Tricots boek over de jonge Spilliaert.
...

Tricots boek over de jonge Spilliaert.In de meeste commentaren over de retrospectieve Léon Spilliaert, eerder op het jaar in Oostende, klonk wel weer wat ontgoocheling over het niveau van het oeuvre na 1915. Dat was toen de schilder van de eenzaamheid, de afgronden van de ziel en de nachtzijde van Oostende, zijn huwelijksgeluk in de armen van Rachel Vergison vond en daar enigszins zijn artistieke genie bij inschoot. Het Museum van Schone Kunsten toonde die mindere periode even onverstoorbaar als de bevlogen productie uit de jaren 1900-1915 en moest lijdzaam toezien hoe de tentoonstelling halverwege als een pudding in elkaar zakte. Zo kon het gebeuren dat het boek van kunsthistoricus Xavier Tricot over Spilliaerts jonge jaren (Pandora, Snoeck-Ducaju, Gemeentekrediet, 1996) dat toen verscheen, toch geen mosterd na de maaltijd schonk. Meer zelfs, Tricot kon voor de illustraties putten uit enkele uitzonderlijke privé-collecties die hun Spilliaert-kleinodiën niet voor de tentoonstelling hadden willen uitlenen. Mooi genoeg dus, Tricots boek. Maar heeft hij ook iets te vertellen dat nog niet door Francine-Claire Legrand in de oeuvrecatalogus of, onlangs nog, door Anne Adriaens in haar recente studie te berde was gebracht ? Bepaald nieuwe zaken heeft de Oostendenaar die al de volledige oeuvrecatalogus van James Ensor op z'n actief heeft zo te zien niet opgegraven. (Op enkele aardige weetjes na, zoals het verhaal, hem in 1995 door Henri Storck verteld, dat Spilliaert naar Zwitserland gevlucht om aan de oorlog te ontsnappen door Lenin een zitje in diens revolutionaire regering zou zijn aangeboden). Toch heeft Tricot zich niet tevreden gesteld met het compileren van het werk van zijn voorgangers. Hij voedt het klassieke beeld van de jonge Spilliaert als bodemloze zwartkijker, meester van het unheimliche in het alledaagse en van het zwarte licht met tal van literaire en filosofische voorbeelden die nog niet eerder zo raak in kaart waren gebracht. Voor de analyse van sommige Spilliaert-iconen, neemt hij Maeterlinck, Verhaeren, Hugo, Nietzsche en Otto Rank vrij letterlijk op schoot. Zijn betoog is zo pertinent dat de lezer zich nog maar eens in verbazing laat brengen door het wonderbaarlijke samengaan bij de jonge Spilliaert tussen de loodzware, symbolistisch gekleurde inhoud, met al zijn vezels vasthangend aan het fin-de-siècle, èn de lichtheid van zijn minimalistische stijl in die uitgepuurde composities, zwart-wit contrasten en filmische perspectieven. Jan Braet Léon Spilliaert, Zelfportret met blauwe achtergrond, 1907, aquarel en pastel op papier, 75,3x60 cm. : bodemloze zwartkijker.