Slapen en rusten. Die activiteiten nemen veruit de grootste hap uit onze tijd. Belgen liggen maar liefst 37 procent van de week in bed of meer dan negen uur per nacht. Slaappsychologen mogen dan geregeld aandacht vragen voor toenemend slaaptekort - dat tekort blijkt alvast niet uit de resultaten die de TOR-onderzoeksgroep van de Vrije Universiteit Brussel deze week voorstelt.
...

Slapen en rusten. Die activiteiten nemen veruit de grootste hap uit onze tijd. Belgen liggen maar liefst 37 procent van de week in bed of meer dan negen uur per nacht. Slaappsychologen mogen dan geregeld aandacht vragen voor toenemend slaaptekort - dat tekort blijkt alvast niet uit de resultaten die de TOR-onderzoeksgroep van de Vrije Universiteit Brussel deze week voorstelt. Wat meer is: als je onze slaapuren optelt bij de tijd die we uittrekken voor persoonlijke verzorging en eten en drinken, dan zijn we, aldus de onderzoekers, bijna de helft van de tijd (47 procent) bezig met activiteiten 'die rechtstreeks verband houden met de reproductie van ons lichaam'. Onze zogeheten productieve tijd daarentegen (de tijd besteed aan betaald werk, huishoudelijk werk, kinderzorg, opvoeding en opleiding), bedraagt met ongeveer 39 uur per week nauwelijks een kwart van ons wekelijkse tijdsbudget. Dat en veel meer is terug te vinden in de VUB-analyse van het grootschalige Belgische tijdsbestedingsonderzoek uit 2005. Aan 6400 Belgen vanaf 12 jaar uit 3474 huishoudens werd toen gevraagd gedurende één weekdag en één weekenddag hun tijdsbesteding nauwgezet in een dagboekje bij te houden. De verwerkte gegevens kunnen nu vergeleken worden met een soortgelijk onderzoek uit 1999, en vooral met een schat aan cijfers uit 1966. De verschuivingen qua tijdsbesteding tussen 1999 en 2005 zijn in feite minimaal. Maar het tegenovergestelde zou dan ook verontrustend zijn, vertelt hoogleraar sociologie Ignace Glorieux van de TOR-onderzoeksgroep. 'Tijdsbestedingspatronen zijn immers vrij stabiel. Je moet al een heel lange termijn kunnen overzien om trends waar te nemen. Vandaar de grote waarde ook van het tijdsbestedingsonderzoek uit 1966.' De vergelijking met 1966 leert bijvoorbeeld dat de tijd nodig voor onze verplaatsingen anno 2005 haast verdubbeld is, zeker bij vrouwen. 'We zien het mobiliteitsprobleem ontstaan', schrijven de onderzoekers. 'Mannen zijn in 2005 per week 3,5 uur langer onderweg dan in 1966, vrouwen ruim 5 uur langer - een verdubbeling tegenover 1966.' Dat laatste is uiteraard een goede indicatie van de toegenomen participatie van vrouwen aan het publieke leven. Maar uit de werkverdeling tussen mannen en vrouwen zoals die in het onderzoek naar voren komt, blijkt toch vooral hoe diepgeworteld het traditionele rollenpatroon nog is. Vrouwen tussen 19 en 65 besteden per week maar liefst 10 uur meer aan huishoudelijk werk en 2 uur meer aan zorg voor de kinderen dan mannen - ook al is de bijdrage van mannen aan het huishouden tegenover 1966 best wel toegenomen. Over het algemeen geldt wel dat de totale werklast van mannen en vrouwen de voorbije veertig jaar sterk gedaald is. Bedroeg die werklast - de tijd gespendeerd aan betaald werk, huishoudelijk werk, kinderzorg en opvoeding - in 1966 nog circa 51 uur voor mannen en 55 uur voor vrouwen, dan is die in 2005 gezakt tot 40 uur voor mannen en 42 uur voor vrouwen. 'Mannen en vrouwen zijn er qua werklast dus allebei op vooruitgegaan,' zegt onderzoeker Ignace Glorieux, 'maar de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen is, zeker proportioneel gezien, nauwelijks afgenomen'. En het wordt er bepaald niet beter op als je ook het aantal uren vrije tijd in aanmerking neemt. In 1966 hebben mannen drie uur meer vrije tijd dan vrouwen, in 2005 is dat al zes uur meer. Klachten over de dagelijkse drukte klinken velen van ons vertrouwd in de oren, maar in het leven van de gemiddelde Belg (van 12 tot 99 jaar) neemt werken slechts 8,6 procent van de tijd in beslag. Waar komen die klachten en daaraan gelieerde stressgevoelens dan vandaan? Een en ander heeft ermee te maken, zo laten de cijfers zien, dat het toppunt van onze bedrijvigheid zich concentreert in de relatief korte levensfase van 25 tot 55 jaar. 'In deze levensfase neemt betaalde arbeid 11 procent of meer van onze tijd in beslag,' aldus de onderzoekers, 'en de absolute piek vinden we tussen 37 en 43 jaar. Dan wordt het hardst gewerkt en gaat ongeveer 17 procent van de tijd naar betaald werk.' Niet alleen op het werk hebben we het dan drukker. De onderzoekers spreken van de jaren 'waarin alles samenkomt': carrière maken, een gezin stichten, een sociaal netwerk uitbouwen. Een hele klus om dat allemaal te combineren, zeker gezien de hoge verwachtingen die veel mensen in al die domeinen koesteren. Vooral mensen met kleine kinderen leveren in op slaap en vrije tijd. Kinderen onder de zeven jaar zijn immers goed voor maar liefst 15 uur extra huishoudelijk werk en zorg per week. Het mag niet verbazen dat vrouwen in deze levensfase de hoogste tol betalen. Gemiddeld ligt de totale werklast van vrouwen drie uur hoger dan die van mannen. 'Vrouwen werken weliswaar minder uren in loonverband dan mannen, maar ze dragen een dubbele verantwoordelijkheid, zowel op het werk als thuis', zegt socioloog Ignace Glorieux. Maar ze worden daar niet voor beloond, wel integendeel. De jaren waarin op de werkvloer beslissende promoties worden uitgedeeld, vallen namelijk samen met het moment waarop veel vrouwen, noodgedwongen of uit vrije wil, een stapje terugzetten. 'Vrouwen die twee keer zwanger worden, missen in vergelijking met hun collega's kansen die het verdere verloop van hun carrière blijvend bepalen', aldus Glorieux. 'Daar wordt vaak erg lichtzinnig over gedaan, terwijl het fundamenteel onrechtvaardig is', vindt de socioloog. Tegenover 1999 werken vrouwen wel een dik uur minder in het huishouden en doen mannen een tikkeltje meer. Zou het dan toch de goede kant uitgaan? De onderzoekers van de VUB bekeken ook onze collectieve levensritmes: wanneer slapen, werken of eten we. Het blijkt dat we echte kuddedieren zijn en dat de vaak aangehaalde 24 urensamenleving vooralsnog een fabeltje is. 'Die bestaat eigenlijk alleen in de hoofden van de mensen', zegt onderzoeker Joeri Minnen. 'Want om elf uur 's avonds ligt een op de twee Belgen in bed en om middernacht is dat al vier op de vijf.' Tegenover 1966 gaan we - met z'n allen, dat spreekt - een uurtje later slapen, maar we staan ook een uurtje later op. Voor het overige zijn we vandaag nog even televisieverslaafd als toen. In 1966 zat de helft van de bevolking 's avonds voor de buis en dat geldt ook in 2005. Het televisiegebruik is de laatste jaren zelfs nog toegenomen. Overigens kijkt de Belg per dag gemiddeld 2,5 uur televisie, meer dan de helft van zijn dagelijkse vrije tijd. De resultaten van al deze tijdsbestedingsonderzoeken zijn vanaf deze week terug te vinden op een nieuwe website. Daar wordt ook ingegaan op de verschillen qua tijdsindeling tussen Vlamingen, Walen en Brusselaars. Op het eerste gezicht lijken de cijfers de clichés van de hardwerkende Vlaming en de luie Waal te bevestigen. Maar na statistische correctie, rekening houdend met parameters als leeftijd, opleidingsniveau en de situatie op de arbeidsmarkt, kunnen die clichés de toets der kritiek niet doorstaan. Een werkende Vlaming en een werkende Waal staan nagenoeg even lang op de werkvloer. Wel conform het cliché is dat Walen en Brusselaars langer tafelen. Maar in tegenstelling tot het beeld van de levensgenietende Waal, blijken Vlamingen meer tijd te stoppen in sociale contacten. Tot slot nog dit: wie in Brussel woont, kan het langst uitslapen. U KUNT DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK RAADPLEGEN EN ZELF NAAR HARTEnLUST TABELLEN SAMENSTELLEN OP www.time-use.beDOOR HAN RENARD