Hij was zes toen hij een bonbondoos van zijn vader opende. Hij trof er foto's in aan die hem de stuipen op het lijf joegen. Levenloze lichamen van zwarte betogers, neergeschoten door de politie tijdens de onlusten in Sharpeville, 1960.
...

Hij was zes toen hij een bonbondoos van zijn vader opende. Hij trof er foto's in aan die hem de stuipen op het lijf joegen. Levenloze lichamen van zwarte betogers, neergeschoten door de politie tijdens de onlusten in Sharpeville, 1960. De jonge William Kentridge had brutaal kennis gemaakt met het apartheidsregime. Sir Sydney Kentridge, zijn vader, was advocaat van de slachtoffers. De familie behoorde tot de Engelstalige elite van Zuid-Afrika, dat in 1961 uit het Britse Gemenebest trad. De geschiedenis, opgevat als trauma, loopt als een rode draad door het oeuvre van Kentridge. Met zijn muziektheater voor marionetten was hij eerder al in ons land te gast. De stad Brugge en het Sint-Janshospitaal vormen een geschikt decor voor zijn houtskooltekeningen, animatiefilms, wandtapijten en een video-installatie als dodendans. Vanaf de twaalfde eeuw vonden zieken, berooiden en verdwaalde reizigers hier onderdak. En al in 1449 zag men in de stad een liveperformance van een dodendans, het middeleeuwse bezweringsritueel waarbij levenden en doden onder elkaar dansen, ook vereeuwigd in dichtvorm en prenten - denk maar aan de Totentanz van Hans Holbein. Dodendansen werden in de middeleeuwen bij voorkeur uitgevoerd in tijden van pest en cholera, en het was geen toeval dat Kentridge de zijne maakte in 2015, toen het ebolavirus West-Afrika teisterde. Hij gaf er de vorm van een video-installatie aan, More Sweetly Play the Dance. Daarin zitten animatietechnieken verwerkt, levende personages, silhouetten en rekwisieten. Het schouwspel speelt zich af tegen een getekende achtergrond met doodse landschapselementen. De actie ontrolt zich, onder het zoldergebinte van het Sint-Janshospitaal, over 8 megaschermen die een lengte van 40 meter beslaan. Dansende geraamten en silhouetten, met op kop een draaiende derwisj, wijzen op een klassieke dodendans, uitgevoerd tijdens een soort processie. Er stappen ook kreupelen en zieken mee op, verbonden aan hun infusen. Een fanfare geeft de macabere stoet een enigszins vrolijk tintje. Maar er worden ook koppen meegedragen van gevallen proletarische helden uit het China onder Mao, wat een treurmars voor een revolutie doet vermoeden. De wagenslepers en de lastdrager in het centrum van het gebeuren torsen zware vrachten, en lijken elk ogenblik de optocht te kunnen doen veranderen in een betoging. Dat ogenblik blijft uit, en de vreemde mars wordt afgesloten door een vrouwelijk kindsoldaatje, een geweer torsend dat groter is dan het wicht zelf. Ik leid eruit af dat William Kentridge respect opbrengt voor de proletariërs van deze wereld, maar ze niet meteen een wereld ziet realiseren die beter is dan wat de stervelingen uit de andere klassen ervan terechtbrengen. Daar ontstaat een tragisch beeld van de geschiedenis, een eeuwig herhaalde processie van zieken en gezonden, levenden en doden, verenigd in een dolle dans die tenminste wat opluchting brengt. De grondtoon in More Sweetly Play the Dance klinkt ook door in de andere werken die zijn bijeengebracht in het Sint-Janshospitaal. Zeker in de grote houtskooltekeningen bij het spektakel Triumphs and Laments dat Kentridge in 2016 over een lengte van 500 meter op een muur langs de Tiber in Rome realiseerde. Van het lijk van Remus, om het leven gebracht door zijn broer Romulus bij de stichting van de stad, tot het verminkte lichaam van de vermoorde cineast Pier Paolo Pasolini: een lange rij beelden die 'een grammatica van de wonde' vormen, de trauma's van de geschiedenis blootleggen en een onverbiddelijke wet onderstrepen: 'De triomf van de één is altijd ten koste van de weeklacht van de ander.'