Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst is het einde van het klassiek contactonderwijs meermaals aangekondigd. Waarom hebben we nog fysiek contact nodig tussen een leerling en een leraar als we de leerinhouden kunnen aanbrengen via boeken, geluidsopnames, video-opnames of digitale media? Maar telkens opnieuw bleek het vals alarm: de nieuwe technologieën werden eerder opgenomen binnen het klassiek contactonderwijs in plaats van het te vervangen.

Tot de (onderwijs)wereld in de ban zou geraken van het coronavirus. Van de ene op de andere dag werd fysiek contactonderwijs vervangen door digitaal afstandsonderwijs. Plots werden instrumenten zoals Smartschool, Skype en Zoom belangrijker voor het onderwijs dan een klaslokaal met krijt en bord. Voor instellingen van het hoger onderwijs die reeds vele stappen hadden gezet richting digitaal onderwijs, was de overstap gemakkelijker dan voor het leerplichtonderwijs waar contactonderwijs eerder de regel is.

Ondertussen rinkelen heel wat alarmbellen over de bedreiging die het digitaal afstandsonderwijs met zich meebrengt. Onderwijspractici, experten en beleidsmakers wijzen vooral naar de gevaren voor kwetsbare groepen die minder toegang hebben tot nieuwe technologieën en de mogelijke gevolgen hiervan voor gelijke kansen. En inderdaad, niet alle kinderen hebben thuis een eigen laptop die verbonden is met het internet. Het is goed dat er gewezen wordt op deze valkuilen.

Maar de kwestie van gelijke kansen in het onderwijs is veel meer dan alleen een kwestie van toegankelijkheid. Ook wanneer leerlingen gelijke toegang hebben tot het onderwijs, kan het onderwijs ongelijkheid verder versterken. Dat is echter geen natuurwet: wat doorslaggevend is, is hoe onze leeromgeving ontworpen is. En laat het exact hier zijn dat digitalisering nieuwe kansen biedt voor het bewust ontwerpen van leeromgevingen die meer gelijke kansen bieden. Dat verdient een woordje uitleg.

We weten uit onderzoek dat kinderen uit verschillende sociale groepen anders worden opgevoed. Bij hoogopgeleide en welvarende gezinnen spelen tekstuele bronnen zoals boeken een vitale rol in het opvoedingsproces. Vanaf de geboorte (als het al niet eerder is) lezen ouders in dergelijke gezinnen voor aan hun kinderen. Thuis is er meestal een bibliotheek aan boeken die deze kinderen mee opvoeden.

Bij kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen daarentegen zijn er minder tekstuele bronnen. Wat wel aanwezig is zijn audiovisuele bronnen; vroeger de tv, vandaag de smartphone. En deze audiovisuele bronnen dragen bij tot de socialisatie van deze kinderen en de culturele bagage die ze meenemen naar de school.

Wanneer het onderwijs vooral gebeurt op basis van tekstuele bronnen, dan spelen kinderen uit welgestelde gezinnen natuurlijk een thuismatch. Zij zijn vanaf de wieg reeds vertrouwd met deze manier van onderwijzen. Kinderen uit minder welgestelde gezinnen moeten zich echter eerst nog aanpassen aan de manier waarop, om dan pas over te gaan op de leerinhouden. Maar assimilatie vergt ook energie en tijd. Mocht bij het ontwerpen van het onderwijs rekening worden gehouden met alle culturele bagages zouden we hypothetisch minder ongelijkheid hebben.

Digitaal onderwijs biedt ook (gelijke) kansen.

Dit is niet alleen een theoretisch hersenspinsel, ook empirisch onderzoek wijst in deze richting. Studies wijzen vaak uit dat technologisch verrijkt onderwijs betere resultaten geeft dan puur contactonderwijs en dat komt volgens ons voornamelijk doordat een team meer nauwgezet nadenkt over het ontwerp van het onderwijs.

Noemenswaardig in dit verband is het doctoraatsonderzoek van Margot Belet. Zij experimenteerde aan drie Vlaamse universiteiten met het gebruik van YouTube-filmpjes tijdens colleges en vergeleek de resultaten met klassieke hoorcolleges. In de conditie van het klassiek hoorcollege presteerden welgestelde studenten significant beter dan studenten uit minder welgestelde gezinnen. In de conditie van colleges met YouTube-filmpjes was er geen verschil meer tussen de leerprestaties van studenten uit welgestelde en minder-welgestelde gezinnen.

Technologisch verrijkt afstandsonderwijs biedt een mogelijkheid om op voorhand, in teamverband, na te denken over het ontwerp van het onderwijs en de gevolgen die het ontwerp heeft voor sociale ongelijkheid.

Wellicht zullen we teksten nooit helemaal kunnen wegdenken, en dat zou ook niet wenselijk zijn. Wat we wel onder controle kunnen krijgen is hoe we informatie aanreiken aan verschillende groepen van leerlingen. Digitaal afstandsonderwijs dat bestaand fysiek contactonderwijs volledig nabootst, zal meteen ook de bestaande sociale ongelijkheden repliceren. Maar digitaal afstandsonderwijs dat rekening houdt met deze verschillen, kan nieuwe kansen bieden, nieuwe gelijke kansen welteverstaan.

Bovendien bieden digitale leeromgevingen mogelijkheden die ondenkbaar zijn in het contactonderwijs. Denk maar bijvoorbeeld aan de beperkingen van de instructietaal in het contactonderwijs. Een leraar kan enkel instructies geven in de talen die hij of zij beheerst. We kunnen nog iets voorstellen bij tweetalig onderwijs; maar vanaf drie talen loopt meertalig onderwijs in een fysieke leeromgeving tegen zijn grenzen aan. Digitale leeromgevingen daarentegen zijn in principe onbeperkt in het aantal talen waarin instructies en leerinhouden kunnen aangeboden worden. Met neurale machinevertalingen kan dat zelfs bijna kosteloos gebeuren. Een echte inclusieve leeromgeving, die zich niet enkel biedt op één groep van leerlingen, wordt zo denkbaar. Zo wordt de utopie van universeel design van het leren meer waarschijnlijk.

Maar zover zijn we vandaag nog niet. Zoals Churchill het al zei: 'Never let a good crisis go to waste'. Het coronavirus biedt een kans om het onderwijs te verder herdenken, ook wat betreft gelijke kansen.

Orhan Agirdag is docent aan het Laboratorium voor Educatie en Samenleving (KU Leuven)

Jan Elen is gewoon hoogleraar aan het Centrum voor Instructiepsychologie en -technologie (KU Leuven)

Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst is het einde van het klassiek contactonderwijs meermaals aangekondigd. Waarom hebben we nog fysiek contact nodig tussen een leerling en een leraar als we de leerinhouden kunnen aanbrengen via boeken, geluidsopnames, video-opnames of digitale media? Maar telkens opnieuw bleek het vals alarm: de nieuwe technologieën werden eerder opgenomen binnen het klassiek contactonderwijs in plaats van het te vervangen.Tot de (onderwijs)wereld in de ban zou geraken van het coronavirus. Van de ene op de andere dag werd fysiek contactonderwijs vervangen door digitaal afstandsonderwijs. Plots werden instrumenten zoals Smartschool, Skype en Zoom belangrijker voor het onderwijs dan een klaslokaal met krijt en bord. Voor instellingen van het hoger onderwijs die reeds vele stappen hadden gezet richting digitaal onderwijs, was de overstap gemakkelijker dan voor het leerplichtonderwijs waar contactonderwijs eerder de regel is.Ondertussen rinkelen heel wat alarmbellen over de bedreiging die het digitaal afstandsonderwijs met zich meebrengt. Onderwijspractici, experten en beleidsmakers wijzen vooral naar de gevaren voor kwetsbare groepen die minder toegang hebben tot nieuwe technologieën en de mogelijke gevolgen hiervan voor gelijke kansen. En inderdaad, niet alle kinderen hebben thuis een eigen laptop die verbonden is met het internet. Het is goed dat er gewezen wordt op deze valkuilen. Maar de kwestie van gelijke kansen in het onderwijs is veel meer dan alleen een kwestie van toegankelijkheid. Ook wanneer leerlingen gelijke toegang hebben tot het onderwijs, kan het onderwijs ongelijkheid verder versterken. Dat is echter geen natuurwet: wat doorslaggevend is, is hoe onze leeromgeving ontworpen is. En laat het exact hier zijn dat digitalisering nieuwe kansen biedt voor het bewust ontwerpen van leeromgevingen die meer gelijke kansen bieden. Dat verdient een woordje uitleg. We weten uit onderzoek dat kinderen uit verschillende sociale groepen anders worden opgevoed. Bij hoogopgeleide en welvarende gezinnen spelen tekstuele bronnen zoals boeken een vitale rol in het opvoedingsproces. Vanaf de geboorte (als het al niet eerder is) lezen ouders in dergelijke gezinnen voor aan hun kinderen. Thuis is er meestal een bibliotheek aan boeken die deze kinderen mee opvoeden. Bij kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen daarentegen zijn er minder tekstuele bronnen. Wat wel aanwezig is zijn audiovisuele bronnen; vroeger de tv, vandaag de smartphone. En deze audiovisuele bronnen dragen bij tot de socialisatie van deze kinderen en de culturele bagage die ze meenemen naar de school.Wanneer het onderwijs vooral gebeurt op basis van tekstuele bronnen, dan spelen kinderen uit welgestelde gezinnen natuurlijk een thuismatch. Zij zijn vanaf de wieg reeds vertrouwd met deze manier van onderwijzen. Kinderen uit minder welgestelde gezinnen moeten zich echter eerst nog aanpassen aan de manier waarop, om dan pas over te gaan op de leerinhouden. Maar assimilatie vergt ook energie en tijd. Mocht bij het ontwerpen van het onderwijs rekening worden gehouden met alle culturele bagages zouden we hypothetisch minder ongelijkheid hebben. Dit is niet alleen een theoretisch hersenspinsel, ook empirisch onderzoek wijst in deze richting. Studies wijzen vaak uit dat technologisch verrijkt onderwijs betere resultaten geeft dan puur contactonderwijs en dat komt volgens ons voornamelijk doordat een team meer nauwgezet nadenkt over het ontwerp van het onderwijs. Noemenswaardig in dit verband is het doctoraatsonderzoek van Margot Belet. Zij experimenteerde aan drie Vlaamse universiteiten met het gebruik van YouTube-filmpjes tijdens colleges en vergeleek de resultaten met klassieke hoorcolleges. In de conditie van het klassiek hoorcollege presteerden welgestelde studenten significant beter dan studenten uit minder welgestelde gezinnen. In de conditie van colleges met YouTube-filmpjes was er geen verschil meer tussen de leerprestaties van studenten uit welgestelde en minder-welgestelde gezinnen.Technologisch verrijkt afstandsonderwijs biedt een mogelijkheid om op voorhand, in teamverband, na te denken over het ontwerp van het onderwijs en de gevolgen die het ontwerp heeft voor sociale ongelijkheid. Wellicht zullen we teksten nooit helemaal kunnen wegdenken, en dat zou ook niet wenselijk zijn. Wat we wel onder controle kunnen krijgen is hoe we informatie aanreiken aan verschillende groepen van leerlingen. Digitaal afstandsonderwijs dat bestaand fysiek contactonderwijs volledig nabootst, zal meteen ook de bestaande sociale ongelijkheden repliceren. Maar digitaal afstandsonderwijs dat rekening houdt met deze verschillen, kan nieuwe kansen bieden, nieuwe gelijke kansen welteverstaan.Bovendien bieden digitale leeromgevingen mogelijkheden die ondenkbaar zijn in het contactonderwijs. Denk maar bijvoorbeeld aan de beperkingen van de instructietaal in het contactonderwijs. Een leraar kan enkel instructies geven in de talen die hij of zij beheerst. We kunnen nog iets voorstellen bij tweetalig onderwijs; maar vanaf drie talen loopt meertalig onderwijs in een fysieke leeromgeving tegen zijn grenzen aan. Digitale leeromgevingen daarentegen zijn in principe onbeperkt in het aantal talen waarin instructies en leerinhouden kunnen aangeboden worden. Met neurale machinevertalingen kan dat zelfs bijna kosteloos gebeuren. Een echte inclusieve leeromgeving, die zich niet enkel biedt op één groep van leerlingen, wordt zo denkbaar. Zo wordt de utopie van universeel design van het leren meer waarschijnlijk. Maar zover zijn we vandaag nog niet. Zoals Churchill het al zei: 'Never let a good crisis go to waste'. Het coronavirus biedt een kans om het onderwijs te verder herdenken, ook wat betreft gelijke kansen.Orhan Agirdag is docent aan het Laboratorium voor Educatie en Samenleving (KU Leuven)Jan Elen is gewoon hoogleraar aan het Centrum voor Instructiepsychologie en -technologie (KU Leuven)