Amerikanen onderschatten de rol van etnisch nationalisme in de politiek nogal eens. In de Verenigde Staten leven mensen van diverse etnische afkomst immers betrekkelijk vreedzaam naast elkaar. In twee of drie generaties van immigratie is hun etnische identiteit vervaagd door culturele assimilatie en gemengde huwelijken. Zo heel anders kan het elders toch niet zijn?
...

Amerikanen onderschatten de rol van etnisch nationalisme in de politiek nogal eens. In de Verenigde Staten leven mensen van diverse etnische afkomst immers betrekkelijk vreedzaam naast elkaar. In twee of drie generaties van immigratie is hun etnische identiteit vervaagd door culturele assimilatie en gemengde huwelijken. Zo heel anders kan het elders toch niet zijn? Immigranten in de VS willen zich gewoonlijk graag in hun nieuwe land inpassen en stellen hun identiteit dienovereenkomstig bij. Maar voor hen die achterblijven in landen waar hun voorouders generaties- of zelfs eeuwenlang hebben gewoond, neemt politieke identiteit vaak een etnische vorm aan. Het vreedzame regionale samenstel van natiestaten is meestal voortgekomen uit een gewelddadig proces van etnische afscheiding. Gebieden waar die afscheiding zich nog niet heeft voorgedaan, lopen grote kans politiek onplezierig te blijven. Volgens een invloedrijke versie van de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis heeft nationalisme tweemaal tot een oorlog geleid, in 1914 en opnieuw in 1939. Daarna kwamen de Europeanen dan tot de vaststelling dat nationalisme een gevaar is en zagen ze er geleidelijk van af. In de decennia na de oorlog sponnen de West-Euro-peanen zich in een web van transnationale instellingen in, dat culmineerde in de Europese Unie (EU). Na de val van het Sovjet-imperium breidde dat transnationale raamwerk zich uit naar het oosten, tot het het grootste deel van het continent omvatte. De Europeanen betraden een postnationaal tijdperk, dat niet alleen op zichzelf goed, maar ook een model voor andere regio's was. Natio-nalisme was, volgens deze opvatting, een tragische omweg op de weg naar een vreedzaam liberaal democratisch bestel geweest. Dit verhaal is wat heel veel ontwikkelde Europeanen en misschien nog meer ontwikkelde Amerikanen geloven. Toch zou uit een overzicht blijken dat van de vele staten zonder één absoluut dominante nationaliteit die Europa in 1900 telde er in 2007 nog slechts twee over waren, waarvan één, België, dan nog op het punt stond uit elkaar te vallen. Afgezien van Zwitserland - waar het etnische machtsevenwicht verankerd is in strikte staatsburgerschapswetten - heeft in Europa het 'separatistische project' dus niet zozeer opgehouden te bestaan als wel getriomfeerd. De processen die tot de dominantie van de etnonationale staat en de afscheiding van etnische groepen in Europa hebben geleid, zullen zich waarschijnlijk ook elders voordoen. Toegenomen verstedelijking, geletterdheid en politieke betrokkenheid, verschillen in vruchtbaarheid en economische prestaties van diverse etnische groepen, en immigratie zullen zowel de interne structuur van staten als hun grenzen op de proef stellen. Politiek correct of niet, etnonationalisme zal ook in de eenentwintigste eeuw de wereld vorm blijven geven. Er zijn twee grote denkrichtingen als het om nationale identiteit gaat. De ene, die van het liberale of civiele nationalisme, is dat alle mensen die binnen de grenzen van een land wonen deel uitmaken van de natie, ongeacht hun etniciteit, ras of religie. Maar deze liberale opvatting concurreert met en heeft het vaak moeten afleggen tegen een andere opvatting, die van het etnonationalisme. De kern daarvan is dat naties bepaald worden door een gedeeld erfgoed, dat gewoonlijk een gemeenschappelijke taal, een gemeenschappelijk geloof en een gemeenschappelijke etnische afkomst omvat. Het liberale nationalisme kon het makkelijkst ontstaan in staten die etnisch al erg homogeen waren: in de gebieden langs de Atlantische kust, waar politieke en etnisch-taalkundige grenzen in landen als Engeland, Frankrijk, Spanje, Portugal en Zweden grotendeels samenvielen. Het centrum van Europa, bevolkt met Duits- en Italiaanstaligen, was politiek versplinterd in honderden kleine staatjes. Maar in de jaren 1860 en 1870 ontstonden Italië en Duitsland, waarna bijna alle Italianen in het eerstgenoemde land woonden en de meeste Duitsers in het tweede. Verder naar het oosten was de situatie weer anders. Nog in 1914 bestond het grootste deel van Midden-, Oost- en Zuidoost-Europa niet uit natiestaten, maar uit grote rijken. Dat van de Habsburgers omvatte het huidige Oostenrijk, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Slovenië, Kroatië, Bosnië en delen van het huidige Polen, Roemenië en Oekraïne. Het rijk van de Romanovs strekte zich uit tot in Azië, en omvatte de voormalige Sovjet-Unie, Finland en delen van het huidige Polen. En het Ottomaanse Rijk omvatte het moderne Turkije en delen van het huidige Griekenland, Bulgarije, Servië en Roemenië, en strekte zich verder ook nog uit over een groot deel van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Deze rijken bestonden alle uit een groot aantal etnische groepen, maar ze waren niet multinationaal in de zin dat ze hun vele volkeren een gelijke status gaven. De heersende monarchie en de landadel hadden vaak niet dezelfde taal en etnische afkomst als de handelaarsklasse in de steden, waarvan de leden op hun beurt gewoonlijk niet dezelfde taal en etniciteit, en vaak ook niet dezelfde godsdienst hadden als de boerenstand. In Oostenrijk-Hongarije en het tsaristische Rusland bijvoorbeeld waren de handelaars gewoonlijk Duitsers of Joden. In het Ottomaanse Rijk waren het vaak Armenen, Grieken of Joden. En in elk rijk behoorden ook de boeren tot diverse etnische groepen. Men is vandaag geneigd de natiestaat als de natuurlijke vorm van staatsstructuur te beschouwen, en imperia als anomalieën. Maar als je naar de geschiedenis kijkt, is veeleer het tegendeel waar. Hoe is die verandering dan tot stand gekomen? De opkomst van het etnonationalisme was niet, zoals de socioloog Ernest Gellner duidelijk heeft gemaakt, een of andere rare historische vergissing; veeleer werd ze aangedreven door enkele van de wezenlijkste stromingen van de moderniteit. Militaire concurrentie tussen staten schiep een vraag naar grotere staatsinkomsten en dus naar continue economische groei. Economische groei, op haar beurt, was afhankelijk van algemene geletterdheid en vlotte communicatie, wat aanzette tot beleid ter bevordering van onderwijs en een gemeenschappelijke taal - wat dan weer leidde tot taalconflicten en ruzie over de kansen en mogelijkheden van de diverse gemeenschappen. Mensen die dezelfde taal spraken begonnen het gevoel te krijgen dat ze bij elkaar hoorden en zichzelf te definiëren als onderscheiden van andere gemeenschappen. En ten slotte eisten ze een eigen natiestaat, waar zij de baas zouden zijn en de politiek zouden domineren, de ambtenarij bemannen en de handel in handen hebben. Het etnonationalisme had een psychologische én een economische basis. Door een nieuwe en directe verhouding tussen individuen en regering te scheppen, verzwakte de opkomende moderne staat de traditionele banden van individuen met intermediaire sociale structuren zoals de familie, de clan, het gilde en de Kerk. En door sociale en geografische mobiliteit en een helpjezelfmentaliteit te stimuleren, deed de opkomende markteconomie hetzelfde. Het gevolg was een emotioneel vacuüm dat vaak werd opgevuld door nieuwe vormen van identificatie, vaak langs etnische lijnen. Het doen samenvallen van staat en natie nam allerlei vormen aan, van vrijwillige emigratie (vaak een gevolg van officiële discriminatie van etnische minderheden) over gedwongen deportatie (ook wel 'bevolkingsverplaatsing' genoemd) tot genocide. Een groot stuk van de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis is in feite een pijnlijk en langdurig proces van etnische ontmenging ( disaggregation) geweest. Na de Eerste Wereldoorlog vielen de eerder genoemde drie grote rijken uit elkaar, met een explosie van etnonationalisme als gevolg. In het Ottomaanse Rijk kostten massadeportaties en massamoord nog tijdens de oorlog een miljoen leden van de Armeense minderheid het leven. Na de Grieks-Turkse oorlog (1919-1922), waarin beide zijden zich aan etnische zuivering hadden overgegeven, werd in het Verdrag van Lausanne van 1923 bepaald dat alle etnische Grieken naar Griekenland moesten, en alle Griekse moslims naar Turkije. Uiteindelijk verdreef Turkije bijna anderhalf miljoen mensen, en Griekenland bijna 400.000. Uit de puinen van wijlen Oostenrijk-Hongarije en het tsaristische Rusland verrees een menigte nieuwe landen. Vele daarvan beschouwden zichzelf als etnonationale gemeenschappen, waar de staat er was om de dominante etnische groep te beschermen en te begunstigen. Toch bleven 25 van Midden- en Oost-Europa's circa 60 miljoen inwoners etnische minderheden in de landen die ze bewoonden. In de meeste gevallen discrimineerden nationalistische regeringen openlijk ten voordele van de dominante gemeenschap. Bestuurd werd er uitsluitend in de taal van de meerderheid, en de ambtenarij stond alleen open voor hen die haar spraken. In grote delen van Midden- en Oost-Europa hadden Joden lang een belangrijke rol in de handel gespeeld. Toen ze in de late negentiende eeuw burgerrechten kregen, bleken ze vaak uit te blinken in beroepen die een hogere opleiding vereisten, zoals geneeskunde en rechten, en al snel was bijna de helft van de artsen en de advocaten in steden als Boedapest, Wenen en Warschau Joods of van Joodse afkomst. Tegen de jaren dertig vaardigden vele regeringen beleid uit om daar een eind aan te maken en de Joodse voorsprong om te keren, waarbij Joden geen krediet meer kregen en hun toegang tot hogere opleidingen beperkt werd. Anders gezegd, de nationaalsocialisten die in 1933 in Duitsland aan de macht kwamen en hun beweging baseerden op een 'Duitsheid' die ze defi-nieerden tegenover en in tegenstelling tot 'Joodsheid' waren een extreme versie van een algemenere etnonationalistische trend. De etnonationalistische politiek werd nog dodelijker tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het naziregime probeerde met geweld de etnische kaart van het continent te hertekenen. Zijn radicaalste daad was een poging alle Europese Joden te doden - een poging die grotendeels met succes werd bekroond. Vele van de met Duitsland geallieerde regimes zetten ook eigen campagnes tegen interne etnische vijanden op. Het Roemeense regime bijvoorbeeld vermoordde op eigen houtje honderdduizenden Joden, zonder bevelen uit Duitsland, en de Kroatische regering vermoordde niet alleen haar Joden maar ook nog eens honderdduizenden Serviërs en Roma. Het politieke vergelijk in Midden-Europa na de Eerste Wereldoorlog was in de eerste plaats bereikt door grenzen te verplaatsen om ze te doen kloppen met bevolkingen. Na de Tweede Wereldoorlog waren het de bevolkingen die werden verplaatst. Miljoenen mensen werden uit hun huis en land verdreven, met op zijn minst de stilzwijgende instemming van de zegevierende geallieerden. Winston Churchill, Franklin Roosevelt en Jozef Stalin concludeerden allen dat de verdrijving van etnische Duitsers uit niet-Duitse landen een noodzakelijke voorwaarde was voor een stabiele naoorlogse orde. Tussen 1944 en 1945 vluchtten vijf miljoen etnische Duitsers uit de oostelijke delen van het Reich naar het westen om te ontkomen aan het Rode Leger, dat energiek verkrachtend en massamoordend oprukte naar Berlijn. Tussen 1945 en 1947 verdreven de nieuwe regimes in Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Polen en Joegoslavië nog eens zeven miljoen Duitsers als represaille voor hun collaboratie met de nazi's. Tezamen hielden deze maatregelen de grootste gedwongen volksverhuizing in de Europese geschiedenis in, waarbij honderdduizenden mensen omkwamen. De weinige Joden die de oorlog overleefden en naar hun huizen in Oost-Europa terugkeerden, kregen met zoveel antisemitisme te maken dat de meesten liever voorgoed vertrokken. Zo'n 220.000 trokken naar de door de Amerikanen bezette zone van Duitsland, vanwaaruit de meesten ten slotte naar Israël of de Verenigde Staten gingen. Zo verdwenen de Joden in wezen uit Midden- en Oost-Europa, dat vanaf de zestiende eeuw het centrum van het Jodendom was geweest. En doordat de grenzen van de Sovjet-Unie naar het westen waren verlegd, tot in wat tevoren Polen was geweest, werden anderhalf miljoen Polen uit gebieden die nu tot de Sovjet-Unie behoorden naar Polen gedeporteerd, terwijl 500.000 etnische Oekraïners uit Polen naar de socialistische sovjetrepubliek Oekraïne werden gestuurd. Na dit enorme proces van etnische ontmenging was het etnonationalistische ideaal grotendeels verwezenlijkt: bijna elke natie in Europa had haar eigen staat, en elke staat bestond bijna integraal uit één enkele etnische nationaliteit. Tsjecho-Slowakije, Joegoslavië en de Sovjet-Unie behoorden tot de weinige uitzonderingen op deze regel. Maar hun lot na het einde van de Koude Oorlog bewees de ongebroken vitaliteit van het etnonationalisme alleen maar. Na de val van het communisme werden Oost- en West-Duitsland opmerkelijk snel herenigd, werd Tsjecho-Slowakije vreedzaam opgedeeld in Tsjechië en Slovakije, en viel de Sovjet-Unie uit elkaar. Sindsdien zijn etnische Russische minderheden in vele van de post-Sovjetstaten geleidelijk naar Rusland geëmigreerd. Een miljoen mensen van Joodse afkomst is dan weer uit de voormalige Sovjet-Unie naar Israël getrokken. Joegoslavië zag Kroatië en Slovenië zich afscheiden en zonk toen weg in etnonationale oorlogen om Bosnië en Kosovo. Het uiteenvallen van Joegoslavië was eenvoudig het laatste bedrijf van een lang toneelstuk. Maar de plot van dat stuk - de ontmenging van volkeren en de triomf van het etnonationalisme in het moderne Europa - wordt zelden onderkend, en zo blijft een verhaal waarvan de betekenis even groot is als de verbreiding van de democratie of het kapitalisme grotendeels onbekend en ondoorgrond. Meestal wordt bij etnische ontmenging scherpgesteld op de destructieve gevolgen ervan, wat begrijpelijk is, gelet op het directe menselijke lijden dat er vaak uit is voortgevloeid. Maar dit kan een vertekend beeld opleveren, doordat de minder zichtbare kosten en ook de grote voordelen van etnische afscheiding over het hoofd worden gezien. Gedwongen migratie benadeelt in het algemeen de uitwijzende landen en beloont de ontvangende. Achter uitwijzing zit vaak de rancune van een meerderheidsgroep tegen het succes van een minderheidsgroep. Maar landen die zich ontdeden van hun Armeniërs, Duitsers, Grieken, Joden en andere geslaagde minderheden beroofden zichzelf van enige van hun getalenteerdste burgers, die met hun vaardigheden en kennis eenvoudig elders heen gingen. En op vele plaatsen kwam de triomf van het etnonationalisme neer op de overwinning van traditioneel rurale bevolkingsgroepen op meer verstedelijkte, die nu juist die vaardigheden bezitten die in een moderne industriële economie verlangd worden. Maar etnonationalisme heeft óók bewezen een bron van samenhang en stabiliteit te kunnen zijn. Je zou kunnen zeggen dat Europa sinds de Tweede Wereldoorlog zo harmonieus is geweest, niet door de mislukking van het etnonationalisme maar juist door het succes ervan, dat enkele van de belangrijkste conflicthaarden zowel in als tussen landen uit de weg heeft geruimd. Deze etnisch homogene gemeenschappen hebben bovendien blijk gegeven van grote interne solidariteit, wat de uitvoering van allerlei regeringsprogramma's heeft vergemakkelijkt, met inbegrip van binnenlandse financiële overdrachten. Toen de Zweedse sociaaldemocraten tijdens het interbellum Europa's uitgebreidste verzorgingsstaat in de steigers aan het zetten waren, stelden ze dat voor als de bouw van een folkhem, een 'huis voor het volk'. Verscheidene decennia in stevig gevestigde etnisch homogene staten hebben misschien zelfs wel de emotionele macht van het etnonationalisme verzwakt. Vele Europeanen zijn nu bereid, staan zelfs te popelen, om mee te werken aan transnationale structuren zoals de EU. Tegelijk met gedwongen etnische ontmenging in de laatste twee eeuwen is er ook etnische vermenging geweest, via vrijwillige emigratie uit arme, stagnerende naar rijkere en dynamischer gebieden. In Europa is dit voornamelijk neergekomen op migratie naar het westen en noorden, en dan vooral naar Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Dat is nog steeds zo: door recente migratie zijn er nu bijvoorbeeld een half miljoen Polen in het Verenigd Koninkrijk en 200.000 in Ierland. Maar de meest dramatische verandering in de Europese etnische balans de afgelopen decennia is het gevolg van immigratie uit Azië, Afrika en het Midden-Oosten, en de gevolgen ervan zijn niet eenduidig. Sommige groepen immigranten zijn opmerkelijk succesrijk geweest, zoals de Indiase hindoes die naar het Verenigd Koninkrijk zijn gekomen. Maar in België, Nederland, Duitsland, Frankrijk, het VK, Zweden en elders is de vooruitgang qua scholing en economisch succes van moslimimmigranten per saldo beperkter en hun culturele vervreemding groter. In welke mate het probleem te wijten is aan discriminatie, aan de culturele gewoonten van de immigranten zelf, of aan het beleid van de Europese regeringen is moeilijk uit te maken. Maar een aantal factoren, van officieel multiculturalisme over gulle verzorgingsstaten tot een gemakkelijk contact met etnische moederlanden, lijkt het mogelijk te hebben gemaakt etnische eilanden in het leven te roepen waar de aanpassing aan de omringende cultuur en economie beperkt blijft. Dat heeft als gevolg dat een aantal traditionele beleidslijnen in de Europese politiek uit het lood zijn geraakt. Links, bijvoorbeeld, heeft de neiging gehad immigratie te omhelzen in naam van egalitarisme en multiculturalisme. Maar als er inderdaad een verband is tussen etnische homogeniteit en de bereidheid van een bevolking genereuze inkomensherverdelingsprogramma's te steunen, dan zou het aanmoedigen van een heterogenere samenleving weleens kunnen uitlopen op het ondergraven van de ruimere politieke agenda van links. En sommige uitingen van Europa's culturele vrijheidsgezindheid hebben al gebotst met de culturele onverdraagzaamheid van sommige nieuwe immigrantengemeenschappen. Als moslimimmigranten zich niet aanpassen en in plaats daarvan een sterke eigen gemeenschapsidentiteit op religieuze basis ontwikkelen, dan is een mogelijk gevolg daarvan een heropleving van traditionele etnonationale identiteiten in sommige staten - of de ontwikkeling van een nieuwe Europese identiteit, ten dele gedefinieerd als een zich afzetten tegen de islam (met de wijdverbreide tegenstand tegen EU-lidmaatschap voor Turkije als mogelijke voorbode van zo'n verschuiving). Soms kan de eis tot etnische autonomie of zelfbeschikking ingewilligd worden binnen een bestaande staat. Aan de eisen van de Catalanen in Spanje, de Vlamingen in België en de Schotten in het Verenigd Koninkrijk is zo tegemoetgekomen, op zijn minst tot nu toe. Maar zulke schikkingen blijven onzeker en er dient steeds opnieuw over onderhandeld te worden. In de derde wereld, waar staten recentere scheppingen zijn en de staatsgrenzen vaak door etnische grenzen heen lopen, zijn verdere etnische ontmenging en conflicten tussen gemeenschappen dan ook waarschijnlijk. Deze betreurenswaardige realiteit leidt tot dilemma's voor pleitbezorgers van humanitaire interventie in zulke conflicten, omdat vrede stichten én in stand houden tussen groepen die elkaar zijn gaan haten en vrezen al snel duur want gestaag militair ingrijpen vereist. Als onderling geweld van gemeenschappen escaleert in etnische zuivering, is de terugkeer van grote aantallen vluchtelingen na een staakt-het-vuren bovendien vaak inefficiënt en zelfs onwenselijk, want die bereidt alleen maar de weg voor een nieuwe ronde in het conflict. Opdeling kan zo soms de humaanste duurzame oplossing voor zulke intense conflicten tussen gemeenschappen zijn. Hedendaagse sociale wetenschappers die over nationalisme schrijven leggen vaak de nadruk op de contingente elementen van een groepsidentiteit - dus in hoeverre nationaal bewustzijn cultureel en politiek geconstrueerd is door ideologen en politici - alsof het begrip 'nationalisme' zijn macht zal verliezen als je maar laat zien dat het een constructie is. Uiteraard is etnonationale identiteit nooit zo natuurlijk of onontkoombaar als nationalisten beweren. Maar het zou een vergissing zijn te denken dat nationalisme, omdat het ten dele een constructie is, dus ook broos of eindeloos kneedbaar is. Etnisch nationalisme was geen toevallige omweg in de Europese geschiedenis: het beantwoordt aan enkele bestendige neigingen van de menselijke geest die nog versterkt worden door het proces van moderne staatsvorming, het is een zeer belangrijke bron van zowel solidariteit als vijandschap, en in de een of andere vorm zal het nog vele generaties onder ons zijn. We kunnen er alleen maar bij winnen als we dat alles zonder omwegen onder ogen zien. JERRY Z. MULLER IS HOOGLERAAR GESCHIEDENIS AAN DE CATHOLIC UNIVERSITY OF AMERICA IN WASHINGTON D.C.. ZIJN RECENTSTE BOEK IS THE MIND AND THE MARKET: CAPITALISM IN MODERN EUROPEAN THOUGHT. © FOREIGN AFFAIRS. VERTALING EN BEWERKING: HERMAN JACOBS DOOR JERRY Z. MULLER