Een oude man met ronde bril rookt een sigaret in zijn atelier, en daarna nog één, en daarna nog één. Je ziet hem in profiel, in close-up en met een gelukzalige grijns om de lippen, terwijl op de achtergrond een filmprojector hypnotiserend ronkt en de stofdraden van 16 millimeterbeelden over zijn rimpelige gezicht walsen. Het is niet zomaar een oude man, maar de befaamde, Britse popartgoeroe David Hockney. Het is niet zomaar een filmfragment, maar een werk 'in loop' van de stilaan even befaamde, Britse kunstenares Tacita Dean. 'Vroeger mocht je geen homo zijn maar overal roken. Nu mag je homo zijn maar nergens meer roken. Het is altijd wat' moppert Hockney, die altijd al een kettingroker én openlijk gay is geweest. 'Alle dingen die me aantrekken, staan op het punt om te verdwijnen', verzucht Dean, die een fetisj heeft voor analoge film, voor natuurlijke processen, organismen en objecten, en voor de manier waarop de tijd daar onherroepelijk zijn signatuur op zet.
...

Een oude man met ronde bril rookt een sigaret in zijn atelier, en daarna nog één, en daarna nog één. Je ziet hem in profiel, in close-up en met een gelukzalige grijns om de lippen, terwijl op de achtergrond een filmprojector hypnotiserend ronkt en de stofdraden van 16 millimeterbeelden over zijn rimpelige gezicht walsen. Het is niet zomaar een oude man, maar de befaamde, Britse popartgoeroe David Hockney. Het is niet zomaar een filmfragment, maar een werk 'in loop' van de stilaan even befaamde, Britse kunstenares Tacita Dean. 'Vroeger mocht je geen homo zijn maar overal roken. Nu mag je homo zijn maar nergens meer roken. Het is altijd wat' moppert Hockney, die altijd al een kettingroker én openlijk gay is geweest. 'Alle dingen die me aantrekken, staan op het punt om te verdwijnen', verzucht Dean, die een fetisj heeft voor analoge film, voor natuurlijke processen, organismen en objecten, en voor de manier waarop de tijd daar onherroepelijk zijn signatuur op zet. Kunsthistoricus Simon Schama noemt Tacita Dean alvast onomwonden 'een van de grootste kunstenaars van deze tijd'. Germaine Greer is ook al jaren fan, en Deans toonaangevende status - ze passeerde al in zowat alle grote musea ter wereld - kan anno 2018 alleen maar groeien. Met drie tentoonstellingen tegelijk - ongezien! - palmt de 53-jarige filmkunstenares de komende weken en maanden namelijk evenveel vermaarde Londense instituten in. Voor de tentoonstelling over het landschap in de Royal Academy of Arts is het nog wachten tot begin mei, maar in respectievelijk de National Gallery en de National Portrait Gallery schakelen stillevens en portretten moeiteloos tussen oud en nieuw, stilstand en beweging, dood en leven. Een gele peer die fermenteert in een glas, en langzaam tot schnaps muteert in een bad van weelderig licht. Een vogel die stil en onbewogen op een elektriciteitsdraad zit, tot hij plots een worm ziet en naar beneden duikt. In alle tentoongestelde films tracht Dean - die samen met Damien Hirst en Tracey Emin tot de 'Young British Artists' gerekend wordt, hoewel ze altijd stukken subtieler en minder sensatiegeil was - zuurstof te geven aan het moment voor het uitdooft, wegrot of definitief zonder adem valt. Haar geheime ingrediënt: een gezapig tempo. Bij alle grote cineasten - van Alain Resnais over Chantal Akerman tot Apichatpong Weerasethakul - is de zoektocht naar de juiste ademhaling van hun film het hoogste goed: de duur, het ritme, de cadans. Hoe laat je het leven versnellen, vertragen, stamelen, stokken, stilvallen en opnieuw in beweging komen? Anders dan schilderkunst, sculptuur en fotografie beweegt film zich doorheen de tijd. Het maakte van film hét medium van de twintigste eeuw, de kunstvorm die de beeldende kunsten herkalibreerde en de weg bereidde voor de flikkerende computerschermen van vandaag. De rustig ademende, tactiele films van Tacita Dean bieden een antwoord op de continu in tijdsnood verkerende, digitale beeldcultuur, als eenentwingste-eeuwse, op pellicule gebrande memento mori. Om de tijd te voelen verstrijken, moet je met je neus op de filmdraden zitten, wennen aan de duisternis, je weg zoeken tussen andere toeschouwers die hun schaduw op het scherm werpen terwijl ze voor de ronkende filmprojector heen en weer bewegen. Enkel door in dezelfde fysieke ruimte te vertoeven als de film, word je gevoelig voor de rafelige filmhuid, en zodoende ook voor de handen van Dean zelf, die met haar old school camera de kleinste details registreert en de beelden op ambachtelijke wijze knipt en plakt. Misschien daarom ook dat de National Portrait Gallery naast een reeks foto's ook haar filmportretten toont, de allereerste bewegende beelden die binnen de muren van het museum te zien zijn trouwens. Omdat Dean blijft stilstaan bij de groeven in een gezicht, omdat ze eigenlijk schilderkunst studeerde, omdat ze een composiet filmbeeld ter grootte van een smartphone de uitstraling geeft van een middeleeuwse miniatuurschildering. Deans historische bewustzijn en de vele artistieke referenties zitten nooit in de weg van een eigentijdse ervaring. Vandaag is de hunkering naar verheven gevoelens en sublieme ervaringen groter dan de hang naar wetenschappelijke kennis en historische correctheid. Meer dan wie ook weet Dean dat grote ervaringen je bij klaarlichte dag in je eigen keuken, tuin of atelier kunnen overvallen. Ontroerd toont ze hoe Michael Hamburger - de intussen overleden dichter en meestervertaler van onder meer Sebald, Hölderlin en Celan - de appels uit zijn tuin betast, en tegelijk lyrisch en bedachtzaam vertelt welke hij de lekkerste vindt. Hij zegt niets over wat het betekent om in de jaren dertig als Jood te moeten vluchten uit Duitsland, maar toch voel je het gewicht van zijn levensgeschiedenis drukken op het tafereel: 'Dit was een Duitse appel en nu is het een Britse appel', laat hij zich offscreen ontvallen. En over appels gesproken. Die vallen in het geval van Dean - met haar passionele voorliefde voor film - effectief niet ver van de boom. Ze is immers de kleindochter van Basil Dean, oprichter van de Ealing Studio's, de legendarische Britse filmfabriek waaruit in de jaren veertig en vijftig onverwoestbare klassiekers als Kind Hearts and Coronets en The Ladykillers kwamen gerold. Op pellicule uiteraard. Geen wonder dus dat ook Tacita Dean zweert bij analoge film- en fotografieprocessen. Ze hield ooit in haar eentje een protestactie tegen de sluiting van het laatste analoge filmlab in Londen. Ze verloor die strijd, maar daarom nog niet de oorlog. Berlijn is sinds de millenniumwissel dan wel haar thuishaven, ze brengt ook veel tijd in Los Angeles door. Uitgerekend in Hollywood - bolwerk van de populaire, consumptiegerichte beeldcultuur - vond ze gelijkgezinden die beseffen dat de indringende tactiliteit van analoge films, anders dan digitale vlakheid, elk tafereel een waarde en gewicht geven die duurzaam zijn en de toeschouwer bij het nekvel grijpen. Een van die medestanders in haar strijd voor analoge cinema is haar goeie vriend en collega-filmmaker Christopher Nolan. Jawel, de regisseur van blockbusters als de Dark Knight-trilogie, Inception en recent nog de WO II-thriller Dunkirk waarin de kogels je om de oren fluiten en de golven je in het gezicht slaan. Ook Nolan zet je met voeten, ogen en oren in de modder van de geschiedenis. Ook hij toont eerder dan dat hij vertelt. Wat Dean uiteindelijk wil tonen in Londen is geen overzicht van haar eigen foto's en films, maar van alles wat haar fascineert. In de National Gallery zie je niet alleen haar in de muur ingewerkte kortfilms met peer en vogel, ze laat je ook mediteren over de hoed van Philip Guston, over een foto met champignondoosjes van Wolfgang Tillmans, of over een zilveren beker van Francisco de Zurbaran, gelijkgestemde werken die haar memento mori flankeren. In de National Portrait Gallery worden dan weer ouder wordende kunstenaars als Cy Twombly, Claes Oldenburg en Mario Merz geportretteerd, maar kijk je ook mee over de schouder van Julie Mehretu, terwijl ze een gigantisch muurwerk aan het schilderen is. Dat Dean daarbij vaak stilstaat bij trage gestes en bescheiden gebaren houdt overigens ook verband met haar eigen fysieke paraatheid. Een hand geven kost haar moeite, elke stap doet pijn. Het is een gevolg van de artritis die haar al jaren parten speelt en tot langzaam bewegen dwingt. Sowieso meent Dean dat elke kunstenaar terug bij de condities van het eigen leven uitkomt. Of zoals ze zelf zegt: 'Alles kleurt onvermijdelijk autobiografisch, want je kunt aan alles ontsnappen behalve aan jezelf.' Alleen al haar excentrieke naam, die letterlijk stilte betekent, speelt Tacita parten. Al kwam ze nog goed weg in vergelijking met haar zus Antigone en haar broer Ptolemy. De naam van haar zus bracht Tacita ertoe om Sophocles en Shakespeare te bestuderen, terwijl haar eigen naam haar misschien wel op het spoor zette van avant-gardecomponist John Cage, grootmeester van de stilte. Het pièce de resistance van de tentoonstelling in de National Portrait Gallery is namelijk het filmportret van John Cages levensgezel Merce Cunningham. In een opstelling met vijf schermen in één ruimte zien we de beroemde choreograaf op een stoel zitten voor een grote wandspiegel, in het midden van een lege, New Yorkse dansstudio. Naast hem staat studiobaas Trevor Carlson met een timer, afklokkend op 4'33", de tijd van de gelijknamige beroemde compositie van John Cage. Doorheen de drie bewegingen van het stuk tracht Cunningham niet met de ogen te knipperen en drie poses vast te houden. Net zoals John Cage wilde aantonen, is dit stille stuk zonder instrumenten allesbehalve stil. We horen ratelende projectoren, het geschuifel en gemompel van bezoekers, de straatgeluiden uit New York terwijl de seconden wegtikken. Tijd is dan ook wat Tacita Dean doet tikken. Ze wil de tijd vertragen, omdat ze het gevoel heeft dat die sneller gaat met ouder worden. Het is een cliché dat raakt aan het oeroude verlangen om de tijd de baas te zijn, een verlangen dat prangender is dan ooit nu meer tijd voor jezelf een kostbaarder goed lijkt dan meer geld op je bankrekening. Op Tacitaanse wijze films maken, mag je vanaf nu dan ook gerust als volgt definiëren: in de film gaan hangen tot je een moment hebt weten te stelen, het hebt losgewrikt tussen de tanden des tijds, en beseft dat dit kleine moment iets groots verbergt.