Net als de verhitte polemieken over milieu, migratie of herverdeling is het onderwijsdebat vandaag een arena voor kletterend wapengeweld. Of het nu gaat over het M-decreet, centrale examens of concentratiescholen, telkens staan er minstens twee bendes van intellectuele gladiatoren tegenover elkaar, van pedagogen over sociologen tot cognitief psychologen. De essentie dreigt daarbij al eens te worden vergeten: onderwijs dient niet om een wereldbeeld te bevestigen of te ontkrachten, of om de macht van een koepel te breken of te verstevigen, maar om kinderen iets bij te leren.
...

Net als de verhitte polemieken over milieu, migratie of herverdeling is het onderwijsdebat vandaag een arena voor kletterend wapengeweld. Of het nu gaat over het M-decreet, centrale examens of concentratiescholen, telkens staan er minstens twee bendes van intellectuele gladiatoren tegenover elkaar, van pedagogen over sociologen tot cognitief psychologen. De essentie dreigt daarbij al eens te worden vergeten: onderwijs dient niet om een wereldbeeld te bevestigen of te ontkrachten, of om de macht van een koepel te breken of te verstevigen, maar om kinderen iets bij te leren. Daar gaat het een beetje mis. De jongste jaren presteren we steevast minder goed in internationale proeven zoals de PISA-onderzoeken, of de PIRLS-onderzoeken naar begrijpend lezen. Bij het eerste PISA-onderzoek in 2000 scoorden we geweldig: er was geen enkele andere regio die significant beter scoorde op wiskundige geletterdheid dan de onze. In 2015 waren we al naar de zesde plaats gezakt. Bovendien is er ook in absolute cijfers een neerwaartse trend: we blijven naar OESO-normen nog altijd een topregio, maar ook los van de internationale rangorde zijn onze vijftienjarigen simpelweg minder goed geworden. De trend voor begrijpend lezen is vergelijkbaar. Bij de toppresteerders is het niet beter: vijftien jaar geleden behoorde een op de drie Vlaamse leerlingen tot de internationale top voor wiskunde, nu is dat nog een op de vijf. Het debat wordt doorgaans verengd tot een oorlog tussen twee visies: de 'gelijkekansenridders' en de engelbewaarders van de excellentie. In de karikaturen wordt dat een strijd met aan de ene kant linkiewinkies die zoveel mogelijk Vlamingen met een migratieachtergrond én hun ideologische agenda van gelijkheid willen vooruithelpen, ten koste van extra stimuli voor de witte eliteleerlingen. Het rechtse kamp zou dan weer bestaan uit hardvochtige rouwdouwers die de blanke privileges in stand willen houden en hun ideologische voorkeur voor competitie erdoor willen rammen. Het ligt genuanceerder dan dat. Wouter Duyck, zonder enige twijfel de luidste vertegenwoordiger van het 'excellentiekamp', betuigde in Knack bijvoorbeeld ondubbelzinnig zijn steun aan de elitecolleges om de terugval bij PISA-onderzoeken tegen te gaan, maar wel 'op voorwaarde dat ze op cognitief vlak elitair zijn'. En dus niet enkel mikken op jongeren uit de hogere sociale klassen. Want ook daarover is het PISA-onderzoek glashelder: Vlaanderen is een van de regio's met de grootste ongelijkheid in onderwijskansen. Dat is geheel in lijn met het schabouwelijke palmares als het gaat over het wegwerken van andere discriminaties. Om uit de stellingenoorlog te raken zijn er twee denksporen met toekomstperspectief. Het eerste komt uit nieuw onderzoek van de KU Leuven. In zijn masterproef bij Ides Nicaise, een prominente vertegenwoordiger van het 'gelijkekansenkamp', brengt onderzoeker Jan Schoukens een vernieuwende definitie van 'excelleren' naar voren: excelleren betekent bij hem niet zozeer in absolute waarden topscores behalen bij PISA of PIRLS, maar wel de grootste vooruitgang boeken ten aanzien van de startpositie. 'Vlaamse scholen uit de PISA-enquête van 2015', schrijft hij in zijn scriptie, 'worden als "excellerend" geselecteerd als ze hun leerlingen gemiddeld veel beter laten presteren dan wat je van hun sociaal-economische achtergrond, thuistaal of onderwijsvorm mag verwachten.' En dan blijkt dat niet enkel witte aso-scholen hun leerlingen laten excelleren, maar dat je in alle onderwijstypes scholen vindt die geweldig goed hun job doen: leerlingen boven zichzelf uittillen. Als we nu ook andere scholen zouden modelleren naar het profiel van die excellerende scholen, dan zouden we weer hoger scoren op PISA- en andere tests, suggereert Schoukens. Daarnaast is het perfect mogelijk om de bestaande gelden voor gelijke onderwijskansen (GOK) op niveau te houden, en tóch extra inspanningen te doen voor de top. Waarom zouden we niet een klein deel van het gigantische onderwijsbudget besteden aan honours programs? Die bestaan uit extra taken, lessen en andere uitdagingen voor de intellectuele top van de klas. 'Ik kan zo tien maatregelen opnoemen ten voordele van kwetsbare kinderen,' zei Duyck onlangs in Knack, 'maar ik ken er niet één die specifiek is gericht op leerlingen die heel erg goed presteren.' Cruciaal is dan dat die plusprogramma's overal worden ingezet, en dat ze niet beperkt blijven tot de witte elitescholen die we vandaag al kennen. Alleen zo halen we echt al het potentieel uit onze leerlingen, ook die met een migratieachtergrond. Echte leervooruitgang meten en ook de top blijven uitdagen: de weg vooruit is niet zo moeilijk. Waar wachten we op?