'Een mens zit vastgeklonken aan zijn lot gelijk een kanarievogel gekloot is in zijn kot.' Erik Vlaminck maakt in Suikerspin, zijn nieuwe grote familieroman over een eeuw kermisgeschiedenis, weer dankbaar gebruik van de Vlaamse volkswijsheid. Zoals in zijn zesdelige romancyclus over zijn familie van vaders- en moederszijde, brengt hij ook in dit kermisepos 100 jaar foorgeschiedenis op een onnavolgbare manier tot leven. Vlaminck is een meester in de montage. Hij laat zijn hoofdpersonages zo kleurrijk en direct mogelijk aan het woord ('Alle dagen zat is ook een geregeld leven') en last ondertussen als een neutrale kroniekschrijver heel droogjes alle mogelijke feiten en feitjes in, van geboorteoorkondes tot een heus wetsvoorstel uit 1909 om levende rariteitenkabinetten af te schaffen. Op die manie...

'Een mens zit vastgeklonken aan zijn lot gelijk een kanarievogel gekloot is in zijn kot.' Erik Vlaminck maakt in Suikerspin, zijn nieuwe grote familieroman over een eeuw kermisgeschiedenis, weer dankbaar gebruik van de Vlaamse volkswijsheid. Zoals in zijn zesdelige romancyclus over zijn familie van vaders- en moederszijde, brengt hij ook in dit kermisepos 100 jaar foorgeschiedenis op een onnavolgbare manier tot leven. Vlaminck is een meester in de montage. Hij laat zijn hoofdpersonages zo kleurrijk en direct mogelijk aan het woord ('Alle dagen zat is ook een geregeld leven') en last ondertussen als een neutrale kroniekschrijver heel droogjes alle mogelijke feiten en feitjes in, van geboorteoorkondes tot een heus wetsvoorstel uit 1909 om levende rariteitenkabinetten af te schaffen. Op die manier krijgt de lezer zowel van binnenuit als van buitenaf een kijk op de maatschappelijke werkelijkheid voorgeschoteld en komt de geschiedenis pas echt tot leven. Rode draad door Vlamincks verhaal zijn de wrede lotgevallen van Joséphine en Anastasia, een Siamese tweeling, die als 'fenomeen' in een kermiskraam werd tentoongesteld door Jean-Baptiste van Hooylandt, bijgenaamd Tistje. Tist wist met deze attractie kort voor de Eerste Wereldoorlog gedurende enkele jaren grote sier te maken op kleinere Vlaamse kermissen. Vlaminck beschrijft met veel verve hoe deze Tist in de negentiende eeuw door zijn ouders werd verkocht aan een foorkramer en zo de stiel leerde. Hij ging zelfs zover om zijn spastische broer Gust in zijn freakshow op te voeren. Voorzien van zwarte schoensmeer en zwemvliezen trad Gust op als zeemonster. Tist wist vervolgens voor een prikje een vrouw met een baard op de kop te tikken. Maar zijn finest hour kwam er met de 'aankoop' van een derodyme, een Siamese tweeling, die hem veel geld in het laatje bracht. Vlaminck beschrijft via Arthur van Hooylandt, de kleinzoon van deze Tist, maar ook door citaten uit allerlei authentieke tijdsdocumenten, hoe de tweeling letterlijk en figuurlijk werd misbruikt. Wanneer Arthur later bij de burgerlijke stand zijn echte voorvader leert kennen, wordt de trieste waarheid duidelijk, maar Arthur blijft de kermisstiel trouw en gaat voortaan als uitbater van een snoepkraam, inclusief barbe à papa of suikerspin, door het leven. Tony, de zoon van Arthur en daarmee de telg van een vierde generatie Van Hooylandts, is als onderwijzer de intellectueel van de familie. Hij lapt de oude paardenmolen van zijn familie uiteindelijk op. Vlaminck is geen moralist die een nostalgische ode aan de wereld van de foornijveraar of barakkenman brengt. Hij is eerder zelf een kermispersonage dat als plakkatenzanger met luide stem de avontuurlijke buitelingen van het noodlot demonstreert. Nu eens laat hij daarvoor de betrokkenen aan het woord en dan weer zet hij een domper op de stemming door uittreksels uit ambtelijke documenten ten beste te geven. Zo vermijdt Vlaminck het om een kitscherig, melodramatisch beeld van het kermisleven op te hangen. Tegelijk laat hij zien met wat voor een knotsgekke ambitie de gedreven forain zijn kermisdroom najoeg. Zelfs Tist, de onmenselijke stichter van de kermisfamilie in kwestie, ging in 1900 tot in Amsterdam zijn licht opsteken om met eigen ogen te zien hoe de cinematograaf van de gebroeders Lumière furore maakte en het traditionele kermisambacht dreigde te verstikken: 'Alles zou mechaniek en elektriek worden.' Maar eens kermismens, altijd kermismens. Met alle gevolgen van dien: van syfilis en regelrechte waanzin tot een familiedynastie van foorkramers die het altijd moeilijk zouden hebben met het andere geslacht. In zekere zin is Vlamincks Suikerspin het literaire pendant van Freaks, de cultfilm van Tod Browning. Literair hoort het boek thuis in de traditie van De engelenmaker van Stefan Brijs, die ook het pathos niet schuwt en brede penseelhalen gebruikt waar nodig. Kortom, Vlaminck is een pur sang volksschrijver, maar wel een intelligente volksschrijver die empathie aan distantie koppelt. Komt dat zien! ERIK VLAMINCK, SUIKERSPIN, WERELDBIBLIOTHEEK, AMSTERDAM, 288 BLZ., 17,50 EURODOOR frank hellemans