Volgens het Amerikaanse zakenblad Forbes is Albert Frère 4,9 miljard dollar of 4,4 miljard euro waard. De Waalse financier strandt daarmee op de 318e plek op de ranglijst van de rijkste mensen ter wereld. Niet slecht voor iemand die wordt omschreven als 'a self-made billionaire who has invested his money wisely'.
...

Volgens het Amerikaanse zakenblad Forbes is Albert Frère 4,9 miljard dollar of 4,4 miljard euro waard. De Waalse financier strandt daarmee op de 318e plek op de ranglijst van de rijkste mensen ter wereld. Niet slecht voor iemand die wordt omschreven als 'a self-made billionaire who has invested his money wisely'. De Vlaamse journalist Ludwig Verduyn, die al vijftien jaar lijsten opstelt van de rijkste Belgen en ook rekening houdt met niet-beursgenoteerde activa, schat het vermogen van Frère zelfs op 6,2 miljard euro. Alleen de families de Spoelberch, de Mévius en Vandamme, aandeelhouders van de brouwerijgroep AB Inbev, zijn volgens hem met 42 miljard euro nog rijker, maar zij moeten dat fortuin verdelen over een 170-tal telgen.Voor de zomer trad Albert Frère terug als bestuurder van de Belgische holding Groep Brussel Lambert (GBL). Daarmee kwam er officieel een einde aan zijn loopbaan in de financiële wereld. Dat wil niet zeggen dat hij met pensioen gaat. 'Dit is geen vaarwel aan het zakenleven', verklaarde Frère. 'Ik heb nog niets veranderd aan mijn werkgewoonten en ik blijf ter beschikking van de beheerders van de Groep in de brede zin.' Hij benadrukte dat hij voorzitter blijft van Frère-Bourgeois en Erbe, twee spilholdings in zijn wijdvertakte imperium. Kortom, echt weg is de 89-jarige nog niet. In de Franse kant Le Figaro zei hij dat hij 'bleef werken om zich te amuseren en zich zou blijven amuseren door te werken'. Toen de RTBf-radio hem in 2009 vroeg of hij 'als Molière op de scène wilde sterven', antwoordde Frère kortweg 'ja'.Bijna vijftig jaar lang drukte Albert Frère zijn stempel op het financieel-economische landschap in ons land. Zijn leven wordt omgeven door heel wat mythes. Lang deed het verhaal de ronde dat hij zijn carrière startte in een schroothandel.De waarheid is anders: Albert Frère werd op 4 februari 1926 in het Henegouwse Fontaine-L'Evêque geboren als zoon van Oscar Frère, die een groothandel in staalproducten had. Hij verkocht spijkers en kettingen die handarbeiders in de streek thuis produceerden. Toen Albert vier jaar was, overleed zijn vader. Zijn moeder Madeleine Bourgeois zette de zaak voort, met hulp van haar broer, een lokale bankdirecteur.Op school presteerde de kleine Albert niet goed. Een teruggevonden rapport van het eerste jaar op de middelbare school leert dat hij wel meekon voor lichamelijke opvoeding en godsdienst, maar handel en wiskunde - de vakken waar hij later als financier in zou uitblinken - waren een regelrechte ramp. Voor handel haalde hij 294 punten op 630 en voor wiskunde zelfs maar 130 op 450. Meer dan een diploma van lager secundair onderwijs zou Frère nooit halen. 'De enige universiteit waar ik naartoe ben gegaan, is die van het gezond verstand', zei hij in een van zijn schaarse interviews.Frère was geen bolleboos, maar hij had wel flair voor zaken. Na de oorlog stapte hij in de familiezaak en al snel probeerde hij zijn ijzerwaren over heel de wereld te verkopen - volgens sommigen ook aan het communistische China tijdens de Koreaanse Oorlog. Honderden ondernemingen over heel de wereld werden door Frère en zijn medewerkers bestookt met telexen vol aanbiedingen, niet alleen van spijkers en kettingen, maar van ongeveer alles wat met winst te verkopen was. Dat werd zo lang volgehouden tot er een contract uit voortvloeide.Naarmate de staalhandel groeide, kreeg Frère meer interesse voor de staalproductie. Hij wilde minder afhankelijk worden van de leveringen van de staalfabrieken en ging op zoek naar een eigen staalbedrijf. In 1954, Frère was toen 28 jaar, kon hij met de winst uit zijn staalhandel een van zijn voornaamste leveranciers kopen, de Laminoirs et Boulonneries de Ruau in Monceau-sur-Sambre. Het was een van de belangrijkste staalbedrijven uit het bekken van Charleroi maar het moest dringend worden gemoderniseerd. Frère klopte aan bij de toenmalige liberale minister van Economie, Jacques Van der Schueren. Via een openbare kredietinstelling kreeg hij 40 miljoen frank (1 miljoen euro). Het was de eerste en lang niet laatste keer dat Frère de politiek zou inschakelen om zijn bedrijfsplannen uit te voeren.In alle stilte breidde Frère zijn staalbelangen verder uit. Dat maakte indruk op de Franse bankholding Paribas, die haar Belgische staalparticipaties aan Frère toevertrouwde. Zo ontpopte Frère zich tot de ongekroonde koning van het staalbekken rond Charleroi. Daarbij kon hij rekenen op de financiële slagkracht van Paribas, dat voor elke nieuwe investering met geld over de brug kwam. Door die samenwerking met Paribas voelde Frère zich eindelijk aux serieux genomen door de financiële wereld. Lange tijd was hij door de Brusselse haute finance omschreven als 'le fils du marchand de clous' . De hechte band tussen de groep-Frère en Paribas (sinds 1999 BNP Paribas) zou decennialang standhouden. Pas in 2013 kocht Frère de bank volledig uit. Het is kenmerkend voor Frères aanpak: zodra je zijn vertrouwen hebt, ben je vertrokken voor een lange rit.In zijn staalbedrijven voerde Frère al snel zijn beruchte commissiesysteem in: de onderneming Frère-Bourgeois ontving op iedere transactie, ook op die tussen eigen fabrieken, tussen de 2 en 2,5 procent commissie. Zo werd ervoor gezorgd dat Frère-Bourgeois altijd geld verdiende aan elke ton staal die werd verkocht, ook toen de Waalse staalbedrijven zware verliezen boekten. Vakbonden en politici waren er niet over te spreken.Begin jaren zeventig werd de staalindustrie getroffen door een recessie: de vraag naar staal halveerde, de prijzen kelderden. Het was een drama voor Wallonië, dat de sluiting van de steenkoolmijnen in de Borinage nog niet helemaal had verteerd. Tien jaar lang zou het staaldossier de politiek domineren. In 1978 kwam de toenmalige socialistische minister van Economische Zaken Willy Claes met het Staalplan. Tientallen miljarden werden in de staalsector gepompt, maar dat zette niet veel zoden aan de dijk. In 1979 verkocht Frère al zijn participaties in de staalnijverheid voor een mooi bedrag: de Belgische staat betaalde 735 miljoen frank (18 miljoen euro) voor 49 procent van Frère-Bourgeois Commerciale. Vier jaar later kocht de overheid de rest voor 1,125 miljard frank (27 miljoen euro). 'Frère pleegde de hold-up van de eeuw op de Belgische schatkist', zo vatte de Vlaamse politicus Hugo Schiltz de hele episode samen.Frère werd rijk dankzij overheidsgeld terwijl zijn bedrijven doodbloedden en de staalarbeiders hun werk verloren, zo luidt de kritiek nog vaak. In de net verschenen biografie De flair van een miljardair. Albert Frère, de man en de mythes , geschreven door De Tijd -journalist Jean Vanempten, ontkent Frère dat formeel: 'Dat ik van het staal rijk geworden ben, is een mythe. Ik heb dat nooit willen rechtzetten, maar ik was destijds al lang actief in de financiële wereld. Ik had toen al veel verdiend met beurshandel. Nu bestaan er vele regels, onder meer over handel met voorkennis, maar destijds verliep dat allemaal soepel.' Frère blijkt dus niet alleen rijk te zijn geworden op de kap van de overheid, maar ook dankzij voorkennis die hij ten nadele van de kleine belegger uitbuitte.Het boek van Vanempten is de eerste Nederlandstalige biografie over Albert Frère. De flair van een miljardair is geen klassieke biografie die een levensverhaal vertelt, maar besteedt vooral aandacht aan de manier waarop Frère zijn imperium heeft uitgebouwd. Het boek gaat uitgebreid in op de overname in 1982 van de holding GBL, die Frère uitbouwde tot de belangrijkste holding van het land, na de Generale Maatschappij. In 1989 zou GBL de grootste aandeelhouder worden van oliegroep Petrofina, toen de grootste onderneming van het land en meteen de belangrijkste overwinning voor Frère. Daarna zou Frère ook nog de controle verwerven over de bank BBL, energiebedrijf Tractebel, verzekeraar Royal Belge en de Luxemburgse mediagroep RTL.Uit het boek van Vanempten blijkt dat Frère als handelaar - eerst in staal, daarna in aandelen en bedrijven - zijn hele leven een opportunist is geweest. Zijn devies was simpel: 'Goedkoop kopen om duur te verkopen'. Frère zelf daarover: 'Het is veel makkelijker om te kopen dan om te verkopen, maar het is als je koopt dat je toekomstige winst of verlies wordt bepaald.' Frère ziet opportuniteiten lang voor de anderen, zeggen vrienden: 'Frère ziet een konijn uit zijn pijp komen nog voor het beest beweegt.'Volgens Frère ligt de sleutel van ieder succes in 'werken, werken, werken'. Toch zijn er nog andere factoren die zijn steile opgang verklaren. Een eerste factor is de geslepen manier waarop hij zijn imperium financieel in elkaar zette met de zogenaamde cascademethode: een 'waterval' van holdings, waarin telkens een andere partij mee investeert. Zo kon Frère met een minimum aan middelen maximale invloed uitoefenen bij de bedrijven die de holding onderaan in de cascade overnam.Frère kon ook rekenen op een aantal bondgenootschappen, een tweede pijler van zijn succes. Hij trok jarenlang op met Paribas, maar wellicht nog belangrijker was Frères alliantie met de Canadese ondernemersfamilie Desmarais. Waar Albert Frère kwam, kwam Paul Desmarais - en omgekeerd. De twee families hebben afgesproken dat ze zeker tot 2029 samen zaken blijven doen. En het principe dat hen bindt, is doodsimpel: 'Om een deal te sluiten moeten beide akkoord gaan, maar één volstaat om het af te schieten.'Een derde pijler van Frères succes is zijn uitgebreide netwerk. Vooral zijn mandaat als regent bij de Nationale Bank van België (NBB) was daarbij belangrijk. In de Regentenraad zitten vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties, samen met de gouverneur en de directieleden van de NBB. De raad vormt dus een uitgelezen kransje van mensen uit de sociaal-economische wereld, waar cruciale informatie over de economie wordt uitgewisseld. Albert Frère was zeer gehecht aan dat mandaat. In het boek van Vanempten staat daarover een opmerkelijke passage. Toen Frère in 1995 zijn mandaat wegens het bereiken van de leeftijdsgrens moest neerleggen, drong hij erop aan dat zijn zoon hem zou opvolgen: 'Voor mijn vader was het mandaat in de NBB een familieaangelegenheid', zo wordt Gérald Frère geciteerd. 'Hij vond dat ik recht had op dat zitje als hij met pensioen ging. Toen hij dat eens hardop zei bij de Nationale Bank, leverde dat de nodige hilariteit op. Men maakte hem toen duidelijk dat het benoemingsmechanisme zo niet werkt.'Uiteindelijk werd Gérald Frère in 1998 wel regent bij de NBB, op voordracht van de minister van Financiën - dat kan een vorm van nepotisme worden genoemd.Frère kende, zoals eerder gemeld, ook zijn weg in de politieke wereld. Zeker in de periode dat de herstructurering van de staalsector op de regeringstafel lag, maar ook daarna is de overheid vaak vrijgevig geweest voor de Waalse ondernemer. Vier jaar geleden onthulde Knack nog dat de Belgische overheid in 2010 een buitengewoon gunstige ruling had afgesloten voor Total België - het vroegere Petrofina, waarvan Albert Frère de belangrijkste aandeelhouder was: dat bleek zijn ruwe olie aan te kopen op de Bermuda-eilanden, een notoir belastingparadijs waar geen druppel olie wordt opgepompt. De regeling met de fiscus kostte de Belgische schatkist enkele miljarden euro's.Vanempten besteedt geen aandacht aan de Total-affaire, maar laat Frère wel verklaren: 'In Vlaanderen en in België gaan zakenlui graag om met politici. Maar meer dan een gezellige babbel met een goede maaltijd en een goede fles wijn is het niet, hoor. Zelf aarzel ik om met de politieke wereld om te gaan. Ik ontmoet politici, ik praat met hen, ik heb zelfs politieke vrienden. Maar het is tegen mijn principes om hen om gunsten te vragen.' Het ontlokt bij Vanempten de laconieke commentaar dat we toch mogen aannemen 'dat bij een goed glas wijn ook wel over zaken gepraat zal worden'.Tot diep in de jaren tachtig domineerden holdings als GBL het Belgische economische weefsel. Toen Europa evolueerde naar een eengemaakte markt, moesten bedrijven internationaler gaan denken. Dat had Frère snel begrepen. Hij zag twee opties: zijn eigen dochterbedrijven internationaler en groter maken, of ze verkopen aan een internationale onderneming. Frère koos voor de tweede optie en in ruil voor de verkoop verwierf hij bijna steeds een participatie in de grote internationale speler. Zo verkocht hij Petrofina aan Total, Royal Belge aan Axa, BBL aan ING, Tractebel aan Suez en RTL aan Bertelsmann. Niet voor niets wordt Frère 'de uitverkoper van België' genoemd, maar van die kritiek trekt hij zich niets aan: 'Het gaat niet om verkopen, maar om associaties, fusies om kampioenen te vormen.' Meer woorden wil hij er niet aan vuil maken: 'Vergeef me mijn onbeschaamdheid, maar de honden blaffen en de karavaan trekt voorbij.'Opvallend is dat Frère bijna steeds voor een Franse overnemer koos. Volgens sommigen was Brussel te klein voor Frère en wou hij meetellen in Parijs. 'Daarom investeerde hij de opbrengst van de verkopen vooral in Franse groepen, en kocht hij er een plek mee in hun bestuurskamers: bij Total, GDF Suez en andere', schreef Stefaan Michielsen, samen met Beatrice Delvaux auteur van een boek over de Belgische haute finance waarin Frère natuurlijk aan bod komt. 'Hij speelde er niet de eerste viool, maar hij mocht wel aanschuiven aan het jaarlijkse diner van de Franse president voor het kruim van de Franse bedrijfswereld.' Frère heeft ondertussen optrekjes in Parijs, in het skioord Courchevel en in Saint-Tropez. En om er helemaal bij te horen, kocht hij het prestigieuze wijndomein Cheval Blanc.Toen Albert Frère in 1991 benoemd werd tot Commandeur in de Orde van Leopold kreeg hij het ereteken overhandigd door toenmalig vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes, een bekende sinds het staaldossier. Claes verklaarde: 'Als België een twaalftal mensen met de allure van Albert Frère zou tellen, zou de verankering van al onze strategische sectoren verzekerd zijn'. Bij die uitspraak ging toen al menige wenkbrauw omhoog.Lang aasde Albert Frère ook op een adellijke titel. Hij stond op de lijst van kandidaten, maar koning Boudewijn volgde het advies van de Consultatieve Commissie niet. Het heet dat Boudewijn maar weinig sympathie kon opbrengen voor de manier waarop Frère zijn rijkdom had opgebouwd en voor zijn sterke bindingen met Franse financiële groepen. Na de plotse dood van Boudewijn in 1993 ging het echter snel: een jaar later was Albert Frère baron. En in 2008 ontving hij van de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy het Grand-croix de la Légion d'honneur, de grootste burgerlijke onderscheiding die in Frankrijk wordt uitgereikt.De voorbije jaren heeft Albert Frère plaatsgemaakt voor zijn zoon Gérald en zijn dochter Ségolène. Gérald Frère had echter weinig ambitie om in de voetsporen van zijn vader te treden. Hij houdt zich liever bezig met de jacht en het beheer van zijn boerderij met honderd hectare tarwe, maïs en bieten. De man van zijn halfzus Ségolène, Ian Gallienne, heeft nu meer de touwtjes in handen.Albert Frère heeft de absolute top in de financieel-economische wereld bereikt, zoals de opname in de Forbes-lijst van rijkste mensen ter wereld illustreert. Maar wat heeft hij de Belgische economie uiteindelijk bijgebracht? Van het geld dat hij ontving bij de verkoop van de Belgische sterbedrijven is maar weinig opnieuw in ons land geïnvesteerd. Zakenkrant De Tijd kwam onlangs tot de conclusie dat 'Frère voor onze economie meer waarde heeft vernietigd dan gecreëerd'.De krant becijferde ook hoe groot het voordeel was voor de beleggers die met Frère hebben meegelift. Wie twintig jaar geleden 100 euro in GBL belegde, heeft nu 555 euro. Wie in diezelfde periode 100 euro stak in een korfje Bel20-aandelen, haalt 526 euro. Maar wie twintig jaar geleden bijvoorbeeld 100 euro in de holding Ackermans & van Haaren investeerde, heeft vandaag 1.600 euro. Ook voor beleggers die hem trouw bleven, was Frère dus niet de beste keuze. Albert Frère heeft altijd maar één doel gediend: zijn eigen portemonnee.