In het midden van het grote Mudam-forum onder het glazen dak van I.M. Pei, de architect van de glazen piramide boven het Louvre, ligt de vernielde Young Chang Grand Piano. Op 11 juli deed Raphael Montanez Ortiz zijn performance uit 1962 nog eens plechtig over: het Piano Destruction Concert: Dance Number One, bestaand uit de geluiden van het rituele stukslaan van het instrument. Ortiz behandelde het zoals de inboorlingen in zijn vaderland Puerto Rico doen tijdens hun offerrituelen. Met de restanten maakte hij achteraf een compositie: de piano en het krukje, beide keurig door hun poten gezakt, op de grond twee bijltjes en uitgerukte zwarte toetsen, en het opengerukte binnenwerk van de piano met de verminkte snaren.
...

In het midden van het grote Mudam-forum onder het glazen dak van I.M. Pei, de architect van de glazen piramide boven het Louvre, ligt de vernielde Young Chang Grand Piano. Op 11 juli deed Raphael Montanez Ortiz zijn performance uit 1962 nog eens plechtig over: het Piano Destruction Concert: Dance Number One, bestaand uit de geluiden van het rituele stukslaan van het instrument. Ortiz behandelde het zoals de inboorlingen in zijn vaderland Puerto Rico doen tijdens hun offerrituelen. Met de restanten maakte hij achteraf een compositie: de piano en het krukje, beide keurig door hun poten gezakt, op de grond twee bijltjes en uitgerukte zwarte toetsen, en het opengerukte binnenwerk van de piano met de verminkte snaren. Het Piano Destruction Concert opent de grote expo Damage Control: Art and Destruction since 1950. De werken delen enkele grondtrekken: provocatie, cultuurkritiek, vernieling als vernieuwing, schepping uit destructie, reële actie boven representatie, kunst in het midden van het leven. Klaarder lijkt een exposé over een in de underground geboren kunstpraktijk moeilijk te kunnen zijn. Ook al maakt die undergroundbeweging inmiddels al lang deel uit van het establishment, en behoren de Cut Piece-performance van Yoko Ono en de Electric Chair-prints van Andy Warhol tot de zogenaamd iconische werken van de 20e eeuw. De verklaringen voor de opkomst van een tegencultuur na WO II liggen voor de hand. Na de industrieel uitgevoerde Holocaust en de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, lagen de morele waarden van de westerse beschaving in de uitverkoop. Tijd om puin te ruimen, maar ook om de poten van onder de klassieke cultuur te zagen. Het motto van de anarchist Mikhail Bakunin, 'destructie is creatie', paste als een handschoen op de ingesteldheid van een nieuwe generatie kunstenaars. Was het maar zo simpel. De bezoeker heeft zich amper verzoend met de dubbelzinnige status van een stukgeslagen piano, of hij moet al een nieuwe verrassing verwerken. Enkel ondersteund door een wagneriaanse score, volgen een reeks adembenemende beelden van paddenstoelenwolken die opstijgen boven de Nevada-woestijn of de Grote Oceaan bij de Bikini-eilanden. Ze kolken, roken, grijs en gloeiend, en produceren tijdens het uitbreken veranderlijke, erectiele vormen. Om makers van living sculptures jaloers te maken. Niemand zal wel zo naïef zijn om te denken dat dit fantastische schouwspel als kunst is bedoeld. Maar wie weerlegt de logische conclusie dat een wetenschappelijke documentaire over atoomproeven - het uittesten van de ultieme vernietiging - ruimschoots voldoet aan alle esthetische voorwaarden van kunst? Photography of Nuclear Detonations 1950s werd door fotograaf Harold Edgerton gemaakt in opdracht van de Amerikaanse atoomenergie-commissie. Tot een volgehouden confrontatie tussen gewilde en ongewilde kunstwerken onder het thema destructie laten de Amerikaanse makers van Damage Control het evenwel niet komen. Ze hadden met recht en reden de eindeloos repetitieve slowmotionbeelden van de instortende Twin Towers kunnen laten zien. Tenslotte had een van de belangrijkste componisten van de 20e eeuw, Karlheinz Stockhausen, deze terreuraanslag al in september 2001 uitgeroepen tot 'het grootst denkbare kunstwerk voor de hele kosmos'. Dat hij behoorde tot een beweging van componisten die de vernietiging (van de tonale muziek) als voorwaarde tot creatie in hun programma hadden staan, is misschien geen toeval. Had Stockhausen het alleen gehad over de beeldvoering van 9/11, dan zou men hem zijn uitspraak misschien minder kwalijk hebben genomen. Pure documentaires zijn schokkender en explosiever dan welk kunstwerk ook, omdat ze de realiteit in al haar rauwheid pretenderen te laten zien. Nog een paar keren gaat het in de expo die kant op. In 1994 begaven Canadese cameramannen zich te midden van de amokmakers die na een verloren hockeywedstrijd het centrum van Vancouver vernielden. De commentaarloze beeldmontage die Joe Arden in 2005 daaruit distilleerde (Supernatural), leidt tot de altijd weer verontrustende vaststelling dat een massa in beweging zich totaal instinctief kan overleveren aan gratuit geweld als ware het de ultieme genotservaring. Het rinkelen van brekend glas, het schoppen naar en geschopt worden door de politie. Maar er zijn ook voorbeelden om de harde werkelijkheid op een andere manier te benaderen. Reporter Luc Delahaye die voor het agentschap Magnum al verschillende schrijnende oorlogsbeelden in de media bracht, behandelde er enkele van als echte kunstwerkjes, bestemd voor musea. Niet hun inhoud, maar de esthetisering maakt ze minder cru. Een panoramisch beeld van het volkomen vernielde Jenin Refugee Camp, bijvoorbeeld, waar onder witte wolken in de blauwe lucht het licht inslaat op een plek in het midden, bespikkeld met trosjes kleine figuranten in een godvergeten drama. De forensisch fotograaf bij de Zwitserse politie Arnold Odermatt deed eigenlijk net hetzelfde toen hij, vanaf het eind van de jaren 1940, veertig jaar lang bepaalde auto-ongevallen uitkoos om hun compositorische kwaliteiten en ze in een gave zwart-wittechniek tot echte schilderijtjes promoveerde. Met dank aan het Zwitserse landschap zijn Odermatts foto's een unieke mix van idylle en tragiek, onverbloemde realiteit met sprookjesachtige trekken, kunst en destructie in een erg zuivere vorm. De kunstenaars die aan de slag gingen in het begin van het nucleaire tijdperk, deelden in het dubbele gevoel van atoomfobie en euforie dat de wereld in zijn greep hield. Sommigen namen het thema letterlijk op, zoals Yves Klein die in een waanzinnige brief aan de voorzitter van de internationale atoomcommissie vroeg om een volgende atoom- of waterstofbom bij explosie ultramarijnblauw te laten kleuren, het International Klein Blue waarop hij het patent had. Maar in het algemeen reageerden kunstenaars door in hun werk de dreiging van de algemene vernietiging van de mensheid op te roepen. Op een bijna intieme wijze illustreerde Jean Tinguely zijn stelling dat 'alles wat beweegt uiteindelijk zichzelf vernietigt'. Daarvoor liet hij zijn licht antropomorfe, machineachtige sculpturen uit blik en oud ijzer op een gefaseerde manier zichzelf tot ontploffing brengen. Een van die acties, Study for an End of the World n°2, uitgevoerd in de Nevada-woestijn waar de VS hun atoomproeven hielden, ontlokte een televisiereporter de commentaar dat Tinguely 'erin slaagde om de wereld te laten ontploffen zonder slachtoffers te maken'. Damage Control toont de grootst mogelijke variatie in de manieren waarop kunstenaars in hun werk omgaan met het thema schepping en destructie. Enkelen verbinden daar ook verrassende inzichten aan, zoals Ed Ruscha doet met het schilderij The Los Angeles County Museum on Fire (1965-'68). De vlammen die uit een vleugel van het vlekkeloos modernistische museum-op-het-water slaan, lijken minder een bedreiging dan een onderdeel van een zorgvuldig gecontroleerd spektakel. Zo beantwoordde het al perfect aan de vereisten waarop de grote musea van de wereld vandaag afgerekend worden. Tot 12 oktober in het Mudam Luxembourg, Park Draï Echelen, Luxembourg-Kirchberg. DOOR JAN BRAET'Alles wat beweegt, vernietigt uiteindelijk zichzelf.'