Het was eigenlijk bijna voorspelbaar. In het lijstje met de namen van twintig politici, uit wie de Vlamingen hun gedroomde eerste minister mochten kiezen, eindigde hij vorige week in dit blad precies halfweg. Herman Van Rompuy treedt zelden echt voor het voetlicht en doet in dit kabinet zijn job achter de brede schouders van Jean-Luc Dehaene. De CVP heeft vaak zo'n tweede man, die in de schaduw blijft maar zwaar op de beslissingen weegt. Zoals indertijd een Jos De Saeger of P.W. Segers. Of Dehaene zelf, in de latere coalities van Wilfried Martens.
...

Het was eigenlijk bijna voorspelbaar. In het lijstje met de namen van twintig politici, uit wie de Vlamingen hun gedroomde eerste minister mochten kiezen, eindigde hij vorige week in dit blad precies halfweg. Herman Van Rompuy treedt zelden echt voor het voetlicht en doet in dit kabinet zijn job achter de brede schouders van Jean-Luc Dehaene. De CVP heeft vaak zo'n tweede man, die in de schaduw blijft maar zwaar op de beslissingen weegt. Zoals indertijd een Jos De Saeger of P.W. Segers. Of Dehaene zelf, in de latere coalities van Wilfried Martens. Van Rompuy draagt al sinds hij hoofd van de CVP-studiedienst was, de reputatie mee dat hij een kil, behoudsgezind man is, die zich verbaal van een bijtend cynisme bedient. Iemand die de kunst van de canapépolitiek tot in de finesses beheerst. Zoals dat met veralgemeningen meestal het geval is, klopt dat beeld niet - althans: zeker niet helemaal. Dat moet ook de conclusie zijn van de lectuur van een boekje dat hij recent schreef over de politieke vernieuwing en recente gebeurtenissen waarop hij, naar eigen zeggen, een "tegendraadse" kijk heeft. Met die tegendraadsheid valt het, achteraf bekeken, wel mee. Toch mag het geen verrassing heten dat zijn discours vorig weekend op de Dag van de Democratie in Antwerpen niet te horen was. Herman Van Rompuy is in wezen een antirevolutionair. Politieke vernieuwing betekent voor hem iets anders dan, bijvoorbeeld, voor de hervormers van de VLD - hoewel hij ze daarom niet minder noodzakelijk acht. Het voorbeeld van de VLD is niet lukraak gekozen, want de auteur zet zich in zijn tekst bij herhaling scherp tegen die partij af. Zijn verwijt komt grosso modo hier op neer: vernieuwing moet meer zijn dan enkele vormveranderingen, die niets zeggen over de inhoud van wat wordt aangeboden, zoals de afschaffing van de stemplicht of de organisatie van referendums. Als Van Rompuy het over inhoud heeft, grijpt hij terug naar de basisopties van de christen-democratie. Daarin is de samenleving meer dan louter een verzameling van individuen. Van Rompuy gaat uit van de mens, die door middel van dialoog zoekt naar wat hij met de andere gemeenschappelijk heeft. Politiek is zo de kunst van de verzoening, die alleen kan werken als het echte parler vrai in ere wordt hersteld. Vernieuwing blijft banaal als ze geen waarachtig perspectief biedt: de verwachting dat het goede, het ware en het schone de grond van alle leven moeten vormen. Politiek moet dan ook oog hebben voor warmte en mededogen. Dat uit zich verder als Van Rompuy zijn tweestrijd met het Vlaamse liberalisme verderzet in zijn verdediging van het Rijnlandmodel en de sociale zekerheid. De economie is niet alles, schrijft hij, en alles is niet economisch. Er zijn grenzen aan de onzekerheid waarmee mensen kunnen leven: concurrentie en flexibiliteit mogen niet zover gaan dat hele groepen in de samenleving onder de druk bezwijken. Het verstrekken van sociale zekerheid behoort daarom, volgens hem, tot de kerntaken van de overheid.Het exposé zal vast ook in de CVP hier en daar argwaan wekken. Maar het zou verkeerd zijn om het af te doen als nostalgie naar een contemplatiever bestaan. Van Rompuy blijft in de eerste plaats een man van de studie, die gruwt van een te emotionele, gratuite benadering van de politiek, die hij tot in zijn eigen partij aan het werk zag, en van de commerciële cultuur die de grens tussen schijn en werkelijkheid opheft. De nasleep van de Dutroux-zaak levert hem daarvoor voorbeelden te over. Wat Herman Van Rompuy vertelt, is zeker conservatief. Hij huivert voor het dynamische, liberale avontuur dat de weinig plooibare Guy Verhofstadt voorspiegelt. Hij verwacht daarom meer van samenwerking met wat hij een lucide linkerzijde noemt, die meer het compromis zoekt. Waarmee hij paradoxaal genoeg misschien wel hetzelfde voorbeeld voor ogen heeft als Verhofstadt: de Nederlandse pragmatische socialist Wim Kok en de zogenaamde derde weg, die de sociaal-democratie tegenwoordig in heel Europa predikt. België werd de voorbije twee jaar herhaaldelijk met zichzelf geconfronteerd. De tekst van Van Rompuy kreeg opvallend veel aandacht, tot ver buiten zijn eigen kring. Als hij zijn verhaal met een ludieke act opsmukt, past hij misschien toch op een volgende Dag van de Democratie. Een denkend mens mag daar niet ontbreken, zeker als je het niet met hem eens bent.Hubert van Humbeeck