'Ik heb meer van schilderijen gehouden dan van het leven. Mijn leven = schilderijen. Meer dan de muziek die me nochtans na aan het hart ligt, dringt het schilderij zich brutaal bij me op in zijn totaliteit, en ik voorvoel. Ik voorvoel het mysterie, wat niet met de hulp van muziek, niet met woorden kan worden gezegd. Onmiddellijk voorvoelen. Emotionele aangelegenheid. Inbezitneming van mijn hele zijn. Ik ben in hen en zij in mij. Schilderijen!'
...

'Ik heb meer van schilderijen gehouden dan van het leven. Mijn leven = schilderijen. Meer dan de muziek die me nochtans na aan het hart ligt, dringt het schilderij zich brutaal bij me op in zijn totaliteit, en ik voorvoel. Ik voorvoel het mysterie, wat niet met de hulp van muziek, niet met woorden kan worden gezegd. Onmiddellijk voorvoelen. Emotionele aangelegenheid. Inbezitneming van mijn hele zijn. Ik ben in hen en zij in mij. Schilderijen!'Had het leven Jean Planque (1910-1998) dan zo benadeeld dat hij de troost van kunst bovenal behoefde? Amper. Er is iets anders aan de hand. De ervaring die hij in 1943 in zijn dagboek beschrijft, lijkt onmiskenbaar op het visioen van een mysticus die zich totaal verenigd weet met het lichaam van Christus. Wat had hij zelf graag de droomschilderijen gemaakt die hij in de Parijse kunsthandel of in de ateliers van de kunstenaars op de kop tikte. Helaas, hij miste het genie dat doorschemerde in het palet van Paul Cézanne en Georges Braque, Pablo Picasso, Jean Dubuffet en andere door hem bewonderde moderne meesters. Van 1954 tot 1972 schuimde Jean Planque de Parijse kunstmarkt af in dienst van de gereputeerde Baselse galerist Ernst Beyeler. Diens vertrouwen in het oog van Planque was zo groot, dat hij de adviezen bijna blind opvolgde, de getipte werken aankocht en verhandelde aan de internationale cliënteel van zijn galerie. Op jong talent werd niet gemikt, ook niet op de jongste oogst van bekende schilders, maar boudweg op schilderijen waar iedereen - musea inbegrepen - naar op zoek was. Dat liet de enthousiaste maar niet gefortuneerde adviseur genoeg speelruimte om voor eigen rekening een verzameling op te bouwen. Het zijn kleinere, minder geruchtmakende, maar kwalitatief doorgaans erg hoogstaande werken van dezelfde meesters met wie hij in opdracht van Beyeler 'grote' zaken deed. Door zijn zorgvuldige manier van kijken en kiezen veel goodwill opwekkend, kreeg Planque weleens zeldzame stukken voor een prikje. De collectie Planque bleef na de dood van de verzamelaar intact, bewaard in een stichting die zijn naam draagt. Het leeuwendeel van al dat fraais, 160 schilderijen en tekeningen, wordt door het Museum van Elsene getoond onder de titel Van Cézanne tot Dubuffet (tot 22.5). Strikt chronologisch klopt dat niet aangezien de oudste kunstenaar in de verzameling Edgar Degas is, en de jongste de Amerikaan Sam Francis. Inhoudelijk houdt de titel al iets meer steek. De principes van Paul Cézanne, brugfiguur tussen impressionisme en kubisme, liggen aan de basis van de artistieke feeling van de verzamelaar, zozeer dat hij Cézanne eerst vruchteloos imiteerde, en zich een tijd lang vestigde in de onmiddellijke buurt van de Montagne Sainte-Victoire, door Cézanne verheven tot een piek in de schilderkunst. Jean Dubuffet vertegenwoordigt dan weer de door Planque aanvankelijk verfoeide, aan de geest van Cobra verwante escapades in het spontane, kinderlijke en anti-academische. Het feit dat van Cézanne slechts twee en van Dubuffet tientallen werken verzameld werden, maakt echter de twee polen van de collectie vrij ongelijk. Cézanne was de aanbeden meester van vroeger, van wie Planque twee bloedmooie aquarel-en-potloodtekeningen in de wacht sleept. 'Koop dat vooral niet, er staat niets op', zei iemand hem over de tere, waterige kleurenvlekken in een lichtend, uitgepuurd landschap In de buurt van Aix. Een zelfde 'niets' is in werkelijkheid een ultrasuggestief, ruimtelijk gezicht op de Sainte-Victoire vanuit Les Lauves, een zinderende luchtspiegeling. Dubuffet van zijn kant ontpopt zich als de springlevende, onrustige partner in vele discussies, een ruziestoker met een groot hart: hij staat Planque heel wat af. Zo luchtig als de meester van Aix het beeldvlak hield, met minimale toetsen sfeer, ruimte en structuur creërend, zo dicht aaneengelast laat Dubuffet zijn figuren en vormen verschijnen, als grillige jigsaw puzzelstukken in elkaar passend. Terwijl de ene alles deed om de blik vrij te houden voor de open natuur, trekt de andere hem naar de diepten van de menselijke natuur. Planques artistieke gaven komen slechts langzaam naar boven, blijkt uit het curriculum. De tweede zoon van een wat onevenwichtige uitvinder (patent op een karabijn) uit het Zwitserse kanton Vaud, volgt braaf de handelsschool in Lausanne, en vindt werk bij een verzekeringsmaatschappij in Bazel. Tijd zat om piano te spelen en te leren aquarelleren. In een uitstalraam valt zijn oog op aquarellen van Paul Klee, die hij voor kindertekeningen houdt. Een bezoek aan het museum maakt hem wijzer, en opent zijn ogen voor moderne schilderkunst. Hij kiest voor een behoorlijk betaalde baan als handelsreiziger in veevoeders. In 1945 maakt hij samen met een ingenieur-agronoom het recept voor een soort verbeterd varkensvoer, dat onmiddellijk in de handel gebracht wordt. Hij droomt ervan, een patent op zijn uitvinding te krijgen en te kunnen leven als een artiest. Het patent blijft uit, maar hij is wel in staat om zes maanden per jaar te schilderen, in de schaduw van Cézannes Montagne Sainte-Victoire, en de rest van het jaar het verbeterde varkensvoer aan de man te brengen. In 1951 vestigt hij zich in Parijs om er schilderkunst te studeren. De ontdekking van de schilderijen van Alfred Manessier, spelenderwijs opgebouwde abstract-geometrische kleurvlakken, zet hem ertoe aan om zelf opnieuw vanaf nul te beginnen als schilder. Geldgebrek doet hem ten slotte bij Ernst Beyeler belanden, voor wie hij bijna twintig jaar scout in Parijs speelt. Door ziekte stopt hij er in 1972 mee, schrijft zijn memoires, legt zich toe op het schilderen, keert naar zijn geboortestreek terug en maakt er lange wandelingen. In januari 1998 brengt hij zijn verzameling onder in een stichting, in augustus sterft hij aan de gevolgen van een verkeersongeval. De tentoonstelling van zijn collectie in het museum van Elsene is een succes, en dat heeft een keerzijde. Op sommige momenten is het geroezemoes van degenen die op prestigieuze namen van moderne meesters afkomen, maar er geen stille aandacht voor opbrengen, niet te harden. De robuuste composities met hun ingesnoerde fossiele organismen van Dubuffet, kunnen dat nog verdragen. Ook de meeste Picasso's doorstaan de storm. (Van zijn stevig gecontoureerde vrouwenfiguren met bizarre hoofddeksels en vervormde ledematen is Vrouw in de spiegel de memorabelste, al was het maar omdat de feeks met het rood aangelopen gezicht in de door haar geconsulteerde spiegel het mooiste meisje van het land ontwaart.) Zelfs de constructieve composities van Fernand Léger kunnen wat hebben. Maar de mooiste aanwinsten van Planche komen alleen tot leven als de stilte, waarin ze zelf gewikkeld zijn als een doek, absoluut is. Zou het plompe meisje van Pierre Bonnard, zouden de slapende baadsters van Degas zich blootgegeven hebben als er ook maar een zweem van onrust in de buurt geweest was? En er is meer, wat geen luid gerucht verdraagt. De aan Gauguins exotische repertoire herinnerende Finse Vrouw en de afgewogen modulaties van geometrische kleurvlakjes door Sonja Delaunay. Paul Klees papierlichte Architectuur in de Orient met zijn accordeongewijs gevouwen muren van papier als withete spiegelplaten waarin waterige wolken en lucht lijken te verdampen in teer roze, violette en blauwe schijnsels: het oosten als een verzengende fata morgana. In de stilte van de diepste wateren zwemmen gezonde visachtigen met blauwe versieringen: een aquarel en gouache op krantenpapier van Hans Reichel. Van het bewolkte en het waterige naar Claude Monets Sneeuwstorm, een transparant gordijn van witte verfsluiers waar het roze van rotsen doorheen schemert, en het donkere groen van de beboste flanken van de berg Koolsaas in Noorwegen, gegeseld door de sneeuw. Wit, ook wanneer het niet langer vloeibaar lijkt maar gortdroog op de huid kleeft, behoudt iets dat naar het bovenzinnelijke wijst. Circuskoningin en Jonge Pierrot van Georges Rouault hebben er hun zwart omlijnde gezicht mee volgesmeerd, hun functie van entertainers verbindend met de bezweringskracht van sjamanen. De omgebouwde theaterzaal van het Museum van Elsene biedt geen ideale tentoonstellingscondities. Op de begane grond creëert men één grote ruimte, geflankeerd door twee nauwe zijgangen, en steevast belanden er dingen op het vroegere podium (dit keer Dubuffet). Op de ex-loges boven durft men weleens zaken van tweede keus te parkeren. Dat is ook nu het geval. Planque was niet zo'n heilige dat hij geen werk van minderen verzameld zou hebben. Zijn beste, Zwitserse en Spaanse, vrienden, waren niet noodzakelijk de beste schilders. Wie het logeparcours overslaat, mist evenwel de lyrisch- abstracte, monumentale miniatuurtjes van Sam Francis, de micro- en macrokosmische wemelingen van Marc Tobey, een ontroerend visioen (een inzakkende Rialto-brug!) en een snerpende pijnschreeuw van de psychiatrische gevangene Louis Soutter. Er is geen mooi en lelijk in de kunst, er is alleen mysterie, magie en horreur, vond Planque. Jan Braet'Ik heb meer van schilderijen gehouden dan van het leven.'