Al jaren probeert de Internationale Wielerunie UCI het veldrijden nieuw leven in te blazen. In het kleine wereldje van het veldrijden was het Vlaamse overwicht zo groot dat renners uit andere landen nauwelijks nog aan de bak kwamen. Iedere topwedstrijd groeide uit tot een Vlaams onderonsje waar alleen af en toe een Nederlander zich kon tussenwringen. Op termijn dreigde het veldrijden zo een stille dood te sterven. Uit de andere landen stroomde er geen talent meer door: Tsjechen, Polen, Italianen, Spanjaarden en Zwitsers maakten pas op de plaats en werden niet meer gesteund door hun respectieve federaties, die de bondskas niet wilden openen voor een paar dilettanten die nergens aan de bak kwamen. Juist om de federaties opnieuw te stimuleren, vroeg UCI-voorzitter Hein Verbruggen de veldritcommissie om maatregelen te nemen en naar nieuwe horizonten te zoeken.
...

Al jaren probeert de Internationale Wielerunie UCI het veldrijden nieuw leven in te blazen. In het kleine wereldje van het veldrijden was het Vlaamse overwicht zo groot dat renners uit andere landen nauwelijks nog aan de bak kwamen. Iedere topwedstrijd groeide uit tot een Vlaams onderonsje waar alleen af en toe een Nederlander zich kon tussenwringen. Op termijn dreigde het veldrijden zo een stille dood te sterven. Uit de andere landen stroomde er geen talent meer door: Tsjechen, Polen, Italianen, Spanjaarden en Zwitsers maakten pas op de plaats en werden niet meer gesteund door hun respectieve federaties, die de bondskas niet wilden openen voor een paar dilettanten die nergens aan de bak kwamen. Juist om de federaties opnieuw te stimuleren, vroeg UCI-voorzitter Hein Verbruggen de veldritcommissie om maatregelen te nemen en naar nieuwe horizonten te zoeken. Sinds 2001 zit een vrouw die commissie voor: de Duitse Sylvia Schenk, die toen Laurent De Backer, de voorzitter van de Belgische wielerbond, heeft opgevolgd. Schenk (52) deed ooit aan atletiek, liep in 1972 de 800 meter op de Olympische Spelen van München en was drie jaar lang voorzitter van de Duitse wielerfederatie. Daar liet de juriste niet over zich heen lopen: ze probeerde het logge apparaat te herstructureren en te moderniseren. Dat werd in het conservatieve bolwerk niet echt op applaus onthaald. Na een dopingaffaire waarover ze onvoldoende was geïnformeerd, stapte ze deze zomer na afloop van de Olympische Spelen van Athene op. Sindsdien gooit ze zich helemaal op het veldrijden. Ze leidt haar commissie kordaat en hervormde dit seizoen onder meer de Wereldbeker, die nu meer dan ooit als een rode draad door de winter loopt. Sylvia Schenk is meer een functionaris dan een vrouw van het veld. Ze praat liever over de op stapel staande ideeën dan over de kwaliteiten van Sven Nys, ze staat liever stil bij de manier waarop deze sport gepromoot moet worden dan bij de infantiele maatregelen waarmee een aantal UCI-commissarissen zich dit seizoen belachelijk hebben gemaakt. En ze ziet het als een absolute uitdaging om het veldrijden meer internationale allure te geven. Het is het steeds weerkerend thema in haar betoog, op een zachte zaterdag in Mol, bij het Zilvermeer, waar de zogenaamde Masters, de hogere leeftijdscategorieen, in hun veldritdisciplines om de regenboogtrui streden. Sylvia Schenk: 'Sport heeft me altijd geboeid. Eerst als halvefondloopster, later in de gemeentepolitiek in Frankfurt waar ik me bezighield met sport. Men heeft me dan gevraagd om de Ronde van Hessen qua bezetting en uitstraling op een hoger niveau te tillen. Van daaruit ben ik redelijk snel voorzitter van de Duitse wielerbond geworden. Eerder was ik dankzij Hein Verbruggen, die per se een vrouw in het bestuur wilde, al lid geworden van het directiecomité van de UCI.'SYLVIA SCHENK: Zo zou je het kunnen zeggen. SCHENK: Aanvankelijk viel dat wel mee. Ik werd gerespecteerd omdat ik uit de sport kwam. Maar na een tijdje hadden sommigen toch wat problemen met mij. Er werd me op een gegeven moment gezegd dat ik me maar beter kon aanpassen dan tegen iedereen op te boksen. Maar ik ben geen vrouw die altijd knikt. Ik wilde proberen om binnen de federatie een nieuwe structuur op poten te zetten en een aantal zaken te professionaliseren, zodat er sneller en efficiënter gewerkt kon worden. Dat kwam niet bij iedereen goed aan. En dat zorgde dan weer voor spanningen. Uiteindelijk heb ik na drie jaar zelf ontslag genomen, al had dat een heel andere reden. Vorige zomer werd een renner ervan verdacht epo te hebben genomen. Daarover werd ik niet geïnformeerd: de renner werd gewoon geselecteerd voor de Olympische Spelen in Athene. Er werd ook niets gedaan om die zaak verder uit te spitten. Dat vond ik niet kunnen. Maar de andere bestuursleden dachten daar anders over. SCHENK: Uit tests vielen bepaalde conclusies te trekken. Zijn bloedwaarden lagen net onder de dopinggrens, maar als je alle schommelingen van de voorbije twee, drie jaar analyseerde, was er in de grafieken een duidelijke verdenking op het gebruik van epo. Dat kun je als federatie niet naast je neerleggen. Maar in plaats daarvan werd ik niet eens ingelicht. Ik heb ten aanzien van doping altijd een heel duidelijke koers gevolgd. We staken heel veel tijd en energie in de opleiding van jonge renners, we hebben hen duidelijk gemaakt welke mogelijkheden er zijn om de prestatie te verhogen zonder naar verboden middelen te grijpen. Door gericht te trainen of door een aangepaste voeding bijvoorbeeld. We verrichtten preventieve arbeid voor een dopingvrije sport. Daarom kon ik wat er gebeurd was niet accepteren. Maar ik stond met mijn mening wel alleen. SCHENK: Ik had geen andere keus: je mag je eigen opvattingen niet verloochenen om je positie te behouden. SCHENK: Ik heb alleen de situatie geschetst. Namelijk dat Ullrich op dat moment niet in competitie was en er in de nabije toekomst voor hem nog geen wedstrijden geprogrammeerd stonden. Dat neemt niet weg dat hij volgens het reglement bestraft moest worden. Dat is ook gebeurd. Ik heb het overigens altijd raar gevonden dat Ullrich zo werd bekritiseerd, dat er constant werd geroepen dat hij veel te weinig uit zijn kwaliteiten haalde. Steeds weer hoorde je dat Ullrich even hard moest trainen als Lance Armstrong. Terwijl ik denk: als je hem volgens dat regime laat leven, dan presteert hij misschien helemaal niet meer. Je moet de manier waarop hij voor zijn vak leeft gewoon accepteren. En blij zijn met de vijf tweede plaatsen die hij in de Tour behaalde, in plaats van te mekkeren over het feit dat hij die Ronde van Frankrijk maar één keer heeft gewonnen. SCHENK: Verbruggen vroeg mij om het veldrijden te internationaliseren. Eerst heb ik de bestaande situatie bestudeerd. Wij hebben de grondstructuur wat veranderd, de kalender aangepast en geluisterd naar wat er bij de renners leefde. Daarna zijn we met de hervormingen begonnen. Vanuit de gedachte dat het veldrijden de afgelopen jaren te veel op Vlaanderen was geconcentreerd, dat de deelnemers uit andere landen ieder jaar afnamen. De vraag was: hoe kan deze discipline zich verder ontwikkelen, wat moeten we doen om dat kleine wereldje weer open te trekken? Hein Verbruggen drong erop aan om alles zo snel mogelijk te veranderen. Ik had wat meer tijd willen nemen, omdat ik liever eerst over een aantal dingen discussieer en overleg pleeg, om pas dan tot een concept te komen. Maar Verbruggen wilde er spoed achter zetten. SCHENK: Het is toch tot een succes uitgegroeid. In sommige wedstrijden stonden er renners uit zestien landen aan de start. Trouwens, aan het wereldkampioenschap in Sankt-Wendel (in Duitsland, nvdr) nemen twintig naties deel, meer dan ooit te voren. Dat is een goeie zaak voor de sport. Want hoe je het ook wendt of keert: voor de evolutie van het veldrijden was het een slechte zaak dat België zo domineerde. Nu komt het erop aan dat de andere landen ook goede veldrijders opleiden. De Belgen hebben dit seizoen aanvankelijk minder gewonnen, maar dat is niet meteen het gevolg van de hervormingen. SCHENK: Daar moet aan gewerkt worden. Indien je alles op zijn beloop had gelaten, dan zouden er over een paar jaar alleen nog in België wedstrijden georganiseerd worden. Of beter: in Vlaanderen. Daarom hebben we de wedstrijden voor de Wereldbeker ook zo veel punten gegeven. Daar is veel kritiek op geweest, bijvoorbeeld over het feit dat er in een veldrit voor de Wereldbeker vijf keer zoveel UCI-punten te verdienen vallen als in een wedstrijd voor de Superprestige. Maar wat was de bedoeling van dit evenement? Dat de beste renners starten, dat de Belgen ook verplicht worden naar het buitenland te trekken om daar door hun aanwezigheid het niveau van de wedstrijd op te trekken. Dat kan deze discipline toch alleen maar ten goede komen? In feite is dat ons uitgangspunt: in zoveel mogelijk landen topwedstrijden organiseren met toprenners. SCHENK: Inderdaad, het veldrijden leeft daar. Aan de Wereldbeker namen dit seizoen trouwens verschillende Amerikanen deel. En renners uit Zimbabwe. Wie weet welke mogelijkheden er nog in Afrika liggen. We moeten met deze sport trouwens dringend naar andere continenten. Zo verhoog je de uitstraling. En dan kun je ook kijken: hoe reageren de media daarop? Meer bepaald de televisie. Het WK wordt bijvoorbeeld volgende zondag door het eerste Duitse televisienet uitgezonden. In een schakelprogramma met een biatlonwedstrijd. Dat is een grote stap in de goede richting. Zo trek je op termijn ook sponsors over de streep. Ik vind het veldrijden trouwens een echte televisiesport. Je weet dat het een uur duurt en alles kan perfect in beeld worden gebracht. Ik ken trouwens weinig sporten die je zo van dichtbij kan beleven als het veldrijden, dat vind ik er ook zo boeiend aan. En je bent altijd in de natuur en ontdekt nieuwe plekjes. Ik ben altijd een natuurmens geweest: ik nam vroeger in de winter graag aan veldlopen deel. Als je hier dit parcours in Mol ziet, dan herleef en heradem je toch. SCHENK: (verbaasd) Is dat zo? SCHENK: Het punt is natuurlijk: de renners moeten geregeld naar het buitenland. Dat zorgt voor bijkomende vermoeidheid. Voor de Belgen is het wellicht veel minder belastend om drie dagen na elkaar in eigen land te rijden. Alleen help je daarmee deze sport niet vooruit. SCHENK: (diplomatisch) Je hoeft natuurlijk niet alle wedstrijden te rijden. Al begrijp ik dat ze dat wel doen. Zeker in de eindejaarsperiode, waarin het voetbal stilligt en alle aandacht naar het veldrijden gaat. SCHENK: Ik ben daar geen voorstander van. Een veldrit in maart heeft geen zin, dan kijkt iedereen naar het wegseizoen. En in augustus starten heeft ook geen nut, de concurrentie met de weg kun je nooit winnen. SCHENK: Zoals gezegd: stap voor stap het veldrijden internationaliseren. We moeten in de toekomst wel overleg plegen met de organisatoren van de Wereldbeker, want die beklagen zich erover dat hun wedstrijden te duur worden. Het prijzen- en startgeld is niet gering, de sponsors verminderen, als UCI kun je het niet laten gebeuren dat de inrichters niet uit de kosten komen. Anderzijds hebben we juist het startgeld zo hoog opgetrokken omdat de Belgische renners niet in een gat zouden vallen. SCHENK: Wat bedoelt u? SCHENK: Ik heb daar iets over gehoord, maar ik was er niet bij, ik kan daar geen oordeel over geven. Ik weet alleen dat we over uitstekende en geëngageerde commissarissen beschikken. Waarmee we trouwens elk jaar vergaderen. Er wordt dan geluisterd naar hun op- en aanmerkingen. En eventueel bijgestuurd. We besteden ook veel tijd aan de opleiding van de commissarissen. SCHENK: Dat heb ik niet helemaal mitgekriegt. SCHENK: Ik heb gehoord dat er een jonge renner is gestorven. Dat de commissarissen niet hebben ingegrepen? Ik ken de details niet, dus kan ik geen standpunt innemen. Maar als een wedstrijd moet worden afgebroken, dan is het ook de organisator die daarover beslist. SCHENK: Het zou gemeen van me zijn om zoiets te zeggen. Van de andere kant: het zou natuurlijk wel een signaal zijn. Een aansporing voor de andere landen, maar ook voor de Belgische veldrijders om hun ambitie nog meer aan te wakkeren en het jaar daarop eventueel revanche te nemen. Door Jacques Sys