Het ging de hele wereld rond in 1994, het boek Grenzen aan de concurrentie van de Groep van Lissabon, onder het voorzitterschap van Riccardo Petrella. Het kwam als een verademing, vijf jaar na de val van de Berlijnse Muur en op een moment dat sommigen al het einde van de geschiedenis en de ideologieën verkondigden. Niet dus. Er zijn nog muren genoeg om neer te halen. Die tussen de nieuwe economische wereldorde en de mondiale politieke wanorde. Tussen het vrije kapitaal en de onvrije mens. Tussen de eindeloze exploitatie van het milieu en de eindigheid van de natuurlijke reserves. Tussen rijk dat rijker wordt en arm dat armer wordt.
...

Het ging de hele wereld rond in 1994, het boek Grenzen aan de concurrentie van de Groep van Lissabon, onder het voorzitterschap van Riccardo Petrella. Het kwam als een verademing, vijf jaar na de val van de Berlijnse Muur en op een moment dat sommigen al het einde van de geschiedenis en de ideologieën verkondigden. Niet dus. Er zijn nog muren genoeg om neer te halen. Die tussen de nieuwe economische wereldorde en de mondiale politieke wanorde. Tussen het vrije kapitaal en de onvrije mens. Tussen de eindeloze exploitatie van het milieu en de eindigheid van de natuurlijke reserves. Tussen rijk dat rijker wordt en arm dat armer wordt. Het waren geen oude marxisten die dat kwamen vertellen, maar wel een internationaal gezelschap van vooraanstaanden uit de academische, politieke en economische wereld. De Groep van Lissabon pleitte voor een ander soort globalisering, voor mondiale contracten waarin de politiek weer de macht krijgt die haar toekomt, en de economische groei geconditioneerd wordt door wat vereist is voor een duurzame sociale en ecologische ontwikkeling op deze planeet van nu en straks. In essentie is dat ook wat de anti-globalisten vandaag eisen, al willen ze niet gezien worden als de kinderen van deze Italiaans-Belgische zestiger, en al staat de minzame Petrella zelve geenszins op het vaderschap.U moet een tevreden man zijn. De jongeren hebben uw signaal opgepikt.Riccardo Petrella: Ik heb niet de minste pretentie om te zeggen dat we aan de basis zouden liggen van de huidige beweging. We maken er gewoon deel van uit. Hooguit zijn we in 1994 een druppeltje olie geweest voor de machine. We hebben dat globale protest een beetje theoretisch geduid en verhelderd, maar de wortels van de anti-globalistische beweging liggen in de jaren zeventig en tachtig. Ze bestond toen ook al uit diverse groepen. Je had de antinucleaire beweging, de ecologische, de vredesbeweging. Daarna kwam daar de meer humanitaire poot bij met nadruk op solidariteit, samenwerking, ontwikkeling en hulp. En die groepen hebben tot op zekere hoogte gehoor gevonden. In hun gematigde vorm zijn de grote lijnen van die oppositie overgenomen door de Verenigde Naties die in de jaren negentig begonnen aan een lange reeks van wereldconferenties. Van Rio in 1993 tot Rome in 1998, over de mensenrechten, de mondiale bevolkingsgroei, het klimaat, vrouwenrechten, de armoede, het recht op huisvesting, het stedelijk beleid enzovoort. En vandaag dus ook over het racisme in Durban. Mooi allemaal, en zeker in het begin gaven die toppen een extra stimulans aan al die humanitaire bewegingen. Ze consacreerden ook de meer gematigde tendensen ervan. Niet-gouvernementele organisaties werden erkend en maakten soms zelfs formeel deel uit van de nationale politieke delegaties. Maar in de loop van de jaren negentig is er vanuit diezelfde hoek en vanuit milieus met dezelfde wortels een minder gematigd protest gegroeid. Een groep die veeleer revolutionair van karakter was dan reformistisch. De mensen hadden genoeg van de mooie discoursen op die vele VN-toppen. Het was zo manifest dat de beloften niet werden ingelost, en dat vele landen het tegenovergestelde deden van wat ze op die toppen plechtig hadden onderschreven. Het protest begon zich dan ook te keren tegen die grote conferenties zelf, tegen die gigantische machine du blabla. Wat de beweging uiteindelijk nog meer geradicaliseerd heeft, was de arrogantie van de nieuwe machten die in de jaren tachtig en negentig hun opwachting maken in de politieke en de economische wereld. Na het echec van Bretton Woods wordt de wereldeconomie geregeerd door totaal instabiele monetaire en financiële systemen. Dan begint de geleidelijke privatisering van het bank- en verzekeringswezen. Zo, stap voor stap, beginnen de privé-bedrijven en het kapitaal een aanzienlijke macht te verwerven, aanzienlijker dan de macht van de politiek die zelf meewerkt aan de liberalisering. Het is dan dat men over globalisering begint te praten. Vanaf dat moment krijgen we opnieuw en opnieuw te horen: 'De globalisering kun je niet tegenhouden.' En ze bedoelen altijd hún globalisering, de global economy, de global market. Maar heb jij het over de global democracy, dan zijn ze plots minder enthousiast. Zodra je daarover begint, komt het refrein terug over de bureaucratische staat en de behoefte aan politieke diversiteit en decentralisatie. Het verzet richt zijn pijlen op welbepaalde doelen: het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank (WB). Dat waren de emblemen van die triomfantelijke economische en financiële globalisering. Het protest heeft zich vertaald naar de straat, en is vanaf dat moment ook iets gewelddadiger geworden, in 1994 en 1995 ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van het IMF en de WB. In 1995 kwam daar ook nog de creatie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bij. Toen halfweg de jaren zeventig de mondiale crisis toesloeg, groeide het idee voor een nieuwe economische wereldorde. De UNCTAD werd opgericht: de United Nations Conference on Trade and Development. Het idee was dat handel de beste garantie op ontwikkeling is. En de UNCTAD was aanvankelijk inderdaad het resultaat van de druk die de Groep van 77 had uitgeoefend, de niet-gebonden landen zoals Brazilië en vele Afrikaanse en Aziatische landen. In de beginjaren was de UNCTAD daadwerkelijk een tegenwicht voor de GATT ( General Agreement on Tariffs and Trade), dat vooral gedomineerd werd door Europeanen, Amerikanen en Japanners. Maar de D van Development in de naam kwam snel in de verdrukking. Het werd gewoon UNCTA. De Wereldhandelsorganisatie heeft die rol dan overgenomen. De UNCTAD zelf is vandaag niets meer dan een machteloze studiegroep. Het was de logica van de handel die het haalde. En de vrijheid van het kapitaal. Die arrogantie bereikte een toppunt met de poging om tot een Multilateraal Akkoord over Investeringen (MAI) te komen. Wat het WTO voor de handel was, moest het MAI voor het kapitaal worden. Dat streefde de primauteit van het kapitaal op alle andere instellingen na. Het was zo arrogant dat de burgerbewegingen overal ter wereld zich hebben geradicaliseerd, terwijl andere ngo's bereid waren om het MAI min of meer te aanvaarden. Tot twee keer toe, in 1998 met de mislukking van het MAI en in Seattle in 1999 met de boycot van de Millennium Ronde, is het systeem in het hart getroffen. Het is daarom dat ze sinds Seattle begonnen zijn met een poging om de anti-globalisten te descrediteren. Eerst werden ze afgeschilderd als een bende retrograde marxisten, als conservatievelingen die tegen de vooruitgang en de technologie waren. Quod non. In Seattle is de beweging juist in haar opzet geslaagd door internet. Toen begonnen ze ons te verwijten dat we localisten en protectionisten waren. De waarheid is dat de statistieken van hun eigen instellingen, het IMF, de WB, de Wereldgezondheidsorganisatie ons gelijk begonnen te geven. Ze hebben in de loop van de jaren negentig een hele reeks gegevens gepubliceerd die aantoonden dat de globalisering van de economie vooral de al ontwikkelde landen ten goede komt, en binnen die landen dan ook nog eens exclusief de sociale toplaag. Dus ze konden de anti-globalisten niet verwijten dat hun analyse fout was. Toen zijn ze de beweging beginnen te criminaliseren. Het waren dan geweldenaren. En anti-democraten. Zelfs iemand als de Duitse minister Joschka Fischer vergeet dan zijn eigen verleden en zegt: 'Jullie hebben geen enkele legitimiteit, wij zijn de verkozenen van het volk.' Omdat ze geen andere argumenten hebben, omdat ze gewoonweg niet kunnen bewijzen dat hun mondialisering de goede is, gooien ze het over die boeg. Het luidt dan dat de anti-globalisten niemand vertegenwoordigen en dat ze daarom hun gelijk willen halen door te schreeuwen, door straatgeweld, het zijn dus terroristen, het zijn de nieuwe barbaren van de eenentwintigste eeuw. Vergissen de anti-globalisten zich inderdaad soms niet van tegenstander? Je zou verwachten dat wie tegen de negatieve effecten van de economische en financiële globalisering is, juist elk supranationaal politiek initiatief toejuicht. Betogen tegen onderonsjes van de 'captains of industry' in Davos of tegen het IMF, tot daar aan toe, maar waarom tegen een instelling als de Europese Unie?Petrella: Dat zegt de Europese Commissaris van Handel Pascal Lamy ook: 'Wij proberen de handel regels op te leggen, dus je zou ons beter steunen in plaats van ons te bekampen'. En we zouden het moeten toejuichen dat de WTO probeert om tot mondiale regels te komen. We zijn niet tegen mondiale regels, maar we geloven niet dat ze kunnen worden opgesteld binnen het huidige kader van het WTO-verdrag of van het IMF. Het is verschrikkelijk moeilijk om die organisaties structureel te hervormen. Hooguit komen ze tot kosmetische ingrepen, zoals bijvoorbeeld het voorstel om een soort parlementaire assemblee aan de WTO toe te voegen. Die zou dan moeten worden samengesteld uit de nationale parlementen. Een beetje zoals de Raad van Europa ook een assemblee heeft, en wie kent die? Ook het IMF valt van binnenuit bijzonder moeilijk te hervormen. Het IMF is gemaakt op maat van de ontwikkelde landen. Het is na de dekolonisatie en de financiële crisis van 1973 uitgebreid tot de hele wereld, maar het is niet hervormd. Het betekende gewoon dat alle nieuwkomers zich hadden te schikken naar de normen van de rijke landen. Wie maakt uit of een land al dan niet solvabel is en dus een lening mag krijgen? Dat zijn de zes grootste bedrijven van de ranking. Beter geen mondiale spelregels dan slechte?Petrella: Evident. Neem nu de ISO-normen, de internationale standaarden waaraan producten moeten voldoen. Op het eerste gezicht moet je dat toejuichen. Maar die normen zijn het resultaat van een deliberatie door nationale organisaties waarin behalve overheidsinstellingen ook industriëlen zitten. Die standaarden worden bepaald ten gerieve van de dominante bedrijven of industriële groepen. De Association française de normalisation (AFNOR) heeft voorgesteld om een commissie samen te stellen die de normen moet bepalen waaraan water moet voldoen inzake drinkbaarheid, samenstelling, zuivering enzovoort. Dat voorstel komt er onder druk van Vivendi en Suez, de twee grote industriële watergroepen. Het werd door die groepen geschreven. Wel, in dat geval ben ik tégen de mondiale standaardisatie van water, want dan maken die normen van water geen basisrecht maar een product. De privatisering van de waterdiensten is overal aan de gang. De nationale markten worden geopend voor de Europese en de wereldmarkt. Daarvoor heeft men dus die standaarden nodig. Dat is de logica van vele internationale normen. Ze dienen commerciële belangen en ze zijn een verzwakking van de legitieme politieke macht. Dat geldt voor de regels van het IMF, de WB, de WTO, ISO en de World Intellectual Property Organisation. Nogmaals, een reden te meer om internationale politieke initiatieven te steunen.Petrella: Ja, maar niet de initiatieven die de macht van de privé-sector nog versterken. De politiek gaat nu op zoek naar internationale regels voor het kapitaal. Dat is op zich goed, maar niet als de politiek zichzelf daarbij vrijwillig in de koffer van de auto laat duwen en de financiële machten helpt om achter het stuur te gaan zitten. Daarom vind ik ook dat we het derde wereldforum over water dat in 2003 in Kyoto gepland is, niet moeten steunen. Liever geen wereldtop over water dan één die zich laat inspireren door het principe dat water niet langer moet worden beschouwd als een bien commun, maar als un bien économique, het onderwerp van vraag en aanbod. Dan laat je het beheer van het water beter onder de hoede van de nationale staten. Uw analyse is allesbehalve vleiend voor de vakbonden. U bepleit de oprichting van een Wereldorganisatie voor Sociale Ontwikkeling. Dat impliceert dat u geen hoge pet hebt van bestaande organisaties zoals de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). De vakbonden en de anti-globalisten waren zeker in het begin niet de meest natuurlijke bondgenoten.Petrella: Dat is meteen een van de grootste zwaktes van de anti-globalisten. De vakbonden zijn hen niet gevolgd. Heel vaak zelfs zijn de anti-globalisten bij de vakbonden eerder op remmingen en zelfs regelrechte oppositie gestoten dan op solidariteit. Dat heeft historische wortels. In de jaren zeventig en tachtig stelde de vakbondsbeweging in de Verenigde Staten niets voor, wat - gezien de dominantie van de economische en militaire macht van de VS - een immense handicap was voor de toenmalige anti-globalisatiebeweging. In Seattle was de AFL, de American Federation of Labour, er voor het eerst in dertig jaar bij, maar niet voor de goede redenen. Zij waren daar om hun eigenbelang te verdedigen. De echt nieuwe wind en de kansen op een renouveau voor het mondiaal syndicalisme komen uit het zuiden, onder meer van de Braziliaanse boeren. Behalve door de lege plek van de vakbonden wordt de anti-globalisatiebeweging ook verzwakt door de terugtocht van de christelijke wereld. In de jaren zeventig en tachtig had je in de beweging naast de ecologische poot een sterke humanitaire stroming die vooral geïnspireerd werd door de wereld van de kerken. Die stroming is naderhand in een crisis gesukkeld, want ondanks alle inspanningen bleek het humanitaire heel vaak misbruikt te kunnen worden als een laagje vernis, zowel voor dictatoriale politieke regimes als voor de bedrijfswereld. Als in de jaren negentig de anti-globalisatiebeweging zich begint te radicaliseren, is die humanitaire tak niet volledig gevolgd. In Genua was dat zeer goed zichtbaar. Als er nog katholieken onder de anti-globalisten waren, ging het om basispriesters. Maar de voornaamste katholieke groeperingen in Italië hebben zich gedistantieerd van de beweging. Vandaag woedt dat debat in Italië opnieuw: 'Opgepast katholieken, laat jullie niet in de val van de roden lokken, want ze zijn er weer, de oude marxisten.' Dat klopt ook wel, natuurlijk. Echt groot kun je het verschil tussen het anti-kapitalistisch discours van sommige anti-globalisten vandaag en dat van voor 1989 niet noemen. De hoofdmoot van de anti-globaliseringsbeweging mag dan al gauchistisch zijn, ze is niet noodzakelijk progressief.Petrella: Absoluut. Na 1989 zijn veel mensen uit de communistische en marxistische bewegingen wees geworden. Die hebben in de anti-globalisatiebeweging ongetwijfeld een gelegenheid gezien om hun aloude ideologie voort te zetten en te bevestigen. Attac in Frankrijk heeft een deel van dat publiek gerecupereerd, maar het is een minderheid. De toon wordt gezet door een heel nieuwe generatie, en het zijn de jongeren die de marsrichting bepalen. Die generatie zit in een andere logica, dat is geen retro-communisme of neomarxisme. Maar de grote lijnen zijn toch dezelfde, zoals de overtuiging dat waar kapitaal en economie kunnen opereren zonder politieke controle, de zwakkere altijd de pineut is?Petrella: De demarcatielijn van de nieuwe generatie anti-globalisten zit vervat in de slogans zelf. Al vier jaar zeggen we dat un autre monde mogelijk is, daarom is die term 'anti-globalisme' overigens zo misplaatst. We hebben het over een andere wereld, niet over un monde socialiste. De oplossingen liggen in landen zoals Brazilië en Senegal. Op het Sociaal Forum in Porto Alegre, de eerste echt grote bijeenkomst van anti-globalisten, was er een zeer actieve minderheid van trotskisten, maoïsten en andere klassiek communistische militanten. Die werden wel aanvaard, maar zodra ze hun traditioneel discours opvoerden, werd dat prompt door duizenden mensen verworpen. Het wil niet zeggen dat de huidige nieuwe generatie ongevoelig is voor de marxistische analyses van weleer en ze is zelfs niet te beroerd om er de nog altijd interessante componenten van over te nemen. Maar ten gronde gaat het om eigentijdse analyses. De anti-globalisatiebeweging is zeker en vast een kind van onze tijd en niet van 1848, toen het communistisch manifest werd geschreven. Ze staat voor drie zeer sterke concepten. Ze hamert vooreerst op een moreel geweten. Ze wil mensen wakker schudden, hen duidelijk maken dat niet alles verhandelbaar is: het menselijk lichaam, kennis, water. Ze probeert de mondiale democratische immuniteit te vergroten, want die weerbaarheid is afgestompt. Ten tweede is de anti-globalisatiebeweging de expressie van een elementaire sociale eis. Ze zegt: het kan niet dat er 2,7 miljard mensen in armoede leven. Ik heb een kleine berekening gemaakt. Afgelopen maand hebben tussen de 500.000 en 600.000 mensen hun job verloren. En die worden zeker niet gecompenseerd door de creatie van nieuwe jobs in dezelfde periode. De derde kracht van de beweging is dat ze niet langer in de fase van de loutere oppositie zit, maar dat ze politieke voorstellen doet. Ze heeft een alternatief te bieden. Dat heeft ze in Porto Alegre bewezen. Als ze ons vandaag criminaliseren, is het omdat we geloofwaardig geworden zijn.De beweging moet niet alleen vrezen voor oud-linkse recuperatie, ook rechts eigent zich het anti-globalistisch etiket toe. In een commentaar bij het rapport van de Groep van Lissabon waarschuwde SP'er Frank Vandenbroucke er al voor dat de linkerzijde een beetje moet uitkijken met dat anti-globalisme. Want die 'globalisering' lijkt verdacht veel op 'het archetype van de buitenstaander-boosdoener' en dat stemt tot nadenken 'in een klimaat dat al beheerst wordt door onrust over "bedreigingen" uit de rest van de wereld en allerlei gradaties van "eigen volk eerst"'. De globalisering kan inderdaad handig zijn om het niet over de eigen verantwoordelijkheid te moeten hebben voor wat er fout loopt in onze welvaartsstaten.Petrella: Aan de ambiguïteit van de taal ontsnappen we niet. Iedereen praat over democratie, zelfs de fascisten. En iedereen praat over vrijheid en rechtvaardigheid, zelfs de meest totalitaire politici. Dat kun je niet vermijden. Het is trouwens mede de rol van de media om de goeden een beetje van de slechten te scheiden. De media zijn ook rechter en partij. Ongetwijfeld kun je ons verwijten dat wij soms zaken zeggen die je ook bij Umberto Bossi hoort, want Bossi is ook tegen de mondialisatie. Maar daar stopt het dan ook. Hitler was tegen de plutocratie en extreem-rechts vandaag is dat nog altijd. Ook het Vlaams Blok is tegen de macht van het kapitaal. Maar het getuigt dus echt wel van slechte wil om die ambiguïteit te exploiteren om de anti-globalisatiebeweging verdacht te maken. Dat was zeker niet de bedoeling van mijn goede vriend Frank Vandenbroucke. Hij is te slim om dat soort amalgamen te maken. En als hij het toch doet, zeg hem maar dat Riccardo gezegd heeft dat hij zich vergist. (Lacht)Bij deze. U zegt dat de politiek zijn macht is kwijtgespeeld aan de mondiale economische en financiële krachten. Maar om ook eens iets positiefs te zeggen over die politiek: de laatste jaren is er een soort mondiaal geweten gegroeid. Pinochet wordt voor de rechter gedaagd, er is het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag. Vijftien jaar geleden was zo'n relatief internationale eensgezindheid over wat goed en kwaad is en derhalve gestraft moet worden, ondenkbaar.Petrella: Absoluut, maar u moet weten dat dit succes er juist gekomen is door de druk van een mondiale oppositie. De VS willen geen Internationaal Tribunaal, de Fransen zijn er ook niet te happig op, zelfs de linkse regering Jospin niet. De Spaanse rechter kon Pinochet maar dagvaarden omdat het culturele klimaat er rijp voor was. Zo werkt dat. Sommige voorstellen die aanvankelijk onhaalbaar lijken, winnen aan geloofwaardigheid. Zo ben ik er ook van overtuigd dat we er binnen tien à vijftien jaar, en hopelijk iets vroeger, toch zullen in slagen om op een of andere manier de financiële stromen te taxeren. Zelfs al zegt iedereen vandaag nog altijd dat de Tobin-taks onmogelijk is. Het is toch hier, in België, dat de socialisten erin geslaagd zijn om het op z'n minst op de Europese agenda te zetten. Vandaag krijgen de gekken van twintig jaar geleden gelijk. Filip Rogiers