Grote verzamelaars zijn vaak ook de discreetste. Dat was in het geval van Charles Van Herck (1884-1955) niet anders. Van deze tot architect opgeleide telg uit een familie van gereputeerde Antwerpse antiquairs zeiden zijn vrienden dat hij een zwijger was, maar op zijn manier ook een humorist. In zijn fraaie pand aan de Rosier trok de antiquair zich elke avond na het avondeten terug om te studeren. Hij deed expertises op zo diverse terreinen als geglazuurd aardewerk, meubelkunst, glasblazen of Chinees tafelservies. Maar zijn grootste passie koesterde hij voor iets wat hij zijn leven lang dicht bij zich wilde hebben: Vlaamse tekeningen en terracottabeeldjes uit de zeventiende en achttiende eeuw.
...

Grote verzamelaars zijn vaak ook de discreetste. Dat was in het geval van Charles Van Herck (1884-1955) niet anders. Van deze tot architect opgeleide telg uit een familie van gereputeerde Antwerpse antiquairs zeiden zijn vrienden dat hij een zwijger was, maar op zijn manier ook een humorist. In zijn fraaie pand aan de Rosier trok de antiquair zich elke avond na het avondeten terug om te studeren. Hij deed expertises op zo diverse terreinen als geglazuurd aardewerk, meubelkunst, glasblazen of Chinees tafelservies. Maar zijn grootste passie koesterde hij voor iets wat hij zijn leven lang dicht bij zich wilde hebben: Vlaamse tekeningen en terracottabeeldjes uit de zeventiende en achttiende eeuw.Diè dingen gaf hij node weg. Was het omdat ze zijn geoefende oog van architect, zijn analytische kijk op het artistieke ontstaansproces, de feeling van de antiquair voor zeldzame kunst, zoveel voldoening gaven? Hoe dan ook, ze vormden het voorwerp van zijn studie en zijn esthetisch genot. De terracottabeeldjes zowel als de tekeningen waren in de eerste plaats bedoeld ter voorbereiding van het échte werk: kerkmeubilair en monumentale sculpturen in kostbare marmer- en houtsoorten. Geen Vlaamse kerk van enige importantie of ze heeft wel een preekstoel, een koorgestoelte, een hoogaltaar, een sacramentshuisje of heiligenbeelden van enig Vlaams kunstenaar uit de periode van de (laat)barok en het neo-classicisme. De beeldmodellen stelden de kunstenaar vooreerst in staat om al schetsend een aanvaardbaar ontwerp ( disegno) uit te werken. Het is een renaissanceconcept dat door Donatello in het hart van het creatieve proces werd gesitueerd: 'De tekening (disegno) is zowel het toppunt als de grondslag van de beeldhouwkunst'. Bovendien moest ze de opdrachtgever geruststellen dat het bestelde werkstuk tot in de kleinste details religieus correct was. Beslisten hij of de omstandigheden dat het niet kon worden uitgevoerd, dan kon de kunstenaar met de schets of het model in de hand een schade-eis indienen. De schetsen maakten het voorwerp uit van een contract. Dat met name het papier bij een aantal tekeningen er een beetje slonzig is gaan uitzien, komt omdat het bij de uitvoering van het werk van hand tot hand ging. EEN REUSACHTIGE SCHADUWCharles Van Herck mocht dan niet veel van zeg zijn, de kennis die hij opdeed over zijn honderd beeldmodellen in terracotta en zevenhonderd beeldtekeningen, hield hij niet voor zichzelf. Hij publiceerde erover in de jaarboeken van Antwerpen's Oudheidkundige Kring die hem onder haar leden telde. Voor een grote tentoonstelling in 1914 stelde hij een catalogus van zijn verzameling samen. De tentoonstelling zelf werd afgeblazen vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Voor de onderzoekers is de catalogus een bruikbaar werkinstrument gebleven. De meest eminente van hen is Frans Baudouin, ereconservator van het Rubenshuis. Toen de collectie uit de nalatenschap van Charles Van Herck na het definitieve stopzetting van het gelijknamige veilinghuis in 1994 op de markt kwam, adviseerde hij de Koning Boudewijnstichting om ze te kopen in het kader van haar fonds Roerend Cultureel Erfgoed. Toen dat in 1996 een feit was - en de beelden aan het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten, de tekeningen aan het Stedelijk Prentenkabinet werden toevertrouwd - ondernam Baudouin de bulk van het studiewerk dat de grondslag vormt van de tweedelige catalogus die onlangs verscheen, tegelijk met een tijdelijke presentatie van een deel van de collectie: de beeldjes en enkele tekeningen in het museum, de meeste tekeningen in het prentenkabinet. Hoewel geen tekening van zijn hand erin te bespeuren valt, werpt Peter Paul Rubens zijn reusachtige schaduw over de hele collectie Van Herck. De expressieve dynamiek en de zwier in het werk van de tenor van de Vlaamse barok is alomtegenwoordig, zeker in de zeventiende eeuw maar met een nagalm tot ver in de achttiende eeuw, toen het veel afstandelijker neo-classicisme, in mindere mate het rococo, eigenlijk al de bovenhand hadden genomen. Het was wachten op de romantiek van Jakob De Braekeleer (Van Herck bezat diens terracotta's van Beethoven en Rossini) om een nieuwe, emotionele, toon te horen. In zijn catalogustekst schetst Frans Baudouin het basisprofiel van de kunstenaars die in aanmerking kwamen om aan de gestelde opdrachten te voldoen. In het Italië van de Renaissance ontstond, vanuit de idee van het disegno, een nieuw type kunstenaar dat ook 'onderlegd was in de regels van de bouwkunst': Bramante en Rafaël zijn schoolvoorbeelden. In de Nederlanden van de zeventiende eeuw beantwoordde Rubens uiteraard in alle opzichten aan dit profiel. Als schilder ontwierp hij ook zuilen, ornamenten, beelden en altaren. Diens leerling, de schilder Erasmus Quellinus de Jonge, volgde een analoge weg. Andere ontwerpers vertrokken vanuit de beeldhouwkunst. Zij zijn het talrijkst vertegenwoordigd in de collectie Van Herck. Het gaat om figuren uit de tweede helft van de zeventiende en uit de achttiende eeuw, een periode waarin Vlaanderen nog altijd over 'uitstekende beeldhouwers' beschikte. Goeie schilders daarentegen waren dunner gezaaid. Mee genietend van het prestige van Artus Quellinus de Oude - die beelden en reliëfs voor het Amsterdamse stadhuis had mogen maken - verwierven kunstenaars als Artus Quellinus de Jonge, Jan-Pieter van Baurscheit de Oude, Peter Verbruggen de Jonge en Lodewijk Willemssens lokale faam met altaren, gestoelten, grafmonumenten, biecht- en preekstoelen, orgelkasten en monumentale beelden. Ook een aantal geestelijken bleek vakbekwaam genoeg om ontwerpen te maken en iconografische programma's uit te stippelen. Ten slotte zijn de namen van enkele schrijnwerkers en aannemers in dit verband bewaard gebleven. Ze konden de opdrachten even goed aan, wanneer ze met beeldhouwers samenwerkten. Voor al deze kunstenaars was er, na de Beeldenstorm, werk genoeg aan de winkel om te voldoen aan de contrareformatorische ijver van de kerkelijke opdrachtgevers. Het antwoord op de vraag waarom zovele van onze gotische kerken er vanbinnen zo barok uitzien, is meteen gegeven.Terracotta's/Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, tot 4.6. Elke dag van 10 tot 17 u. Gesloten op maandag, 1 mei en hemelvaartsdag. Tekeningen/Stedelijk Prentenkabinet, tot 4.6. Elke dag van 10 tot 17 u. Gesloten op ma. (behalve paasma.), 1 mei en hemelvaartsdag.Jan Braet