Martin Reints is een dichter die in zijn bundels "Waar ze komt daar is ze" (1981) en "Lichaam en ziel" (1992) al heen en weer pendelde tussen het beschouwende en het beschrijvende. In zijn essaybundel "Nacht- en dagwerk" is dat niet anders. Met een bijna wetenschappelijke drang naar inzicht verkent hij op een nauwkeurige manier de poëzie, maar ook existentiële kwest...

Martin Reints is een dichter die in zijn bundels "Waar ze komt daar is ze" (1981) en "Lichaam en ziel" (1992) al heen en weer pendelde tussen het beschouwende en het beschrijvende. In zijn essaybundel "Nacht- en dagwerk" is dat niet anders. Met een bijna wetenschappelijke drang naar inzicht verkent hij op een nauwkeurige manier de poëzie, maar ook existentiële kwesties die niet alleen het schrijven maar ook de omgang met de werkelijkheid begeleiden - zoals afscheid, flatneurose, "waarom leven wij" of "waar ben ik". Typisch voor de wetenschapper die zichzelf een beetje kritisch tegen het licht durft te houden, is ook de mengeling van helderheid waarmee hij formuleert, zonder dat zijn conclusies baden in onomstotelijke stelligheid. In die zin lijkt zijn methode sterk op de poëtica van Tomas Tranströmer, wiens pöezie hij in deze bundel meer dan eens onder de loep neemt. Dat kan ook moeilijk anders, want Reints toont zich bij herhaling geïntrigeerd door de schemerzone tussen dromen, slapen en waken. Bijvoorbeeld in "De slapeloze Huygens", omdat het een origineel licht werpt op de melancholie in het werk van de zeventiende-eeuwse dichter. Tegelijk leest Reints ook graag wat er staat. In "Au pays de la métaphore" voelt hij er bijvoorbeeld maar weinig voor om in een gedicht uit de cyclus "Chrysanten, roeiers" de hand bij Hans Faverey (in tegenstelling tot andere interpreten) als een metafoor voor de geest te zien. Hij stelt zich de dingen liever plastisch en ruimtelijk voor. Vandaar wellicht zijn merkwaardige fascinatie voor een geometrisch strak ingedeeld stuk polderlandschap als de Beemster, voor eigentijdse symmetrische tuinen of voor de helderheid van de Renaissance. Hoe ver die dingen ook van elkaar lijken te staan, het is precies de kracht van Reints' schriftuur dat hij onvermoede verbanden legt die uiteindelijk naar hem zelf verwijzen. Zoals hij zelf zegt in "Acht lastige vragen van Max Frisch": "Ik besta uit alles wat er voor even in mij is samengekomen van de dingen die er altijd zijn geweest."Martin Reints, "Nacht- en dagwerk, beschouwingen", de Bezige Bij, Amsterdam, 139 blz., 790 fr.Paul Demets