De vraagstelling is eenvoudig: waren de Egyptenaren in staat om zo'n vijfduizend jaar geleden miljoenen tonnen steen door de woestijn langs de Nijl te slepen voor de bouw van monumenten die zelfs vandaag nog als een huzarenstukje beschouwd worden en probleemloos als wereldwonder geclassificeerd werden? Het alternatief is dat de bouwers van de piramiden de hulp hadden van een goddelijke hand of een andere vorm van inspiratie uit de ruimte.
...

De vraagstelling is eenvoudig: waren de Egyptenaren in staat om zo'n vijfduizend jaar geleden miljoenen tonnen steen door de woestijn langs de Nijl te slepen voor de bouw van monumenten die zelfs vandaag nog als een huzarenstukje beschouwd worden en probleemloos als wereldwonder geclassificeerd werden? Het alternatief is dat de bouwers van de piramiden de hulp hadden van een goddelijke hand of een andere vorm van inspiratie uit de ruimte.De mens houdt van complotten en bovenaardse theorieën, zeker als die spannende televisie opleveren. Een kaskraker was ongetwijfeld het 'Orion-mysterie': een stelling van ene Robert Bauval (van Belgische afkomst) die beweerde dat de posities van de piramides in Gizeh een perfecte replica waren van het sterrenbeeld Orion. Hij vond nog andere astronomische aanwijzingen in de omgeving, waarmee hij berekende dat de sterrenconstellatie gereflecteerd in de posities van de piramiden zo'n 11.000 jaar voor Christus aan de hemel zou hebben gestaan - een sterrenhemel verandert voortdurend. In de piramides zouden ook schachten zitten die recht naar Orion wijzen. Later zagen doordenkers op gedetailleerde foto's van Mars vergelijkbare opstellingen van punten, wat de theorie opleverde dat zowel op Mars als op de aarde buitenaardse beschavingen hun handtekening achterlieten. Op die manier vond de ufologie haar weg naar het piramidenprobleem. De fantastische verklaringen voor eenvoudige vaststellingen stapelden zich op. Zo hadden de Egyptenaren beelden uit de keiharde steen dioriet, waarvan bouwkundigen weten dat hij heel moeilijk te bewerken is. Voor de ufologen vormen die geen probleem: de makers zouden voor de bewerking de lasers van hun ruimtetuigen gebruikt hebben. Iets minder zwevende geesten hielden het op de inzet van diamantboren uit Atlantis, dat ergens voor de Egyptische kust gelegen zou hebben. Er zijn ook mensen die geloven dat de piramides niet gebouwd zijn, maar gegoten. Zulke onbewijsbare theorieën spreken tot de verbeelding. Te weinig mensen hebben een voldoende kritische wetenschappelijke geest om dit soort wilde fantasieën als kolder te catalogiseren. Het concrete concept 'evolutie' verschaft een veel logischer inzicht in de piramidenproblematiek dan de verzinsels van minder scrupuleuze denkers.EEN BESCHAVING VOOR DE ZONDVLOEDBauval was zelf een wetenschapper: een geochemicus die onder meer voor petroleumraffinaderijen had gewerkt, en - altijd gevaarlijk - een amateurarcheoloog. Zijn basisstelling was dat de piramiden gebouwd werden door een sterk geëvolueerde Egyptische beschaving die geleefd zou hebben vóór de zondvloed, ongeveer 10.500 jaar voor Christus. De klassieke archeologie vond voor die tijd nog altijd geen aanwijzingen voor het bestaan van ontwikkelde beschavingen. Veel meer dan pijlpunten en potscherven zit er niet in het zand uit die geologische periode. Wat wij beschaving noemen, is iets dat dateert van de laatste drie- tot vierduizend jaar. Maar Bauval zag het anders. Hij lardeerde zijn hypothese met een batterij wetenschappelijke gegevens die voor ongeveer 80 procent verifieerbaar waren. Zo zou de sfinx in Gizeh tekenen van verticale verwering vertonen, die Bauval aan zware regenval toeschreef. Hij rakelde geologische en paleoklimatologische informatie op om een periode van zware regenval te beschrijven - een echte zondvloedreferentie dus. De Egyptische superbeschaving zou toen samen met de hoogontwikkelde bewoners van onder meer Atlantis van de aarde zijn weggespoeld. 'Het probleem is dat Bauval zijn 80 procent feiten aan elkaar lijmt met nogal wilde speculaties die hij plukt uit vele disciplines om van zijn theorie een logisch geheel te maken' zegt astronoom Dany Vanbeveren van de Vrije Universiteit Brussel. 'Als hij er niet uit kwam, schoof hij steevast het argument van de uitgestorven hoge beschaving naar voren. Daarmee counterde hij onder meer de opmerking dat er 10.000 jaar voor Christus nog lang geen sprake was van het schrift dat nodig was om de plannen van de piramides uit te tekenen. Maar het grote publiek maalde daar blijkbaar niet om. Zo raakten uiteindelijk bestaande feiten gekoppeld aan heel lucratieve wetenschappelijke mysteries. In zoverre dat ondertussen bijna niemand de nuchtere wetenschappers nog gelooft.' Desondanks ging Vanbeveren samen met zijn VUB-collega en bouwexpert Hugo Sol in de tegenaanval. Zij verzamelden een reeks collega's die elk in hun vakdomein de bestaande kennis over de piramiden en hun omgeving toetsten aan onder meer de beweringen van de bedenkers van het Orion-mysterie. Een vrij ontnuchterende bezigheid. Momenteel brengen de Brusselse onderzoekers hun informatie samen in een manuscript dat over enkele maanden in boekvorm moet verschijnen. En op 28 augustus stellen ze hun argumenten in het kader van Brussel 2000 voor op een studiedag in het auditorium Roger Van Geen aan de VUB. 'We willen aantonen dat de huidige wetenschappelijke kennis de Orion-hypothese op geen enkel punt steunt', zegt Vanbeveren. 'We vinden ook nergens aanwijzingen voor het bestaan van een Egyptische superbeschaving die geleefd zou hebben vóór 4000 jaar voor Christus. Over de zondvloed is in de geologische gegevens evenmin iets terug te vinden. Maar blijkbaar vindt niemand dat een probleem.' Vanbeveren en Sol beseffen dat ze moeilijk headlines zullen maken met hun werk: 'Een spectaculaire theorie slaat natuurlijk in. Als wij informatie aanbrengen waaruit blijkt dat ze niet klopt, verzeilt ons communiqué in de kranten ergens tussen de overlijdensberichten. Klassieke Egyptologen vragen zich al lang af of ze de moeite moeten doen om op deze hypothese en de manier waarop ze wordt verdedigd te reageren. Meestal doen ze de moeite niet. Maar wij vonden het toch nodig om onze informatie publiek te maken voor de kritische leek. En we reiken ideeën voor experimenten aan. Zo sluiten we niet a priori uit dat sommige vazen en beelden uit de keiharde stollingsgesteenten niet gehouwen zijn, maar geboetseerd werden uit een soort kunstgraniet. Als de Egyptenaren aan een mengeling van 95 procent dioriet- of granietgruis 5 procent klei toevoegden en een vleugje van het natron dat ze gebruikten om hun mummies te behandelen, zouden ze het materiaal hebben kunnen boetseren. De aanwezigheid van natrium in de beelden kan vrij gemakkelijk nagegaan worden. Mits er een minuscuulklein stukje voor analyse wordt opgeofferd. De Egyptenaren lijken echter niet erg bereid om dat te doen.'TWEE STERREN ALS SCHIJNWERPERSAls astronoom boog Vanbeveren zich vanzelfsprekend vooral over de analogie tussen de positie van de drie piramiden op het plateau van Gizeh en de stand van de sterren in het sterrenbeeld Orion - de basis van de Orion-hypothese. Feit is dat de piramiden niet netjes op een lijn langs de Nijl liggen, en dat een van hen tweeëneenhalve keer kleiner is dan de twee andere. De gordel van Orion bevat drie sterren in min of meer dezelfde positie, en een van de drie is ook lichtzwakker dan de andere twee. De bedenkers van de Orion-gedachte herberekenden de historische posities van de sterren in de hemel, en vonden zo naar eigen zeggen een perfecte overeenstemming tussen de positieschets van de piramiden met de stand van de sterren rond 10.500 voor Christus. Er was absoluut geen overeenkomst met de sterrenhemel rond 3500 jaar voor Christus: de 'officiële' bouwdatum van de piramiden. 'Er zit echter een reeks fundamentele fouten in de Orion-redenering', analyseert Vanbeveren. 'Zo is de kleinste piramide verhoudingsgewijs veel kleiner ten opzichte van de twee grotere dan de lichtzwakste ster in het sterrenbeeld ten opzichte van de andere sterren. Een vierde ster uit het centrum van het sterrenbeeld werd gemakshalve vergeten. Van de heel heldere buitensterren van Orion is in de woestijn geen spoor te vinden. Dat het patroon van de drie sterren alleen in spiegelbeeld overeenstemt met dat van de piramiden wordt niet vermeld. Voorts hebben wij de evolutie van de sterrenposities in Orion herberekend voor de periode waarover het debat gaat. Noch de hoek van de sterren, noch hun onderlinge afstand stemden overeen met onze berekeningen. Het verschil liep op tot een factor drie. Dat over het hoofd zien, is geen onnauwkeurigheid meer, dat is ronduit bedrog.' Het sterrenbeeld Orion valt in een droge woestijn enorm op. De helderste sterren zijn er echte schijnwerpers. 'Het is evident dat de betekenis van Orion in de tijd van de Egyptenaren groot geweest kan zijn', geeft Vanbeveren toe. 'We weten ook dat de positionele sterrenkunde vijfduizend jaar geleden zeker al bestond, hoewel de mensen waarschijnlijk niet begrepen waar ze naar keken en dus gemakkelijk een mythische betekenis aan de hemelse lichtbronnen gaven. In hun documentaire over het Orion-mysterie tonen de makers wel beelden van een dierenriem waarvan ze zeggen: die stamt uit de eerste dynastie, uit de tijd van de piramidenbouwers. Ook dat was bewuste misleiding. Orion, bijvoorbeeld, dook als naam pas op in de geschriften van de Babyloniërs en de Grieken.'EEN GEWONE CHEMISCHE VERWERINGOok geologen bogen zich over het piramidenprobleem en stelden vast dat de bouwwerken op een plateau liggen, waarop niet overal even gemakkelijk goede funderingen gelegd konden worden. De keuze van een bouwplaats had dus zeker praktische aspecten. Verder zijn vele gesteenten in de buurt getekend door de fameuze verticale verwering die volgens de stellers van de Orion-hypothese het gevolg zou zijn van de zondvloed. Ook dat is er met de haren bijgesleurd. De sfinx, die zo'n 5000 jaar geleden zou zijn gebouwd, heeft te lijden van een klassiek voorbeeld van chemische verwering, waarover studenten al in de eerste kandidatuur worden onderwezen. Het gaat om zogenaamde diaklasen: een typische vorm van chemische verwering in een droog klimaat. De minste verdamping geeft aanleiding tot de vorming van secundaire mineralen in gesteenten die daarop barsten vertonen. Een volslagen natuurlijk proces. Er zijn trouwens nog andere sfinxen te vinden in de Egyptische woestijn. Die vertonen allemaal sporen van verwering. Nauwkeurig onderzoek van een reeks sfinxen leverde trouwens het inzicht op dat de meeste gewoon natuurlijke rotsformaties waren die een sfinxachtig uiterlijk hadden, waar hier en daar wat aan werd bijgewerkt. Zo zitten in de romp van de sfinx van Gizeh alle normale lagen van gesteenten. Alleen de voeten zouden er achteraf 'voorgeschoven' zijn. Daar was geen goddelijke hand voor nodig. Wat niet wil zeggen dat de Egyptenaren klunzen eersteklas waren. Wel integendeel. Wiskundigen begrijpen nog steeds niet hoe de mensen toen de piramiden zo nauwkeurig konden bouwen met de werktuigen waarover ze beschikten. De ongelooflijk nauwkeurige afmetingen van de piramiden doen vermoeden dat de Egyptenaren rond 3000 voor Christus een vrij grondige meetkundige kennis hadden. Er zijn aanwijzingen dat ze al beschikten over sommige meettechnieken die wij vandaag nog hanteren. Egypte was toen natuurlijk een heel agrarische gemeenschap, waarbij landbouwfamilies vruchtbare percelen hadden langs de Nijl. Elk jaar trad de Nijl buiten haar oevers en vernietigde ze de perceelstructuur. Toch slaagden de Egyptenaren erin om na het terugtrekken van het water en voor het zaaiseizoen de originele verdeling weer in te voeren. Daarbij deden ze ongetwijfeld een beroep op meetkundige technieken. De Egyptenaren beschikten ook zeker over een soort 'Nijlometer' waarmee ze de waterstanden van de Nijl volgden - nog altijd een gouden gegevensschat voor de studie van klimaatsveranderingen. Tijdens de Egyptische beschaving daalde de waterspiegel van de Nijl geleidelijk. De rivier schoof ook naar het oosten op. Toen de piramiden gebouwd werden, stonden ze veel dichter bij de Nijl dan nu - nu is de rivier vanaf het piramidenplateau bijna niet te zien. Wiskundigen buigen zich nog over de vraag of de posities van de piramiden onder meer konden dienen als referentiepunt voor de herverdeling van de gronden na een overstroming. Dit in het licht van de veronderstelling dat de Nijlgrond zo vruchtbaar was dat de boeren niet te veel op hun veld moesten werken en dus 'tijd' hadden om mee te helpen bij de constructie van de piramiden.DE PIRAMIDEN WAREN GEEN MIRAKELDe bedenkers van de Orion-theorie hebben het ook over een masterplan dat aan de basis van de bouw van de piramiden zou hebben gelegen. 'Er is echter niets dat erop wijst dat voor de constructie een masterplan gebruikt werd', zegt bouwexpert Hugo Sol. 'Integendeel. Er is een heel duidelijke voorgeschiedenis met een evolutie in de bouw van piramiden. Er werd als het ware geoefend. Zo is het opvallend dat voor de drie piramiden waar het debat over gaat de middelpunten niet op dezelfde lijn liggen, maar de zuidoostelijke hoekpunten wel. We weten ook dat de piramiden in fasen werden gebouwd, en dat hun uiteindelijke grootte misschien bepaald werd door de levensduur van de farao die bouwheer was. Mogelijk daarom is de ene piramide kleiner dan de twee andere: misschien stierf zijn farao wel te vroeg.' De piramiden waren geen mirakel. Ze stonden er niet ineens, zoals de Orion-bedenkers ons voorhouden. Vanaf duizend jaar voor de bouw in Gizeh werd er her en der in de woestijn met grafconcepten geëxperimenteerd. Er werden verschillende steensoorten 'getest', de techniek van de funderingen werd zo bijgeschaafd dat ze uiteindelijk zware piramiden kon schragen, en de geometrie van de hoeken evolueerde. 'De eerste grafmonumenten waren niet meer dan tumuli: een hoop zand in piramidevorm bovenop een kuil in de grond', stelt Sol. 'De bedoeling daarvan was waarschijnlijk te voorkomen dat hyena's 's nachts de inhoud van het graf zouden oppeuzelen. Later werd de put in de grond uitgebouwd en versterkt met bakstenen van gedroogde klei. De kelder werd afgedekt met takken en daarbovenop kwam zand. Dat waaide weg, zodat er rond de zandhoop stenen muurtjes gebouwd werden die de heuvel tegen het wegstuiven van het zand moesten beschermen. Zo kwam er uiteindelijk een gebouw op de put te staan, waarvan de grootte afhing van het belang van de overledene.' Ook de grafkuilen zelf werden groter, waardoor meer zand vrijkwam voor de tumulus. De bouwers ontdekten waarschijnlijk vrij snel dat de muren aan stevigheid wonnen als ze in een trapvorm gelegd werden. Zo ontstond in de derde faraodynastie een getrapte piramide: de mastaba met zijn trapvormige muren en stompe bovenbouw. Dat was zo'n goede honderd jaar voor de bouw van de piramiden in Gizeh. 'Uit deze analyse blijkt overduidelijk dat een constructie om een graf tegen dieren te beschermen, evolueerde tot een ceremonieel element,' besluit Sol. 'Het feit dat tijdens het ritueel gebruiksvoorwerpen begraven werden werkte plundering door mensen in de hand. Daarom werden de piramiden steeds groter en hun inwendige constructie steeds ingewikkelder, zodat de schatten in het graf van diefstal gevrijwaard konden worden.'EEN STEILE HELLING VAN ZANDSamen met de constructie werd ook de bouwwijze ingewikkelder. Er kwam een overgang van het gebruik van klei naar blokken natuursteen die werden gemetseld met tafla-klei. Finaal werden de eerste experimenten met gladde piramiden uitgevoerd. In 2650 voor Christus werd in Dasjoer zo'n piramide gebouwd, maar die zakte in elkaar: de hoeken waren te scherp en de funderingen slecht gelegd. Uiteindelijk lukte het wel in Gizeh. 'De overgang van klei naar steen was fundamenteel' legt Sol uit. 'Steen kan enorme krachten weerstaan als er op alle kanten gelijk gedrukt wordt. Anders komen er breuken.' Het binnenste van de piramiden werd opgevuld met metselwerk: tachtig procent van de stenen bestaat er uit minderwaardige blokken die op elkaar gemetseld werden. Maar de buitenmantel werd opgetrokken uit vrij grote en goed afgewerkte blokken steen. De meeste stenen kwamen uit groeven in de buurt van Gizeh. 'Ongetwijfeld probeerden de bouwers daar voortdurend mooie blokken steen te houwen, maar met de werktuigen van toen hadden ze waarschijnlijk maar één volledig succesvolle steen per tien pogingen,' analyseert Sol. 'De mislukte stenen kwamen in het ruwe metselwerk van de binnenmantel terecht. De goede stenen werden afzonderlijk gehouden in een soort atelier vlakbij de piramide, waar ze verder werden afgewerkt.' Sol gaat er ook van uit dat de mislukte stenen in stukken naar boven op het bouwwerk getrokken werden en daar vastgemetseld. Het idee dat hiervoor lange smalle zandhellingen aangelegd werden langswaar de stenen naar boven werden gesleept, houdt volgens hem geen steek: 'Een piramide is een heel stabiele structuur. Een bergje zand op het strand is een bijna perfecte piramide. Alles wat daarvan afwijkt is minder stabiel. Het idee van de zeer lange zandhellingen met een steile zijwand kwam van archeologen, maar bouwkundig klopt het niet. Het zand en de steile flanken zouden zeker bezweken zijn onder de enorme files van de slepers. Zelfs als de sleephelling in een spiraalstructuur rond de piramide was gedraaid, kon het niet: er zouden ongeveer duizend mensen nodig geweest zijn om de zwaarste stenen naar boven te slepen. Zo'n stoet zou onoverkomelijke moeilijkheden ondervonden hebben bij het manoeuvreren op de spiraalvormige sleephelling.' De hypothese van een geleidelijke evolutie klinkt logisch, maar kan pas aanvaard worden als ze wetenschappelijk onderbouwd raakt. 'In de geofysica bestaan apparaten gebaseerd op reflectie van ultrasone golven waarmee men binnenin grote structuren kan kijken zonder schade aan te richten', weet Sol. 'Het zou interessant zijn om met zulke technieken de binnenkant van de piramiden te bekijken. Computersimulaties tonen aan dat de piramiden de neiging zouden vertonen om uit elkaar te vallen als ze volledig uit volle stenen bestaan. Dat zou gecontroleerd kunnen worden. Maar het is ook hier allesbehalve eenvoudig om van de Egyptische autoriteiten de toestemming te krijgen om zulke experimenten te doen. Het gaat hier om structuren die elk jaar meer dan een miljoen toeristen aantrekken. Een beetje mysterie kan blijkbaar geen kwaad voor deze handel. Of de wetenschap daarmee gediend is, dat is een andere vraag.'Voor meer inlichtingen: Dany Vanbeveren (02/629.34.59, dvbevereoevub.ac.be) of Hugo Sol (02/629.29.61, hugosoevub.ac.be). Ook op de website http://homepages.vub.ac.be/-wvanrens/piramide-kosmos/.Dirk Draulans