Voor zijn werking is Unicef afhankelijk van de gulheid van de rijkere wereld : van regeringen en bekommerde burgers.
...

Voor zijn werking is Unicef afhankelijk van de gulheid van de rijkere wereld : van regeringen en bekommerde burgers.Unicef, het kinderfonds van de Verenigde Naties, bestaat sinds enkele maanden vijftig jaar. Onder meer de toenmalige Belgische minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak was een van de pleitbezorgers bij de oprichting van de organisatie. Toch leeft Unicef alleen bij de gratie van milde schenkers : regeringen of, gewoon, particulieren. Zo schrijft België jaarlijks een 80 miljoen frank over naar New York, maar Nederland bijvoorbeeld een veelvoud daarvan. Daarnaast zijn er in 38 landen ook zogenaamde Nationale Comités voor Unicef actief, die de goede boodschap uitdragen en van de burgers in hun land steun vragen voor het werk dat Unicef doet. Het Belgische nationale comité was in 1948 het eerste dat werd opgericht. Doorgaans komt ongeveer tweederde van de fondsen van regeringen, een derde wordt door de Natcoms zoals ze in het jargon heten aangebracht. In België is die verhouding bijna andersom. Dr. Paul Casman van het Belgisch Comité voor Unicef : ?Voor een goed begrip : wij zijn Unicef niet, wij zijn in feite een soort fanclub van Unicef die nationaal als een normale niet-gouvernementele organisatie werkt.? Het Belgisch Comité doet een beroep op ruim honderdduizend donateurs, mensen die regelmatig een bijdrage storten. Afgezien daarvan zorgt, bijvoorbeeld, ook de verkoop van de befaamde Unicef-wenskaarten voor een flinke stuiver in het bakje. Ook dat nationale comité stort het grootste deel van zijn inkomsten gewoon door naar de algemene werkingskosten van de organisatie in New York. Alleen met een deel ervan worden projecten gesteund, die in Brussel in overleg worden geselecteerd. Hoe gaat dat in zijn werk ? Waarom betaalt het Belgisch Comité uitgerekend de distributie van vitamine A in Vietnam ? Paul Casman : ?Unicef werkt met vijfjaarlijkse staten, op basis waarvan de prioriteiten van de werking in de verschillende landen worden vastgelegd. Toen we beslisten dat we iets in Vietnam wilden doen, namen we contact op met het Unicef-kantoor in Hanoi, dat ons een lijst bezorgde met projecten waarvan de kostprijs ongeveer overeenkwam met wat wij wilden investeren. Op dezelfde manier zijn we daarna bij de watervoorziening in Son La betrokken geraakt. Zo kies je zelf, maar blijf je toch altijd binnen het programma dat voor een land is vastgelegd en waarvoor het plaatselijke kantoor met zijn experts en zijn terreinkennis verantwoordelijk is.?