Al vier jaar lang verdient Luc Tack als ceo van weefmachinefabrikant Picanol nul euro. Nul. Zelfs de vergoeding voor zijn autoverplaatsingen liet hij vallen. Opmerkelijk, in een tijd dat toplui van andere beursgenoteerde bedrijven met al vlug enkele honderdduizenden euro's per jaar naar huis stappen. 'Ik vind dat ik niet anders kon', vertelt Tack. Vijf jaar geleden was Picanol zo goed als failliet. Niemand zag nog enige toekomst in het eens zo mooie industriële bedrijf uit Ieper. Niemand, behalve één man: Luc Tack, tegendraads zoals wel vaker.
...

Al vier jaar lang verdient Luc Tack als ceo van weefmachinefabrikant Picanol nul euro. Nul. Zelfs de vergoeding voor zijn autoverplaatsingen liet hij vallen. Opmerkelijk, in een tijd dat toplui van andere beursgenoteerde bedrijven met al vlug enkele honderdduizenden euro's per jaar naar huis stappen. 'Ik vind dat ik niet anders kon', vertelt Tack. Vijf jaar geleden was Picanol zo goed als failliet. Niemand zag nog enige toekomst in het eens zo mooie industriële bedrijf uit Ieper. Niemand, behalve één man: Luc Tack, tegendraads zoals wel vaker. In 2009 nam hij Picanol over, het boekte dat jaar 23,5 miljoen euro verlies. Sindsdien ging het elk jaar beter. Vorig jaar werd 55 miljoen euro winst behaald en nu is Picanol goed op weg om het beste jaar ooit te realiseren. Bovendien kon het net de overname van Tessenderlo Chemie afronden. Ook al vreemd, want wie geeft nog een cent voor de toekomst van industriële bedrijven in onze contreien? Worden die niet het land uitgejaagd door de hoge loonkosten? En door de belastingdruk? Allemaal vragen voor Luc Tack, die jarenlang onder de radar bleef, maar nu genomineerd is als Manager van het Jaar bij zusterblad Trends. 'Echt, ik ben geen voorstander van die personencultus. We werken hier allemaal iedere dag hard. We staan vroeg op, gaan laat slapen en vliegen de wereld rond. We hebben hier niet de mentaliteit om bezig te zijn met onszelf. We timmeren aan de weg en er is nog veel werk te doen.' Maar waarom doet Tack bij Picanol dat vele werk allemaal gratis en voor niets? 'Toen ik hier het roer overnam, stond Picanol aan de rand van de afgrond. Om het bedrijf een overlevingskans te bieden, moest ik bijna driehonderd mensen ontslaan. En ik besef dat achter iedere ontslagen medewerker een gezin staat. Dan weegt zo'n beslissing mentaal zeer zwaar. Mijn vader had een vlasfabriek en die is tijdens de vlascrisis ten onder gegaan. Toen heb ik als jong ventje gezien wat de gevolgen zijn voor een gezin. Dat was geen leuke tijd. Daarom heb ik bij mijn aantreden hiergezegd dat ik geen euro loon wou ontvangen zolang de verliezen uit het verleden niet waren weggewerkt. Vier jaar geleden was er 55 miljoen euro schuld opgestapeld, tegen eind dit jaar zullen we daarvan verlost zijn.' Luc Tack: In alle eerlijkheid: we hebben er nog niet over gesproken, noch in de raad van bestuur, noch in het remuneratiecomité. Voor mij is dat ook geen doel. Ik wil er vooral voor zorgen dat het goed gaat met Picanol. Tack: Mijn vader zei altijd: 'Kijk in uw eigen bord.' Ik doe geen uitspraken over het loon van andere managers, maar redelijkheid lijkt mij altijd een belangrijke leidraad. Tack: Het is in ieder geval heel veel geld en daarbij mag nooit uit het oog worden verloren dat één man het nooit alleen kan. Ook bij Picanol zijn de resultaten niet het werk van één man, maar van iedereen die hier werkt. Tack: Klopt, maar toen ik in Picanol stapte, was het bedrijf op sterven na dood. Herinner u dat onze economie in 2009 in een diepe crisis zat en dat bepaalde bedrijven toen overheidshulp kregen om te kunnen overleven. Ja, inderdaad, de banken konden genieten van staatssteun, en wij hebben als industrieel bedrijf alles in ons eentje moeten klaren. Dat had ook zijn voordelen: we konden onze strategie helemaal zelf bepalen, zijn aan niemand schatplichtig en kunnen nu zelf de vruchten plukken. Tack: We hebben de focus gelegd op wat we echt goed kunnen, met als slogan: waarin we goed zijn, moeten we nog beter worden. We hebben dus een aantal activiteiten afgestoten, zoals de ontwikkeling van elektrische auto's. We concentreren ons nu op twee afdelingen: die van de weefmachines en die van metalen en elektronische onderdelen die we voor onze weefmachines gebruiken maar ook aan derden verkopen. Zo maken we bijvoorbeeld ook drukketels voor Atlas Copco. Onze weefmachines leveren we over heel de wereld en daarbij ondervinden we sterke Japanse concurrentie. Het is eigenlijk eenvoudig: onze klanten moeten meer winst kunnen maken met onze weefmachines dan met die van de concurrentie. Dat hangt niet alleen af van de prijs van zo'n weefmachine, waar onze concurrenten vooral op spelen. Onze weefmachines zijn een rendabelere aankoop dankzij onze technologie: ze kunnen met de hoogste snelheid en het laagste energieverbruik de allerbeste kwaliteit textiel afleveren, zeven dagen op zeven, 24 uur per dag. Om dat te bereiken heb je kennis nodig en personeel dat ervoor wil gaan. Tack: Ik ga eerlijk zijn: er werken hier veel betere managers dan ik. We hebben heel veel knappe koppen in huis en die krijgen de ruimte om mee te denken. Ik geloof heel erg in de Franse uitdrukking 'du choc des idées jaillit la lumière': de botsing van ideeën levert nieuwe inzichten op. Bij Picanol hebben we heel open discussies over de strategie. Ik zorg alleen dat de grote lijn wordt aangehouden, want je kunt niet elke dag van strategie veranderen. Tack: Ik heb dat met de paplepel meegekregen. Mijn vader had dus eerst een vlasfabriek. Daarna is hij begonnen met een carwash en een benzinestation. Later zijn we ook tanks gaan reinigen en dat doen we nog altijd met Truck & Tank Cleaning Tack. Ik wou zelf ook graag ondernemen, al van toen ik jong was. Vroeger moest je 21 jaar zijn om een handelsregister aan te vragen, maar zo lang kon ik niet wachten. Ik ben naar de jeugdrechtbank in Kortrijk getrokken en die heeft me op mijn achttiende meerderjarig verklaard. Ik ben toen gestart met houtimport vanuit Amerika, want in die tijd had je veel meubelbedrijven en er was een tekort aan eikenhout. Later heb ik Oostrowood opgericht, een bedrijf dat houten vloeren vervaardigt. En via mijn huwelijk met de dochter van textielbaron Roger Clarysse verzeilde ik in de textielindustrie. Ik bezit ook garenleverancier Oostrotex, stoffenproducenten Ter Molst en Symphony Mills en matrassenfabrikant Artilat. Tack: Ik was klant van Picanol, mijn schoonvader was dat zelfs al sinds 1974. Ik kende het bedrijf dus al lang en geloofde dat het nog toekomst had. In mijn ogen zijn er twee zaken van essentieel belang om als Vlaams industrieel bedrijf vandaag succes te hebben: ten eerste moet je hoogtechnologische producten afleveren, want zo kun je de buitenlandse concurrentie kloppen. En ten tweede moet je wereldmarktleider zijn, anders onderga je het spel. En aan die twee voorwaarden voldeed Picanol. Weet je dat de stof van een op de drie jeansbroeken in de wereld vandaag op een weefmachine van Picanol wordt gemaakt? Tack: De komende tien jaar zullen vijfhonderd miljoen mensen wereldwijd uit de armoede opklimmen naar de middenklasse en daarbij neemt het textielverbruik enorm toe: die mensen willen kleding, gordijnen, bedlinnen, enzovoorts. Toch zal dat voor Picanol gepaard gaan met ups en downs. We zijn een cyclisch bedrijf: je kunt in een bepaalde regio een tijdje veel weefmachines verkopen tot de markt er verzadigd is. Die machines gaan jaren mee en het gevolg is dat je dan te maken krijgt met enkele magere jaren. Ik wou de toekomst van Picanol verzekeren en ben daarom op zoek gegaan naar een overname die ons meer stabiliteit zou opleveren. Ik zocht een bedrijf uit de basisindustrie dat wereldwijd actief was, met een beslissingscentrum in België. En dat werd Tessenderlo Chemie: het maakt allerlei chemische producten die verwerkt worden in plastic pijpen en raamprofielen, gelatines, geneesmiddelen en meststoffen. Picanol haalt het grootste deel van zijn inkomsten uit Azië en de opkomende markten, Tessenderlo Chemie uit Europa en de VS. Dus als het in de ene sector of regio wat slechter gaat, wordt dat hopelijk opgevangen door de andere. Picanol had het in 2009 erg moeilijk, Tessenderlo Chemie presteerde toen goed. Bovendien is Tessenderlo Chemie net als Picanol een Belgisch bedrijf met een internationaal karakter, dat we met onze investering kunnen verankeren in Vlaanderen. Tack: Anders is het risico veel te groot dat die vestiging vroeg of laat gesloten wordt, met alle sociale drama's die dat meebrengt. Het is altijd al zo geweest: men sluit liever een fabriek ver weg in een ander land, dan een dicht bij het hoofdkantoor. Ik vind het dus cruciaal dat bedrijven in Vlaanderen verankerd zijn: ze moeten lokale aandeelhouders hebben, een lokaal management en het beslissingscentrum moet ook in Vlaanderen liggen. Dat is belangrijk voor het land, anders dreig je afhankelijk te worden van buitenlandse beslissingen en word je een vazalstaat. Tack: Hoe creëer je anders welvaart? Vroeger voer je de zee op, haalde je vis uit het water en verkocht je die. Of je zaaide iets op het land en verkocht de opbrengst. Maar nu moet het creëren van welvaart vooral komen van de maakindustrie: met grondstoffen vervaardig je nieuwe producten die je aan de man brengt. Volgens mij lukt die welvaartcreatie minder met het verlenen van diensten: als ik een dienst voor jou doe, bijvoorbeeld de ramen lap of een pakje bezorg, hebben we niet veel waarde gecreëerd. Bovendien bestaan veel diensten ook maar bij de gratie van de industrie. Neem Picanol in Ieper: hier werken nu 1350 mensen, maar we zorgen onrechtstreeks voor nog eens 500 jobs, waarvan heel wat in de dienstensector. Om welvaart te creëren is de maakindustrie vandaag dus cruciaal. Tack: Dat hangt af van sector tot sector, maar bij Picanol maken de loonkosten zeker een groot deel uit van de kostprijs van het product. Een concreet voorbeeld: een stuk dat uit onze gieterij komt, moet worden ontbraamd en beschilderd. Het bleek goedkoper om ze op een vrachtwagen te laden, er mee naar Duitsland te rijden, daar te laten ontbramen en schilderen, om ze dan terug naar België te brengen, dan dat we alles hier zouden doen. Als het hier veertig kost, kost het daar dertig. En met dezelfde technieken en hetzelfde resultaat. Dan moet je weten dat we op weg naar Duitsland met onze vrachtwagens passeren door gebieden waar twintig procent werkloosheid heerst. Dan klopt er toch iets niet? Tack: Een algemene lastenverlaging is financieel niet haalbaar en is ook niet nodig. Je zou wel in de regio's die kampen met een zeer hoge werkloosheid voor bepaalde sectoren een lastenverlaging kunnen doorvoeren. Bijvoorbeeld alleen voor de activiteiten die we aan het buitenland zijn kwijtgespeeld. Dan pleit ik niet voor lagere nettolonen, we mogen onze concurrentiekracht niet verhogen op de kap van de arbeider. De maakindustrie zal sociaal zijn, of ze zal niet zijn. Maar de lasten bovenop het nettoloon moeten verminderen. Tack: Er wordt weleens beweerd dat de bedrijven geen belastingen betalen. Ik heb dat eens berekend voor Picanol. Vorig jaar droeg de Ieperse vestiging vijftig miljoen euro bij aan de schatkist. Dat is 45 procent van de toegevoegde waarde die we creëerden. Maar we betalen graag belastingen, want dat is een bewijs dat we winst maken en goed bezig zijn. Tack: Ik reis de wereld rond en telkens als ik thuis kom denk ik: wat leven we toch in een goed landje. Ik voel me hier veilig, het onderwijs en onze gezondheidszorg zijn goed, enzovoorts. Als je veel in het buitenland verblijft, kun je onze Belgische problemen echt wel relativeren. Maar we moeten ons welvaartsniveau zien te behouden en daarom mogen we niet blijven stilstaan. We moeten zo veel mogelijk mensen aan een job helpen, mensen die anders niet weten waarom ze uit hun bed zouden komen. Tack: Ik vind niet dat je de werklozen de schuld mag geven dat er geen werk is. De honderden mensen die soms door een bedrijf in één klap worden ontslagen kunnen daar niets aan doen. Dat zijn echt drama's. Daarom moet iedereen samenwerken om voor werk te zorgen: de overheid, vakbonden en werkgevers. Samen moeten we iets opbouwen, in het besef dat het jaren kan duren alvorens het effect heeft. Maar je moet stappen zetten en ik probeer dat alvast te doen bij Picanol en Tessenderlo Chemie. Tack: We moeten geloven dat er nog een toekomst is voor de maakindustrie in België. We hebben in ons land veel talent en harde werkers. Dat moeten we koesteren. De obstakels, zoals de loonkosten, moeten we aanpakken. Ik ben ervan overtuigd dat het ook zal gebeuren, want ik kan me niet indenken dat mensen willen wegzinken in het moeras. De politici hebben er toch alle belang bij om de juiste beslissingen te treffen? Of ben ik nu weer te optimistisch? We zijn dat optimisme aan onszelf verplicht, want als we allemaal pessimistisch zijn, gaan we zeker de dieperik in. DOOR EWALD PIRONET, FOTO'S TOM VERBRUGGEN'Om welvaart te creëren, is de maakindustrie vandaag cruciaal.' 'Het is altijd al zo geweest: men sluit liever een fabriek ver weg in een ander land, dan een dicht bij het hoofdkantoor.' 'We mogen onze concurrentiekracht niet verhogen op de kap van de arbeider.'