Meer dan twintig jaar lang doet dokter V. zijn werk als longspecialist in het Heilig Hart Ziekenhuis van Asse. Hij werkt hard, gemiddeld tachtig uur per week. Na al die jaren in het kleine ziekenhuis moet hij in 2001 wennen aan de fusie met het veel grotere Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis van Aalst. Maar hij past zich aan, associeert zich met Aalst en wordt zelfs tot staflid benoemd.
...

Meer dan twintig jaar lang doet dokter V. zijn werk als longspecialist in het Heilig Hart Ziekenhuis van Asse. Hij werkt hard, gemiddeld tachtig uur per week. Na al die jaren in het kleine ziekenhuis moet hij in 2001 wennen aan de fusie met het veel grotere Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis van Aalst. Maar hij past zich aan, associeert zich met Aalst en wordt zelfs tot staflid benoemd. Begin 2003 verandert alles in amper een week tijd. Dokter V. - de Orde der Geneesheren wil niet dat hij met naam en toenaam getuigt - voert euthanasie uit op een terminale patiënte, een collega klaagt dat aan bij de ziekenhuisdirectie, hij wordt op staande voet ontslagen en het parket begint de zaak te onderzoeken. 28 maanden later heeft het Arbitraal College beslist dat het ontslag om dringende redenen 'onregelmatig' was. Dokter V. krijgt een ontslagvergoeding, een morele schadevergoeding én een vergoeding omdat het ziekenhuis nagelaten heeft de medische raad om advies te vragen. Volgens zijn raadsman Thierry Vansweevelt, hoogleraar Medisch Recht aan de Universiteit Antwerpen, is zo'n drieledige schadevergoeding een unicum in ons land. Daarmee is dokter V. 's naam nu helemaal gezuiverd, nadat het parket de zaak eerder al had geseponeerd en de federale euthanasiecommissie gunstig advies had gegeven. Maar zijn job heeft hij niet terug, en dat wou hij net zo graag. Laten we de band even terugspoelen. Kort na nieuwjaar 2003 werd op de spoedgevallendienst in Asse een zestigjarige kankerpatiënte binnengebracht. Ze was al drie jaar ziek en wist al maanden dat ze niet meer zou genezen. Ze at niet meer, woog amper nog dertig kilo, en had een grote geïnfecteerde wonde op haar romp. De chemotherapie, die alleen nog palliatief bedoeld was, werd al in de zomer van 2002 stopgezet na consult in drie verschillende ziekenhuizen. Een huisarts had ze niet, maar een paar artsen uit de buurt hielpen haar uit sympathie. Ze woonde alleen, en kreeg veel hulp van haar zus en ook andere familieleden zochten haar vaak op. In januari 2003 kwam de vrouw naar het ziekenhuis omdat ze steeds moeilijker kon ademen. Dokter V.: 'Ik kende haar nog van vroeger uit de jeugdbeweging. Ik schrok toen ik zag hoe erg ze eraan toe was. Iemand die haast niet meer kan ademen omdat haar longen vol kankerweefsel zitten, kun je als arts haast niet helpen. Ik heb lang met haar gepraat, en haar beloofd dat we haar niet door de medische molen zouden draaien. Ik heb haar gezegd dat we ervoor zouden zorgen dat ze zo lang mogelijk kon blijven leven met zo weinig mogelijk pijn. Toch spraken we af de dosis morfine niet te veel op te voeren, omdat ze dan te versuft zou zijn om nog contact met haar familie te hebben. 'Maar ze werd alsmaar zieker, had veel pijn en was erg kortademig. Op een bepaald moment vertelde ze me dat het leven voor haar geen zin meer had. De namiddag voor haar dood zei ze nog eens heel expliciet tegen een verpleegster dat ze wilde sterven, en dat zou ze de uren daarna nog verschillende keren tegen een andere verpleegkundige herhalen. Die hebben dat allebei nauwkeurig in haar dossier genoteerd. De volgende ochtend werd ik naar haar kamer geroepen omdat ze aan het versmachten was. Ze lag in dat bed naar lucht te happen en gaf bloedfluimen op. 'Stop ermee!' riep ze. 'Het moet gedaan zijn.' Ik dreef de dosis morfine op om haar rust te geven, maar dat had amper effect. Uiteindelijk heb ik levensbeëindigend gehandeld, zoals dat heet.' DOKTER V. : Ik ben aan mijn raadplegingen begonnen, maar ik was helemaal van de kaart. Het overlijden van een patiënt is altijd heel ingrijpend, zeker als het op zo'n manier gebeurt. Dat heb ik ook aan de telefoon verteld aan een jongere collega. 'Ik heb mijn patiënte moeten helpen, en ik ben er niet goed van', zei ik. En ik legde hem uit wat ik precies had gedaan. DOKTER V.: Hij reageerde er totaal niet op. Ook de volgende dag, toen we bij elkaar zaten om de patiëntendossiers te bespreken, gaf hij geen kik. Pas achteraf ben ik te weten gekomen dat hij me toen al had aangeklaagd. Ik voelde pas nattigheid toen mijn diensthoofd het dossier van die patiënte kwam opvragen. Ik zou 'een ernstige fout' hebben gemaakt, kreeg ik uiteindelijk te horen. Ik werd bij de directie geroepen, maar mocht er mijn verhaal niet vertellen. 'Wij kunnen daar toch allemaal niet over oordelen, want wij zijn geen artsen', luidde het. Ze wilden alleen maar weten of ik euthanasie had toegepast. Toen ik dat bevestigde, was het antwoord kort: 'Dan weten we genoeg.' Ze gaven me meteen een document voor 'wederzijds akkoord tot ontslag'. Als ik dat ondertekende, zouden ze mijn naam niet bekladden en de zaak niet naar het gerecht doorsturen. Dat heb ik geweigerd. Gelukkig maar, want mijn dossier lág op dat moment al bij het parket. Een dag later werd ik per aangetekende brief ontslagen wegens dringende redenen. Ik zou ernstige fouten hebben gemaakt tegen de euthanasiewet. DOKTER V.: De patiënte had geen document ondertekend waarin ze om euthanasie vroeg, zoals de wet voorschrijft. Maar hoe had ik dat gedaan moeten krijgen van een verlamde vrouw? Bovendien had ik geen tijd te verliezen, want ze zag af en dreigde te stikken. THIERRY VANSWEEVELT: De patiënte gaf te kennen dat ze zo snel mogelijk wilde sterven. Zowel familieleden als verpleegkundigen hebben getuigd dat ze haar dat verschillende keren hoorden zeggen. Wat is dan nog de toegevoegde waarde van een handtekening? Dat die ontbrak, is niet meer dan een procedurefout die gerechtvaardigd wordt door overmacht. Meer gewicht hebben het parket en de Federale Commissie Euthanasie er ook niet aan gegeven. Cruciaal is volgens hen dat de patiënte om euthanasie heeft gevraagd; de manier waarop is van ondergeschikt belang. DOKTER V.: De directie van het O.L.V.-Ziekenhuis in Aalst heeft niet op het oordeel van het parket of de euthanasiecommissie gewacht. Zonder zelfs maar het patiëntendossier in te kijken, hebben ze het recht in eigen handen genomen en me de laan uitgestuurd. DOKTER V.: Ik ben ervan overtuigd dat de meesten het er niet mee eens waren, maar ze durfden niet te protesteren. Zelfs als ze heibel hadden gemaakt, zou de raad van bestuur nooit op die beslissing zijn teruggekomen. Iedereen was verbolgen. Protest van de artsen zou de zaak alleen meer ruchtbaarheid gegeven hebben, en daardoor misschien mijn schadevergoeding opdrijven. En waar denkt u dat het ziekenhuis dat geld gaat halen? De eerbiedwaardige zusters van Aalst zullen er echt geen lap grond voor verkopen. Zo'n schadevergoeding wordt bij de andere artsen gerecupereerd, ook al kregen ze in dit geval geen gelegenheid hun mening te geven. Hoewel dat wettelijk verplicht is als een arts dreigt te worden ontslagen, heeft het ziekenhuis de medische raad (waarin collega-artsen zitting hebben, nvdr) niet om advies gevraagd. De enigen die het op mij gemunt hadden, waren die jonge collega en mijn diensthoofd, nota bene de voorzitter van de ethische commissie. Zij hebben mij een loer gedraaid. DOKTER V.: (zucht) Dat weet ik tot op vandaag niet. Was het gewoon de fundamentalistische opstelling van dat katholieke ziekenhuis? Dat denk ik niet. Wilde mijn diensthoofd me pakken? Wilden ze een voorbeeld stellen om vooral de dokters in het ziekenhuis van Asse koest te houden? Ik heb alleen maar vermoedens. Sinds de fusie zijn trouwens al bijna tien dokters uit Asse vertrokken. Zelf had ik niet het gevoel dat ze met mij persoonlijk wilden afrekenen, want drie maanden voor mijn ontslag was ik nog tot staflid van het fusieziekenhuis benoemd. VANSWEEVELT: Ik denk toch dat de directie het echt moeilijk had met de euthanasie. Toen de patiënte overleed, was de euthanasiewet amper zes maanden van kracht. Sommige ziekenhuizen stonden er nog heel weigerachtig tegenover. VANSWEEVELT: Wij in elk geval niet, want wij hadden geen enkel voordeel bij media-aandacht. Een journalist van De Artsenkrant had door een medewerker van het ziekenhuis lucht van de zaak gekregen, en via die weg heeft het nieuws ook de algemene media bereikt. DOKTER V.: (kwaad) Schokkend vond ik dat! Hoezo een complot? Ik was van de ene dag op de andere mijn werk kwijt. Ik zou wel gek geweest moeten zijn om daaraan mee te werken. VANSWEEVELT: Het is de politiek die deze zaak heeft gebruikt. De euthanasiewet was een van de eerste realisaties van de paars-groene regering. Nadat de abortuswet in 1990 met een wisselmeerderheid was goedgekeurd, hadden de meerderheidspartijen afgesproken dat nieuwe medisch-ethische wetten er alleen konden komen als er binnen de regering een consensus over bestond. Met CD&V in de regering was een euthanasiewet tien jaar lang onmogelijk. Nadat paars-groen was gevormd, en de regering dus geen rekening meer hoefde te houden met de christen-democraten, zag ze haar kans schoon. Dat de meeste katholieke ziekenhuizen aanvankelijk terughoudend op de wet reageerden, was koren op de molen van de nieuwe regeringspartijen. Doordat de zaak van dokter V. net voor de verkiezingen de media haalde, hebben ze in het regeerakkoord een passage opgenomen waarin staat dat artsen die euthanasie uitvoeren in álle ziekenhuizen moeten worden beschermd. Totnogtoe is dat jammer genoeg dode letter gebleven. DOKTER V.: Ik ben een katholiek, en ik wil niet dat deze zaak wordt gebruikt om het verschil tussen katholieke en niet-katholieke ziekenhuizen in de verf te zetten. De meeste artsen gaan even capabel en ethisch met het levenseinde om, in welk ziekenhuis ze ook werken. We stellen allemaal het belang van de patiënt voorop. Maar in de hiërarchische top van zowel katholieke als vrijzinnige instellingen zijn er vaak pressiegroepen aan het werk. Dat zijn extremen die niemand helpen. VANSWEEVELT: Het Verbond der Verzorgingsinstellingen (VVI), dat deel uitmaakt van Caritas Catholica, heeft korte tijd na de goedkeuring van de wet euthanasierichtlijnen uitgevaardigd. Volgens de organisatie gaat de wet veel te ver en legt ze te veel de nadruk op het zelfbeschikkingsrecht. Euthanasie op niet-terminale patiënten verwerpt het VVI, en voor terminale patiënten vraagt het dat in alle katholieke ziekenhuizen een zogenaamde palliatieve filter wordt ingebouwd. Dat betekent dat alle palliatieve mogelijkheden moeten zijn uitgeput en dat er een palliatief team moet worden geconsulteerd voor er sprake kan zijn van euthanasie. DOKTER V.: Wat houdt zo'n palliatieve behandeling in? De familieleden, artsen en verpleegkundigen bieden geestelijke ondersteuning, en er wordt aan pijn- en symptoombestrijding gedaan. Bij mijn patiënte was die palliatie al een jaar aan de gang en op het eind van haar leven hielp het allemaal niet meer. VANSWEEVELT: De behandelende arts moet zijn patiënt in elk geval van de palliatieve mogelijkheden op de hoogte brengen. Natuurlijk heeft hij ook het recht om het advies van zo'n palliatief team te vragen. Maar het moet wel zijn beslissing zijn en niet door de ziekenhuisdirectie worden bevolen, want een ziekenhuis mag zich nooit mengen in de professionele autonomie van een arts. De wetgever heeft de artsen in geval van euthanasie strenge procedures opgelegd om de patiënten te beschermen. Als daar nog een verplichte palliatieve filter bij komt, zal de patiënt in veel gevallen al overleden zijn - nadat hij veel heeft geleden - vóór levensbeëindigend wordt ingegrepen. Palliatieve hardnekkigheid moet even hard worden tegengegaan als impulsieve euthanasieverzoeken. DOKTER V.: Terminale patiënten zeker niet. Vroeger was euthanasie iets wat thuis gebeurde, het was een zaak tussen de patiënt, zijn huisarts en de familie. Zo'n dokter had de vrijheid om naar eer en geweten een beslissing te nemen. Tegenwoordig sterven mensen vaker in een ziekenhuis, waar iedereen alles ziet. Euthanasie kwam daardoor meer aan de oppervlakte, en de wetgever wilde er regels voor vastleggen. Het gevolg is dat artsen veel banger zijn geworden om een patiënt te helpen. Voor niet-terminale patiënten die ondraaglijk lijden is de wet wél een vooruitgang, omdat ook zij om euthanasie kunnen vragen als ze drie artsen vinden die dat verzoek steunen. Zelf zou ik daar nooit aan meewerken. Ik durf niet te stellen dat de depressiviteit van een patiënt onomkeerbaar is en dus recht geeft op euthanasie. Die verantwoordelijkheid wil ik niet nemen. Maar dat betekent niet dat ik een steen gooi naar collega's die dat wel doen. VANSWEEVELT: Ik geloof wel degelijk dat de euthanasiewet beantwoordt aan de behoefte van een deel van de bevolking. Veel mensen willen de zekerheid hebben dat als ze op een bepaald moment ondraaglijk en uitzichtloos lijden, er een dokter is - liefst hun eigen arts - die aan hun verzoek tot levensbeëindiging tegemoet wil komen. Tegelijkertijd wilde men de patiënten met de wet beschermen door de misbruiken in te perken. Een arts mag bijvoorbeeld geen euthanasie toepassen op een wilsonbekwame patiënt die daar niet om heeft gevraagd. Ook de artsen zelf hebben meer rechtszekerheid gekregen. Vroeger riskeerden ze sowieso juridische vervolging als ze levensbeëindigend optraden. Vandaag mogen ze euthanasie uitvoeren als er een vrijwillig, overwogen en herhaald verzoek is van een meerderjarige patiënt die lijdt aan een ongeneeslijke ziekte en zich in een uitzichtloze toestand van ondraaglijk lijden bevindt. VANSWEEVELT: Op papier wel. In het geval van dokter V. is de wet misbruikt om met hem af te rekenen, en daardoor zijn sommige dokters bang geworden. Gelukkig zit aan deze rechtszaak ook een positieve kant: het Arbitraal College geeft de ziekenhuizen een duidelijk signaal dat het hen veel kan kosten als ze een arts ontslaan die een correcte euthanasie heeft uitgevoerd. VANSWEEVELT: Helemaal niet. Als de euthanasiewet overtreden wordt, valt dat nu onder de gewone bepalingen van het strafwetboek. Dat betekent dat de arts in theorie voor moord of doodslag veroordeeld zou kunnen worden. Als er fouten zijn gemaakt tegen de grondvoorwaarden van de wet, vind ik dat aanvaardbaar. Maar niet als het louter om procedurefouten gaat. Niemand vindt toch dat een arts die een formulier te weinig heeft ingevuld voor hij een terminaal zieke patiënt hielp sterven, voor doodslag moet worden veroordeeld? Schendingen van de procedurevoorwaarden zouden beter aan de Orde van Geneesheren worden overgelaten. DOKTER V.: Nee, want ik wist dat ik juist had gehandeld. Al was ik natuurlijk pas echt gerustgesteld toen ik na een jaar het bericht kreeg dat het parket de klacht had geseponeerd. VANSWEEVELT: Ik heb me wél zorgen gemaakt, want er waren geen precedenten. In dergelijke gevallen zijn het meestal familieleden die een klacht indienen, en dan kun je nog uitleggen dat zij zich benadeeld voelen omdat zij het nog geen tijd vonden voor euthanasie en de patiënt wel. Maar hoe verklaar je dat het ziekenhuis waar dokter V. al meer dan twintig jaar werkt zelf het initiatief neemt om klacht in te dienen? VANSWEEVELT: Dat zou me niets verbazen. Artsen zullen gevallen van euthanasie pas aan de bevoegde commissie melden als ze vertrouwen krijgen in het registratiesysteem. Eigenlijk zijn er veel parallellen met de abortuswet. Vóór die wet kon een arts worden vervolgd omdat hij een abortus had uitgevoerd. In de beginjaren van de abortuswet werden er nog steeds niet veel abortussen officieel gemeld omdat de artsen de kat nog uit de boom keken. Het heeft jaren geduurd voor elke arts abortus officieel meldde. Hetzelfde is nu met de euthanasiewet aan de hand. Dat zowel de euthanasiecommissie als het parket dokter V. van alle blaam heeft gezuiverd, zal veel van zijn collega's wellicht meer vertrouwen in de wet geven. DOKTER V.: Wellicht wordt euthanasie vaker uitgevoerd dan de officiële cijfers aangeven, maar dat is moeilijk vast te stellen. Er bestaat een grote, grijze zone tussen euthanasie en doorgedreven pijnbestrijding, die levensverkortend werkt. VANSWEEVELT: Er heerst inderdaad juridische onzekerheid over de vraag of gecontroleerde verdoving al dan niet onder de euthanasiewet valt. In verschillende ziekenhuizen wordt deze zogenaamde slow euthanasia toegepast om zo de euthanasievoorwaarden te omzeilen. DOKTER V.: Helemaal niet. Mevrouw, ik ben helemaal geen voorvechter van het algemeen recht op euthanasie, en dat wil ik ook niet zijn. Ik ben een longspecialist en ik doe mijn job: ik probeer zieke mensen te genezen of te helpen. Dat is de taak van elke arts. En af en toe vraagt een terminale patiënt je om hem te helpen bij zijn levenseinde, en dan doet een arts dat. Maar dat gebeurt niet elke dag, niet elke week. DOKTER V.: Nee. Ik heb er niet voor gekozen niet meer met terminaal zieken te werken, maar wel om niet langer afhankelijk te zijn van bazen die ziekenhuisgeneesheren manipuleren. In een ziekenhuis als O.L.V. Aalst worden de artsen door de directie beschouwd als productie-eenheden, als radertjes. In hun ogen zijn we de Charlie Chaplins in hun Modern Times, meer niet. Door Ann PeutemanDokter V.: 'Ik wil niet dat deze zaak wordt gebruikt om het verschil tussen katholieke en niet-katholieke ziekenhuizen in de verf te zetten.'Vansweevelt: 'Er heerst inderdaad juridische onzekerheid over de vraag of gecontroleerde verdoving al dan niet onder de euthanasiewet valt.'