De jaarlijkse presentatie van de culturele ambassadeurs is zo'n moment waarop Vlaanderen fraai uit de hoek komt. Vergeet dan even de warrige discussie die rond die ambassadeurschappen wordt geweven en de politieke ondertoon die er altijd bij aanwezig is. Dat ze eigenlijk verondersteld worden om het Vlaamse imago in de wereld uit te dragen. Ze grijpen gewoon de kans die hen geboden wordt om meer van hun ding te doen - als dat niet volstaat, waarom worden ze dan uitgekozen om ambassadeurs te zijn?
...

De jaarlijkse presentatie van de culturele ambassadeurs is zo'n moment waarop Vlaanderen fraai uit de hoek komt. Vergeet dan even de warrige discussie die rond die ambassadeurschappen wordt geweven en de politieke ondertoon die er altijd bij aanwezig is. Dat ze eigenlijk verondersteld worden om het Vlaamse imago in de wereld uit te dragen. Ze grijpen gewoon de kans die hen geboden wordt om meer van hun ding te doen - als dat niet volstaat, waarom worden ze dan uitgekozen om ambassadeurs te zijn? Er meldt zich op die voorstelling bij een trotse minister-president altijd een verzameling kunstenaars present die zich net zo goed thuis voelt in New York als in Antwerpen, in Londen en Berlijn als in Brussel en Gent. Daar toont zich een kosmopolitisch Vlaanderen, met dat eigen karakter van een volk dat leeft op de grens van twee culturen die het allebei meedraagt. Bourgondisch en nijver. Ernstig maar met oog voor de kunst van het leven. Zelfbewust maar niet zelfingenomen. Wie even nadenkt, kan net zo'n lijst opstellen met academici naar wie wordt geluisterd of met verstandige ondernemers die meespelen waar het er om gaat. Dure Amerikaanse magazines besteden tegenwoordig veel aandacht aan ons bizarre land. Mosselen met friet, ja. En bier. Maar tegelijk ook veel meer. De internationale uitstraling die Walter van Beirendonck, Wim Delvoye, Jos van Immerseel en Jan Caeyers genieten, om maar die te noemen, staat geheel in contrast met de Vlaamse regionale indicatoren, die dezelfde Luc Van den Brande twee dagen eerder voorstelde. De Vlaamse regionale indicatoren, kortweg Vrind '98, is een dure naam voor een studie die elk jaar peilt naar de ontwikkeling van wie we zijn en hoe we ons voelen. Blijkt onder meer dat de Vlamingen grosso modo vinden dat vreemdelingen profiteurs zijn, die bij ons niet aan politiek moeten doen en die bovendien allemaal weg moeten als er voor hen geen werk is. De blote enquêtecijfers roepen een sfeer op waarmee rekening moet worden gehouden, maar die ook in perspectief moet worden geplaatst. De suggestie is in ieder geval duidelijk: als ze al niet bestaat, groeit er in de samenleving een conflict dat om een antwoord vraagt. Het heeft weinig zin om te proberen door middel van de naam van een aantal succesvolle kunstenaars een zeker beeld van ons land op te hangen, als die de exponent zouden zijn van een bekrompen, bange mentaliteit. Want die Vrind-cijfers, die doen ook de ronde.Een mooi beeld voor wat er loos is, geeft de onvrede onder de buschauffeurs van het Brusselse openbaar vervoer. Die weigerden vorige week uit te rijden omdat hun maatschappij, naar hun gevoel, hun veiligheid in bepaalde wijken van de stad onvoldoende garandeert. Er is, blijkens hun klacht, zelfs nauwelijks begrip voor dat ze zo vaak worden beroofd, geslagen, bespuwd en beledigd. De verantwoordelijke Brusselse minister toonde hun gelijk aan, door bij een conclaaf over het onderwerp alleen voorstellen te formuleren die niets terzake deden. Toen ze samentroepten in hun stelplaats, bleek dat een goed deel van de chauffeurs mensen zijn van niet-Belgische origine. Zoals een van hen in een krant zei: als ze je te grazen willen nemen, maakt het niet uit wie je bent of hoe je eruitziet. Dat geeft ten minste dit aan: dat het fenomeen zich niet alleen in zwart en wit laat verklaren. Hoeveel studies hebben al niet aangetoond dat migranten proportioneel niet meer genieten van de sociale zekerheid dan de doorsnee Belg? Een irrationeel gevoel van angst en dreiging laat zich niet met rationele argumenten bestrijden. In plaats van met ze te praten, dagen mensen hun buren voor de rechtbank. Agressie in het verkeer komt iedereen vreemd voor, tot wanneer je ermee te maken krijgt. De overheid beseft eindelijk stilaan dat ze, onder welke vorm dan ook, aanwezig moet zijn om elke dag te laten zien dat ze begaan is met wat er in een straat, in een wijk gebeurt. Ook al wil dat zeggen dat er dwang moet worden gebruikt. Anderzijds moet er van mensen, die soms al decennia onder ons wonen, worden gevraagd dat ze ten minste op de hoogte zijn van onze zeden en gebruiken. Dat ze, als ze hier blijven, bijvoorbeeld onze taal kennen. Zoals liefde moet ook de wil tot integratie van twee kanten komen.Hubert van Humbeeck