De Britse kunstenares maakte van haar verblijf in Antwerpen gebruik om Sacha Van Loo te spreken. Hij maakt deel uit van een blindenteam bij de Antwerpse politie dat tapes met afgeluisterde gesprekken decodeert. 'Hij hoort erg goed, spreekt vloeiend zeven talen en heeft een vocabularium van talloze dialecten in zijn hoofd', zegt ze. 'Zo weet hij uit welke streek de stemmen komen, en uit de achtergrondgeluiden leidt hij af in welke ruimte ze zich bevinden, binnen of buiten, groot of klein. Hij heeft de ongelofelijke gave van het lokaliseren door klank.' Zelf installeerde Imogen Stidworthy het werk Get Here (2005) in het MuHKA. Via een surround sound raakt de bezoeker ondergedompeld in een spervuur van 'get here' uitroepen - 'kom hier', van kort en nijdig tot bijna intiem. De stemmen zijn verwerkt tot een ritmische compositie. De taal is de Liverpoolse Scouse-tongval, gesproken door lokale huisvrouwen, Somalische migranten en Engelse actrices door elkaar.
...

De Britse kunstenares maakte van haar verblijf in Antwerpen gebruik om Sacha Van Loo te spreken. Hij maakt deel uit van een blindenteam bij de Antwerpse politie dat tapes met afgeluisterde gesprekken decodeert. 'Hij hoort erg goed, spreekt vloeiend zeven talen en heeft een vocabularium van talloze dialecten in zijn hoofd', zegt ze. 'Zo weet hij uit welke streek de stemmen komen, en uit de achtergrondgeluiden leidt hij af in welke ruimte ze zich bevinden, binnen of buiten, groot of klein. Hij heeft de ongelofelijke gave van het lokaliseren door klank.' Zelf installeerde Imogen Stidworthy het werk Get Here (2005) in het MuHKA. Via een surround sound raakt de bezoeker ondergedompeld in een spervuur van 'get here' uitroepen - 'kom hier', van kort en nijdig tot bijna intiem. De stemmen zijn verwerkt tot een ritmische compositie. De taal is de Liverpoolse Scouse-tongval, gesproken door lokale huisvrouwen, Somalische migranten en Engelse actrices door elkaar. 'We bewonen onze eigen stem op verschillende manieren', zegt ze. 'Als je naar Somalische vluchtelingen in Liverpool luistert, dan klinkt get here bijna perfect Scouse, omdat het zo makkelijk bekt en omdat het als een merkteken werkt: als ze het goed kunnen uitspreken, klinken ze bijna inheems. Maar bij andere woorden klinken ze compleet on-Engels. In een conversatie van twee minuten kun je iemands stem horen veranderen, tussen iets wat volstrekt Somali klinkt en iets wat bijna voor Scousekan doorgaan. Als je dan praat met actrices van de toneelschool die hard hun best doen om een authentiek Scouse-accent te leren produceren, betrap je hen af en toe op een Zuid-Engels accent. En luister naar een moeder van een schoolgaand kind, tijdens het spreken zul je ook haar accent horen veranderen omdat ze denkt dat het Liverpoolse accent ordinair is. Ze wil dus minder Scouse klinken. Maar ergens is ze er ook trots op. Ze heeft er een dubbele relatie mee. Ik heb de stemmen gecombineerd van al die mensen, al die identiteiten, elk met zijn spectrum en zijn wisselende accenten.' Niet zo lang geleden ging Stidworthy (45) in Liverpool wonen. Haar Nederlandse vriend werkt er. Get Here was haar manier om te spelen met het stereotiepe beeld van de stad aan de Mersey. Agressief en gemeen volkje met overwegend Ierse roots, grappig en zanglustig? In Get Here klinkt het een stuk gedifferentieerder. Taal en spraak berusten allesbehalve op universeel transparante codes. Stidworthy speurt naar specifieke patronen. Die onthullen iets over de identiteit van de spreker: hoe complex en veranderlijk die in elkaar zit, om te beginnen. Imogen Stidworthy zegt: 'Een werk maken is altijd een proces van nieuwe perspectieven leren. Om aspecten van communicatie te begrijpen, bijvoorbeeld. Als ik vertrouw op mijn gewone, beproefde model van denken over taal, leer ik niets nieuws. Dus werk ik met taal die niet meer helemaal op een normale manier functioneert. Ik ondervond dat ik veel kon ontdekken door te luisteren naar een kind dat leert spreken, naar iemand die zich in zijn tweede taal uitdrukt, of iemand die het vermogen verloren heeft om taal te gebruiken, zoals Edward Woodman in het werk I Hate (2007), en Tony O'Donnell in een vroeger werk The Whisper Heard (2003).' De installatie I Hate, kernstuk in Stidworthy's project Die lucky Bush (zie kadertje) in het MuHKA, was een sterk moment op de voorbije Documenta 12 in Kassel. Op groot scherm volgen we hoe fotograaf Edward Woodman uiterste inspanningen doet om letter voor letter, woord voor woord opnieuw greep te krijgen op taal, nadat een ongeval hem in een toestand van afasie had achtergelaten. Zijn toestand dwingt hem om zeer fysiek te werk te gaan, met behulp van handen en armen, middels het volgen van z'n eigen lippen in een spiegeltje, door zich vast te klampen aan spraaktherapeute Judith Langley. De mentale kloof die hij moet overbruggen wordt weerspiegeld: in de opsplitsing van de ruimte in delen voor klank en voor beeld, terwijl een digitale lichtkrant de door Woodman geproduceerde zinnen ( 'I hate... fast food') in LED-letters op de grond laat defileren. Ten slotte laten drie laptops op een tafel de panoramische foto'szien van de restauratie van het Londense King's Cross treinstation. Woodman realiseerde de foto's zelf na zijn beroerte. Ook hier is een spiegeleffect werkzaam: tussen het opnieuw bijeenpuzzelen van de eigen identiteit en het vastleggen van een historisch restauratieproject. In Stidworthy's eerste grote werk over spraak en spraakverlies, The Whisper Heard, voerde ze haar driejarige zoontje Severin en afasiepatiënt Tony O'Donnell op, beiden niet in staat om te lezen. Ze confronteerde hen met een hoofdstuk uit Jules Vernes Reis naar het Middelpunt van de Aarde. Het hoofdpersonage ontwaakt in een ondergronds labyrint en gaat af op de echo van de stem van zijn oom om de weg naar het licht terug te vinden. Maar opnieuw valt hij in een gat en verliest het bewustzijn. Severin zegt alles na wat hij hoort, waaruit blijkt dat hij sommige woorden begrijpt en andere niet - van die laatste probeert hij de klank na te apen. De afaticus zet de grote lijnen van het verhaal om in eigen beelden, zonder de precieze verbanden tussen de woorden te vatten, en hij worstelt om zijn interpretatie in taal weer te geven. 'Wanneer je begint met de dingen uiteen te trekken om taal op een andere manier te begrijpen, verschijnen er gaten. Naar die gaten moet ik kijken, wil ik überhaupt iets begrijpen', zegt Stidworthy. Misschien is een volmaakt vloeiend verhaal inderdaad niet noodzakelijk een geslaagde vorm van communicatie? 'Nee, het kan zelfs helemaal niets met communicatie te maken hebben', vindt ze. 'Het kan gaan om iemand die heel wat woorden gebruikt, terwijl de ervaring van communicatie iets totaal anders is dan een demonstratie van vlotheid. We weten dat we een ongelofelijk gevoel van begrip kunnen ondervinden bij iemand die op een hele simpele manier spreekt, terwijl iemand die zich erg makkelijk uitdrukt absoluut verwarrend kan zijn. We weten dat allemaal wel, maar het blijft een interessant uitgangspunt om mee te werken.' In 7 AM (2006), het derde werk dat Imogen Stidworthy in het MuHKA toont, speelt de gesproken taal geen rol. Een videoprojectie op groot scherm laat plukjes zien van het immense stadspark Tian Tian in Peking. Daarin voeren individuen een soort dansante ochtendgymnastiek uit. Ze lijken zeer in zichzelf geabsorbeerd, op het randje van het autistische. Het is amper aanneembaar dat ze opgaan in het audiolandschap van het park, een mix van geluiden uit de natuur en de stad op de achtergrond. De kunstenares verklaart: 'Iedereen in China doet aan tai chi, een verzamelnaam voor verschillende oefeningen, bedoeld om je lichaamsenergie te doen stromen. Voor de tijd van Mao was het in de eerste plaats een gevechtstechniek, maar Mao zou er de angel uitgetrokken hebben. Tai chi vindt altijd plaats in de buurt van een boom, zelfs op een verkeerseiland. In het Tian Tianpark is ruimte zat voor ieder om zijn ding te doen. Sommigen voeren een zeer gedisciplineerde vorm van tai chi uit. In mijn film zit een man die de zogenaamde dronken tai chi doet. Je doet alsof je dronken bent, of fysiek gehandicapt. Maar het is een truc, om je tegenstander de indruk te geven dat je minder sterk bent dan je in werkelijkheid bent.' 'Velen doen het op hun eigen manier. De een staat stokstil, de ander voelt een halfuur lang aan zijn oorlel. Een vrouw wandelde vijf jaar onafgebroken in de vorm van een acht. Ziek of gezond, koud of warm, regen of wind, ze vormde haar perfecte acht op de grond, terwijl ze in de handen klapte, op zijn minst twee uur lang, elke dag tussen halfzes en halfacht 's morgens. Hier kun je inderdaad autistische trekjes in vermoeden. Ik denk aan de film Le moindre geste van Fernand Deligny. De autistische kinderen die je er de hele tijd ziet rondlopen, spreken geen stom woord maar bewegen hun lijf voortdurend in de omgeving van een boom of een ander persoon. Ze maken hun zwerftochten, zo wordt het in de film genoemd.' Maar in het Tian Tianpark was toch iets anders aan de hand dan autisme, vindt Stidworthy: 'Interessant waren enerzijds de sterk geconcentreerde individuele ruimten. En het meest frappante was de akoestische, socia-le ruimte waar iedereen deel van uitmaakte. Ze creëerden die deels, en luisterden er ook naar. Er ontstond een fascinerende ruimte waarin je de relaties tussen de mensen kon beschrijven doorheen klank. Je kon de afstand tussen de mensen afleiden uit de verschillende soorten geluid. Je kon een roep horen, een roep van bevrijding. Dan een roep van communicatie, iemand die een vriend zag op honderd meter afstand. En ik, die daar cultureel volstrekt geïsoleerd stond, geen bal wist van tai chi, ik maakte deel uit van die ruimte en dompelde mij er volledig in onder. In Groot-Brittannië, in West-Europa, hebben we niets van die aard. Als ik elke dag twee uur tai chi zou doen, zou ik zeker een ander mens zijn, veel evenwichtiger.' Imogen Stidworthy is gefascineerd door tai chi als een vorm van sociale communicatie zonder woorden. Autisten, afasiepatiënten en nog ongeletterde kinderen houden haar bezig. In de publicatie bij haar tentoonstelling in het MuHKA, wordt een gedachte opgepikt van pedagoog Fernand Deligny, dat de wereld beter af zou zijn als iedereen zijn mond hield. De figuren in Stidworthy's werk staan dichter bij het zwijgen dan bij het spreken. Er lijkt een fundamenteel wantrouwen tegen het courante taalgebruik uit haar werk te spreken. Maar de kunstenares nuanceert: 'De filosoof Gilles Deleuze bekijkt taal als een gevangenis: taal houdt ons binnen gepredetermineerde begripsmodellen en structuren. Antonin Artaud wilde de taal vinden die van diep uit zijn lichaam kwam, omdat taal anders altijd een citaat is, altijd de stem van iemand anders. Maar de spraaktherapeute Judith Langley zei me: "Imogen, als je geen taal hebt, zit je ook in een gevangenis."' Het autistisch model houdt geen belofte van vrijheid in. Maar er valt uit te leren. 'Een zekere notie hebben van de autistische staat, of een woordenwisseling hebben met iemand die afasie heeft, verschuift je perspectief uit de ruimte van je gewoontetaal naar iets dat al niet meer helemaal hetzelfde is. Toen ik The Whisper Heard maakte, leerde ik als kunstenaar, van de persoon met afasie, wat het betekent om te blijven lopen zonder te weten of er grond is om je voet op te zetten. En dat is wat al de kunstenaars moeten doen: werken zonder te weten of je veilig kunt landen, zonder garantie of het zal lukken. Dat is een zeer onzekere situatie, een ongemakkelijk gevoel. In zekere zin kan ik leren van Tony's ervaring, het volledige verlies van taal. Telkens als hij iets wou zeggen, wist hij wel wat hij wilde zeggen, maar hij kon niet altijd het woord vinden. Er waren momenten dat hij totaal verloren was, in het zoeken naar het woord. Maar toen hij het vond, was hij weer georiënteerd, en kon aan het volgende beginnen.' Stidworthy isoleert de elementen van dit taalproces en brengt ze in een complexe ruimtelijke relatie met elkaar. De installatie spiegelt als het ware de splitsing van het taalvermogen en de persoonlijkheid van de afaticus. Het komt tot een spatiale deconstructie van een mentaal proces. 'Zo krijg je de gelegenheid om te focussen op de verschillende elementen', zegt ze. 'We zijn dat soort partiële perceptie niet echt gewoon. Ons hele vermogen tot perceptie is gericht op het maken van complete plaatjes. Maar we hebben nooit een compleet plaatje. En zo helpt het mij persoonlijk meer om te proberen te werken met delen, met fragmenten, en te kijken waaruit ze opgebouwd zijn. Ik moet met hele simpele dingen werken.' In de voortdurende zoektocht naar het woord, ' the shining word, that you remember', legt therapeute Judith Langley een parallel tussen afasie en poëzie. 'Zij mag die verwijzing naar poëzie maken, omdat ze al jarenlang werkt met mensen die afasie hebben. Zij heeft geleerd om avontuurlijk om te gaan met taal in haar relatie met afatici. Een beetje zoals een dichter avontuurlijk omgaat met taal: je moet werken op manieren die niet de voor de hand liggende formuleringen opleveren.' DOOR JAN BRAET