Wat te doen indien men met de volslagen redeloosheid geconfronteerd wordt? Twee recente voorvallen tonen aan dat in een democratische samenleving die de vrijheid van mening huldigt en een zekere verscheidenheid van overtuigingen niet schuwt, elk gesprek toch onmogelijk kan worden gemaakt door de volstrekt ongegronde standpunten van dwepers en fanatici. Beide gebeurtenissen deden zich voor in de Verenigde Staten, maar de problemen waarop ze betrekking hebben, bestaan ook bij ons.
...

Wat te doen indien men met de volslagen redeloosheid geconfronteerd wordt? Twee recente voorvallen tonen aan dat in een democratische samenleving die de vrijheid van mening huldigt en een zekere verscheidenheid van overtuigingen niet schuwt, elk gesprek toch onmogelijk kan worden gemaakt door de volstrekt ongegronde standpunten van dwepers en fanatici. Beide gebeurtenissen deden zich voor in de Verenigde Staten, maar de problemen waarop ze betrekking hebben, bestaan ook bij ons. In de Amerikaanse staat Kansas heeft de Onderwijsraad onlangs de evolutietheorie uit het leerprogramma van het vak biologie geschrapt. Het onderricht van de theorie wordt niet verboden, maar er mag op de middelbare scholen geen examen meer over afgenomen worden. De creationisten, die de maatregel doorgedrukt hebben, willen dat opnieuw aandacht geschonken wordt aan het scheppingsverhaal uit de bijbel, en niet slechts aan de verfoeide leer van Darwin. Ook de hedendaagse theorie over het ontstaan van het heelal, de Big Bang, vindt geen genade in hun ogen. Moderne kosmologen die beweren dat het heelal vijftien miljard jaar oud is, miskennen wat de bijbel leert en waaruit blijkt dat de wereld hooguit zesduizend jaren oud kan zijn. Het tweede voorval heeft niets met wetenschap te maken, ook niet met kunst, al vormt dat laatste precies het probleem. De burgemeester van New York dreigt ermee de subsidies van het Brooklyn Museum of Arts te schrappen omdat het museum een tentoonstelling organiseert waarop een religieus symbool besmeurd wordt met fecaliën, en verder rottend vlees en menselijke genitaliën uitgestald worden. De scheppers van deze kunstwerken zijn verontwaardigd en beweren dat de overheid de kunst censureert en hun vrijheid beknot. Als men de kranten mag geloven, staat New York op stelten.Beide incidenten hebben op het eerste gezicht weinig met elkaar gemeen; integendeel zelfs, de contrasten vallen op. Het ene betreft een terugval op een oerconservatief standpunt in een discussie die uit de negentiende eeuw stamt, en in het andere gaat het om "progressieve" artiesten die zich richten tot een publiek dat al tot de eenentwintigste eeuw gerekend wordt. Maar dat zijn oppervlakkige verschillen. Beide gebeurtenissen stemmen overeen in de flagrante redeloosheid waarmee feiten genegeerd en argumenten overbodig geacht worden. De uitdagers bepalen zelf hun gelijk, ze definiëren het, en sluiten elk afwijkend feit uit hun gedachten en hun blikveld. Om met het laatste voorval te beginnen. De makers van de tentoonstelling verwijten de overheid dat zij censuur oplegt. In werkelijkheid verbiedt de overheid niets maar voelt zij zich, in naam van de bevolking die zij vertegenwoordigt, gegriefd en wil zij voor deze tentoonstelling niet betalen. Iedereen behoudt de vrijheid uit te stallen wat hij wil, desnoods al de afval van het slachthuis, maar niet in een door de stad gesubsidieerde instelling. Dat is duidelijk genoeg, maar het belet de inrichters niet om te verkondigen dat de kunst aan banden wordt gelegd. De heibel betreft dan ook geenszins het al dan niet toegelaten zijn van een manifestatie, zoals de inrichters volhouden, maar het recht op subsidies. Of de hansworst die drollen etaleert recht heeft op overheidssteun, bepaalt hij in een democratie niet zelf. Maar ook die vraag is in dit geval absurd. De organisatoren willen met hun expositie provoceren en eisen vervolgens van de geprovoceerde dat die betaalt. Men rekent op de steun van wie men pest. Maar de pesterij houdt op een pesterij te zijn indien de gepeste het spel meespeelt. Alles wordt dan een farce. De enige mogelijkheid om terug tot redelijkheid te komen, is een farce een farce te noemen, maar dit gebeurt niet. Bloedernstig berichten de media over grensverleggende kunst en de banbliksems van het bekrompen stadsbestuur. Banbliksems ook in het deftige Kansas (en weldra wellicht in andere staten waar hetzelfde dreigt te gebeuren). Hier worden feiten koppig genegeerd, alsof zowel de menselijke rede als de zintuiglijke waarneming slechts hersenschimmen zijn.Indien de schepping van de wereld zich voltrokken zou hebben zoals de creationisten beweren, blijft niets van de hedendaagse wetenschap overeind. Niet alleen hebben de paleontologen de fossielen dan verkeerd geïnterpreteerd, en de geologen de aardlagen, maar ook leverden alle dateringsmethoden foutieve resultaten op. De moleculaire genetica is dan een waardeloze wetenschap, want zij vormt een fundament voor de neodarwinistische evolutietheorie. Ook de astronomen hebben het mis, want de afstandsbepalingen in het heelal zijn er dan ver naast. Het licht van sterren op afstanden van miljoenen lichtjaren zou ons immers nooit kunnen bereiken wanneer het heelal slechts een paar duizend jaar oud is. Of plant het licht zich sneller voort dan de natuurkundigen hebben gemeten? Zoniet, dan moet de driehoeksmeting verkeerd zijn, want op deze tak van de wiskunde steunen de afstandsbepalingen. Waarom alle wetenschapsmensen zich zo deerlijk hebben vergist en hun wetenschap in andere toepassingen toch haar degelijkheid bewijst, kan geen creationist verklaren, maar dat hoeft hij ook niet. Hij moet niets verklaren want hij poneert zijn waarheid: het heelal is zesduizend jaar oud, geen vijftien miljard. Zo staat het in Genesis en niemand hoort zo vermetel te zijn te beweren dat het anders is. Deze stelling is zo extreem onredelijk dat elk gesprek onmogelijk wordt. Geen enkel argument kan dienst doen als de feiten eenvoudig niet mogen tellen. De creationist antwoordt niet op vragen, omdat de vragen zelf hem ontgaan. Waarom zich met vragen en feiten bezighouden als men de waarheid al kent? Wat hem wellicht ook ontgaat, is dat deze verstandsverbijstering geen bedreiging vormt voor de wetenschap, maar wel een grove belediging is voor de godsdienst die van het met rede begenadigde menselijke wezen deze redeloosheid niet vraagt. Wat moet een samenleving beginnen waarvan de oudste fundamenten, de religie en de kunst, door zoveel onredelijkheid zijn aangetast? Er is geen antwoord, zolang de vraag zelf de betrokkenen ontgaat.Gerard Bodifée