ze blijven hun tieners met 'taxi mama' vervoeren in plaats van ze de o zo gevaarlijke bus te laten nemen, ze laten hun studenten bij wijze van spreken door advocaten escorteren als ze op de unief een examen moeten afleggen en draven ook nog eens op voor de kleinkinderen om de kersverse ouders toch maar te sparen. Tezelfdertijd neemt de permissiviteit toe. Overbescherming impliceert ook dat ouders de confrontatie met hun kinderen uit de weg gaan en vriendschap verkiezen boven autoriteit. Plato beschreef dat al als een kenmerk van een bedorven samenleving: 'Ouderen proberen te voorkomen om streng of strikt over te komen door jongeren na te apen.' De Griekse wijsgeer stelde dat die houding niet alleen individuele kinderen kwetsbaar maakt, maar ook de hele samenleving. Die koppelt eindeloze verwachtingen aan een beperkte verantwoordelijkheidszin, grote dromen aan geringe daadkracht. Zo'n samenleving is als een zonnebloemveld: ze staat vol hoogreikende stengels, die erg kwetsbaar zijn in de storm. De Indiase dichter Rabindranath Tagore schreef dat de opvoeding van een kind de betrokkenheid van een heel dorp vereist. Kinderen hebben vooral weer een heel dorp nodig waarin ze, als in een kleine versie van de veel grotere wereld, vrijelijk hun eerste stappen kunnen zetten. Ze hebben plaats nodig om op avontuur te gaan en bomen in te klimmen, desnoods eens een arm te breken, maar toch naar steeds grotere hoogtes te reiken. En ze hebben volwassenen nodig die hen met open hand en autoriteit begeleiden, in plaats van hen met gesloten vuist overbezorgd te betuttelen.