De verzoeker is een niet-Belg, die we de heer Priso* zullen noemen, uit een Aziatisch land. Hij verblijft volstrekt legaal in België. Hij is in het bevolkingsregister ingeschreven, heeft een beroepskaart en is eigenaar van een klein bedrijf met goede connecties in de academische wereld. Priso heeft nog een gehuwde, zeven jaar oudere broer in Azië bij wie zijn moeder, die weduwe is, inwoont. Op een gemeenschappelijke rekening van zijn moeder en hemzelf heeft hij een bedrag gezet om zijn broer toch op financieel vlak met de zorg voor hun moeder te helpen.
...

De verzoeker is een niet-Belg, die we de heer Priso* zullen noemen, uit een Aziatisch land. Hij verblijft volstrekt legaal in België. Hij is in het bevolkingsregister ingeschreven, heeft een beroepskaart en is eigenaar van een klein bedrijf met goede connecties in de academische wereld. Priso heeft nog een gehuwde, zeven jaar oudere broer in Azië bij wie zijn moeder, die weduwe is, inwoont. Op een gemeenschappelijke rekening van zijn moeder en hemzelf heeft hij een bedrag gezet om zijn broer toch op financieel vlak met de zorg voor hun moeder te helpen.De gezondheid van Priso's broer en schoonzus gaat er echter op achteruit. Priso wordt dan ook gevraagd om zijn moeder in België in huis te nemen. De moeder dient bij de Belgische ambassade een aanvraag in voor een verblijf van meer dan drie maanden om humanitaire redenen. Die aanvraag wordt aan de dienst Vreemdelingenzaken in Brussel overgemaakt. Het verzoek wordt om twee redenen geweigerd: er is geen bewijs dat de zoon regelmatig geld aan de moeder overmaakt en er is geen bewijs dat de moeder geen inkomsten heeft. De ambtenaar heeft die beslissing behoorlijk doorgegeven. Een vreemdeling in de situatie van Priso heeft wel het recht om zijn echtgenote en kinderen van minder dan achttien jaar te laten overkomen, maar dat recht geldt niet voor ouders of grootouders. Bij een aanvraag om humanitaire redenen kan het echter wel worden toegestaan. De gezondheidstoestand van Priso's broer en schoonzus gaat verder achteruit en de familie dient een tweede aanvraag in. Priso wil zelf op de dienst Vreemdelingenzaken gehoord worden. Hij noch zijn advocaat krijgen de dossierbehandelaar echter te spreken en dat zit hem zo hoog dat hij elders een uitweg zoekt. Via een academische relatie komt hij in contact met de stedelijke ombudsdienst die hem naar de federale ombudsman doorverwijst. Ook daar dringt Priso aan op een persoonlijk contact - wat voor hem blijkbaar heel belangrijk is - en dat gesprek vindt bij het college van de federale ombudsmannen plaats. Er wordt nu tenminste naar hem geluisterd. De verzoeker doet zijn verhaal dat bij de administratie wordt getoetst tijdens een van de volgende werkvergaderingen (die elke maand met medewerkers van het college van de federale ombudsmannen en speciaal aangeduide ambtenaren van de dienst Vreemdelingenzaken plaatsvinden). Bij die gelegenheid wordt ook naar de stand van het dossier geïnformeerd. Daar blijkt dat een tweede weigering in voorbereiding is. Om andere redenen deze keer, namelijk dat de attesten in verband met de verslechterende gezondheid van de verwanten in Azië niet van door de ambassade aangeduide artsen komen en dat de moeder niet regelmatig geld van de gemeenschappelijke rekening zou halen. Op de eerste opmerking antwoordt de verzoeker dat de getuigschriften van een gereputeerd ziekenhuis komen, maar ze kunnen gemakkelijk worden vervangen door getuigschriften van artsen die door de ambassade zijn aangeduid. Wat de tweede opmerking betreft, kan hij wijzen op het systeem van financiële steun dat tussen hem, zijn broer en zijn moeder bestaat. Hij wil echter vooral zekerheid dat er daarna geen andere voorwaarden zullen worden gesteld. Argumenteren en proberen te overtuigen was in die situatie aangewezen. Het gaat hier immers om een discretionaire bevoegdheid van de administratie. De ombudsman vindt de wijze van handelen niet behoorlijk. De familie mocht erop vertrouwen dat - nadat aan de eerste motieven voor weigering tegemoet was gekomen - een nieuwe beslissing gunstig zou zijn. In een brief roept het college van de federale ombudsmannen het beginsel van het rechtmatige vertrouwen in. Er wordt gewezen op het feit dat de verzoeker niet door de dossierbehandelaar zelf gehoord werd en de omstandigheden worden toegelicht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de verantwoordelijke ambtenaar ertoe gebracht om het ontwerp van beslissing te herzien. Aan de betrokken ambassade werd een positieve beslissing van de visadienst meegedeeld zodat Priso in België voor zijn moeder kan zorgen. Het blijft echter betreurenswaardig dat de verzoeker noch zijn raadsman, ondanks hun uitdrukkelijke verzoek, ooit de gelegenheid kregen om toelichting bij het dossier te geven. Zeker omdat het een discretionaire bevoegdheid van de administratie betreft waarbij volledige kennis van alle aspecten van het dossier een belangrijke rol speelt bij de beslissing.Met dank aan mijn medewerkster Valentine Vanlangendonck, attaché bij het college van de federale ombudsmannen. * Om privacyredenen werd de naam van de betrokkene veranderd.Herman Wuyts