Copyright Knack/Newsweek. Vertaald en bewerkt door Hubert van Humbeeck.
...

Copyright Knack/Newsweek. Vertaald en bewerkt door Hubert van Humbeeck.De straten van Amriyah zijn vrijwel verlaten. De inwoners van het stadje, zo'n vijftig kilometer ten oosten van Bagdad, zoeken in de brandende middagzon de schaduw van hun huizen op. Slogans voor Saddam Hoessein verbleken op de afgebladderde betonnen muren in de wijk. Op de eerste verdieping van een onopvallend huis wachten drie Irakese strijders, die akkoord gingen met een gesprek. Ze komen te voorschijn uit een achterkamer, gewapend met AK-47 machinegeweren en granaten. Ze verbergen hun gezicht achter rood-wit geblokte kaffiya's en gaan zitten om over de oorlog tegen Amerika te praten. Hun groep heeft ook een naam: het Leger van Mohammed. Ze eisen de verantwoordelijkheid op voor de dood van ten minste vijftien Amerikaanse soldaten sinds de val van Saddam Hoessein. 'We hebben Amerikanen gedood en een stuk of wat van hun voertuigen vernietigd', zegt de man die duidelijk de leiding heeft van de drie. Hij noemt zichzelf Mohammed al-Rawi. 'En we zullen het opnieuw doen.'Dergelijke dreigementen baren de autoriteiten in Bagdad meer zorgen dan ze willen toegeven. 'Er is vooruitgang merkbaar', zei president George W. Bush op de honderdste dag na de val van het regime. 'Irak is veiliger.' Toch werden er in die honderd dagen 56 Amerikanen gedood en ruim 400 anderen min of meer zwaargewond. Niets wijst erop dat het aantal aanvallen op de troepen van de coalitie snel zal verminderen. Integendeel. Het verzet lijkt slimmer te worden, en beter georganiseerd. Amerikanen in Bagdad schatten het aantal verzetsstrijders op 'duizenden'. Ze geven toe dat de acties zeker op een regionaal niveau worden gecoördineerd - als er al geen nationale organisatie actief is. Zonder zware militaire escorte wagen de Amerikanen zich niet meer buiten de stad. De heropbouw van de kapotgebombardeerde infrastructuur kwakkelt. Zelfs het Rode Kruis beperkt zijn operaties uit angst voor hinderlagen. Een bijzonder bloedige aanval tegen de Jordaanse ambassade in Bagdad doodde negentien mensen - niemand weet wie de bom liet ontploffen of waarom. Het Leger van Mohammed is maar één van de diverse clandestiene groepen die na de val van Saddam Hoessein plotseling opdoken. Eerst was de groep alleen bekend van wat pamfletten, die werden verspreid rond de moskee in Bagdad waar Saddam op 9 april voor het laatst in het openbaar is gezien. Daarna verscheen de naam op muren in het Saddam-bastion Tikrit. Leden van het Leger van Mohammed eisen de verantwoordelijkheid op van verschillende aanslagen tegen troepen van de coalitie. Als wat ze beweren ook waar is, vormen ze de gevaarlijkste verzetsgroep die nu in Irak actief is. Maar de Amerikanen zijn niet zeker. Het Leger van Mohammed is onderwerp van debat onder inlichtingendiensten. Er zijn er die denken dat de groep als dusdanig zelfs niet bestaat. Nieuwsgierig naar de bron van de anti-Amerikaanse agitatie in Irak zocht het weekblad Newsweek via een tussenpersoon contact met een verzetsgroep. Die arrangeerde een ontmoeting met Mohammed al-Rawi (40) en twee van zijn kompanen, Ali Saadi (32) en Kadim Baghdadi (34). De drie droegen verboden wapens - op straat zouden ze door Amerikaanse soldaten op staande voet zijn aangehouden en bij verzet doodgeschoten. Ze leken goed georganiseerd. De ontmoeting vond plaats op een door hen gekozen plek en ze arriveerden en vertrokken precies op het afgesproken moment. Ze zeggen dat ze vijfduizend gewapende strijders op de been kunnen brengen en dat ze over een gecentraliseerde commandostructuur beschikken, die zich in het westen uitstrekt tot Ramadi, in het noorden tot Tikrit en in het oosten tot Bagdad. Er is geen enkele manier waarop die informatie kan worden nagetrokken. Het drietal weigerde ook om over specifieke aanvallen te praten die ze zouden hebben uitgevoerd, zogezegd om de operationele veiligheid van hun organisatie te beschermen. Volgens Baghdadi rekruteerde het Leger van Mohammed eerst onder de woestijnstammen. Veel mannen daar dienden tevoren in het Irakese leger en zijn het van kindsbeen af gewoon om met vuurwapens om te gaan. 'De meeste van de jonge mensen daar zijn goed getraind.' Een keerpunt was, zo blijkt, de dag dat Amerikaanse soldaten dertien Irakezen doodschoten bij een manifestatie tegen de bezetting in de stad Faluja. 'De stammen staan altijd met elkaar in contact. Zo vonden we elkaar. We kwamen eerst in kleine cellen bij elkaar, in boerderijen ver van de steden. En we begonnen te praten. De conclusie was simpel: we moesten het land bevrijden.'Het Irakese verzet neemt de gouden raad van de Chinees Mao Zedong ter harte: beweeg onder de mensen zoals een vis in het water. Ze vallen niet op en leven onder de mensen, van wie ze steun krijgen en bescherming. Dat maakt het voor de Amerikanen des te moeilijker om ze te vinden en uit te schakelen. Als de groep al blijk geeft van enige ideologische gedrevenheid, dan is het een mengeling van stug nationalisme, religieus fanatisme en anti-joodse kwezelarij. Dat was ook zo ongeveer het recept dat Saddam gebruikte als hij de massa op de been wou brengen. De drie zeggen dat ze de terugkeer van Saddam niet wensen. 'We willen een nieuwe regering, zonder Saddam maar wel zo ongeveer in dezelfde stijl', zegt er een. Dat betekent dat het toch om soldaten kan gaan die Saddam trouw zijn gebleven, maar dat niet gezegd willen hebben, om ook acceptabel te zijn voor Irakezen die de dictator minder goed gezind zijn. Belangrijker is de haat die ze voor Amerika voelen. Al-Rawi heeft een voorbereide verklaring mee, die hij voorleest: 'De Amerikanen bezetten het land onder valse voorwendsels, en zonder internationale goedkeuring. Ze doden onze vrouwen, kinderen en oude mannen. Ze willen de joden naar ons heilige land brengen, om Irak te controleren en de oude joodse droom te verwezenlijken.' Hij besluit met een oproep van wraak tegen de Amerikanen. 'We zullen hun tanks doen branden. Ze zullen sterven.'De drie zeggen dat ze alles doen om de dag waarop dat gebeurt snel dichterbij te brengen. Ze zeggen dat hun groep vlug uitgroeit tot een breed netwerk. De week voor het gesprek, trokken drie andere leden van de groep naar de zuidelijke stad Al Kut om er een voorraad wapens en munitie op te slaan. Volgens een voormalige officier van de Irakese inlichtingendienst verplaatsten ze zich tijdens de bijna 250 kilometer lange tocht in een vrachtwagen die er uitzag als een grote ijscowagen, met het woord FREZO op de flanken geschilderd. De voormalige inlichtingenofficier trad op als tussenpersoon met de wapenverkopers. Zoals in de meeste steden in het zuiden van Irak bleef het ook in het overwegend sjiitische Al Kut de voorbije weken behoorlijk rustig - de jongens van het Leger van Mohammed stammen uit het vooral soennitische noorden van het land. De bevolking in het zuiden is geneigd om met de Amerikanen samen te werken. Maar in een wooncomplex net buiten de stad bloeit een wapenhandel. De gewezen officier vertelt hoe hij en zijn gezellen van huis tot huis werden geleid, overal thee aangeboden kregen en een keuze uit het beschikbare wapengerief. Er waren koopjes te doen. Granaatwerpers stonden er nauwelijks 70 dollar geprijsd. Handgranaten veranderden voor anderhalve dollar het stuk van eigenaar. Zijn gezellen betaalden voor hun aankopen met bundels kraaknieuw Irakees geld en ze sloegen dozen granaten, munitie en pistolen in. Ze stopten alles onder het ijs, zetten de koelinstallatie aan en reden terug naar huis. Ze zorgden er daarbij wel voor dat ze een eind uit de buurt van Bagdad bleven, met zijn vele Amerikaanse controleposten. Ze vertelden de inlichtingenofficier dat ze bij andere gelegenheden vaak in konvooi rijden: auto's voor en achter de vrachtwagen met wapengerief kijken uit voor Amerikaanse patrouilles en lokken die in geval van nood weg van het transport. Mohammed al-Rawi zegt dat de aanslagen die de groep pleegt, een voortdurende aanvoer van munitie noodzakelijk maken. Een week voor het gesprek hebben ze een mortiergranaat afgeschoten op een Amerikaans konvooi, nauwelijks tien minuten vandaan van de plek waar het gesprek plaatsvindt. Een transportvoertuig ging toen in de vlammen op. Langs de weg is nog altijd duidelijk te zien, waar de aanval plaats heeft gehad. Het was, volgens het drietal, maar één van de vele aanvallen van hun groep op Amerikaanse soldaten in de omgeving van Faluja en in de buurt van de luchthaven van Bagdad. Ze maken daarbij ook regelmatig gebruik van explosieven, die van op een afstand tot ontploffing worden gebracht. Altijd in de vroege ochtend of kort na zonsondergang. De drie strijders beschrijven hoe de groep over een eenvoudig, maar efficiënt communicatiesysteem beschikt om de acties te coördineren. 'Er is een centraal commando en we hebben elke dag contact', zegt al-Rawi. De leider van de organisatie is een man die ze 'een hoge officier' noemen, 'die weet wat vechten is'. Koeriers dragen zijn handgeschreven instructies rond. Vaak bevatten die berichten de opdracht om specifieke doelwitten aan te vallen, of de manier om dat te doen. Volgens al-Rawi beschikt de groep ook over speciale eenheden, die Amerikaanse doelwitten verkennen. De drie zeggen ook dat ze elke dag oefenen met hun wapens en dat ze veteranen zijn uit het leger van Saddam. Ze zijn ook alledrie leden van dezelfde clan van de Dulaimi-stam, die in het begin van de oorlog per vergissing door de Amerikanen werd aangevallen. De strijders zeggen dat hun groep geen behoefte heeft aan nieuwe rekruten. Ze verzekeren dat al hun buren om wapens smeken om tegen de Amerikanen te kunnen vechten. Het Amerikaanse leger rekent ondertussen op de hulp van gewone Irakezen om het verzet te breken. Wie die slag om het hart van Irak wint, zal uiteindelijk ook de oorlog winnen. De uitslag blijft onzeker. Amerikaanse troepen trokken zich onlangs helemaal terug uit de stad Faluja, omdat de voortdurende aanvallen te zwaar wogen. Het Leger van Mohammed en de andere verzetsgroepen willen die overwinning nu elders herhalen. Ze weten hoe ze de Amerikanen kunnen treffen en snel wegkomen, voor die wild in alle richtingen beginnen te schieten. Ze winnen daarbij altijd. Ze ondermijnen het moreel van de Amerikaanse soldaten, en elke Amerikaanse tegenaanval vergroot weer de haat van de bevolking tegen de vreemdelingen. Die haat komt overigens van twee kanten. 'Te veel van onze soldaten beginnen de Irakezen echt te haten', weet een hogere ambtenaar van het Amerikaanse ministerie van Defensie, die zijn naam liever niet in de krant ziet. Het lijkt erop dat de strijders zich open en bloot in Amriyah kunnen bewegen, zonder dat ze het risico lopen dat hun aanwezigheid aan de Amerikanen wordt gesignaleerd. Het huis waar het gesprek plaatsvond, staat in de buurt van een voormalige wapenfabriek. Amerikaanse patrouilles komen regelmatig vlak in de buurt. Mohammed al-Rawi bekijkt het allemaal rustig. 'We zullen ze hier begraven', herhaalt hij. De Verenigde Staten zijn nog niet klaar in Irak. 'Beweeg onder de mensen als een vis in het water.'