Twintig jaar geleden gebeurde in Imola de grootste tragedie uit de geschiedenis van de formule 1. In één weekend verongelukten Roland Ratzenberger en Ayrton Senna. Hoe hebt u dat weekend beleefd?

Gerhard Berger: Ik vraag me nog altijd af wat daar aan de hand was. Ik heb 210 grand prixs gereden, en ik kan me niet herinneren dat er ooit zo veel ongelukken zijn gebeurd in één weekend. Het heeft geen zin om naar verklaringen te zoeken, maar als ik aan het weekend van Imola of het skiongeluk van Michael Schumacher denk, dan besef ik wat geluk en ongeluk betekenen. Je kunt alleen maar hopen dat je niet op het verkeerde ogenblik op de verkeerde plek bent.
...

Gerhard Berger: Ik vraag me nog altijd af wat daar aan de hand was. Ik heb 210 grand prixs gereden, en ik kan me niet herinneren dat er ooit zo veel ongelukken zijn gebeurd in één weekend. Het heeft geen zin om naar verklaringen te zoeken, maar als ik aan het weekend van Imola of het skiongeluk van Michael Schumacher denk, dan besef ik wat geluk en ongeluk betekenen. Je kunt alleen maar hopen dat je niet op het verkeerde ogenblik op de verkeerde plek bent. Berger: Daarna durfde ik niet meer zo veel risico te nemen. Maar het moet gezegd: autocoureurs hebben de eigenschap om ongelukken te verdringen en af te vinken. Als het jou overkomt, heb je het wat moeilijker omdat het fysiek meestal pijn doet, maar alles welbeschouwd lukt het wel. Berger: Er zat niets anders op - al neemt niemand het je kwalijk als je op zo'n moment een slechte tijd rijdt. Ratzenberger was nog niet officieel dood, maar ik vermoedde toen wel al hoe het zou aflopen. Berger: De situatie was anders. Ik lag niet direct achter Senna toen het gebeurde, Schumacher zat ertussen. Ik zag hoe Senna's wagen in de muur schoot en dacht bij mezelf: de hoek is afgeplat, de botsing is niet frontaal. Ik dacht dat het nog wel mee zou vallen. Berger: We stonden met onze wagens op de rechte lijn en kregen te horen dat Senna uit de auto was. Bij coureurs betekent zo'n melding: hij is oké. Ik maakte me geen zorgen. Niemand had een probleem met een nieuwe start. Berger: Ik was tijdens de race uitgevallen, stapte in de Ferrarigarage uit de wagen en ging op een gereedschapskist zitten. Iemand stapte op me af en vertelde me dat Ayrton op sterven lag. Precies op dát moment zag ik voor de box mecaniciens die geraakt werden door een slecht gemonteerd wiel dat van een auto was gesprongen. Ze wervelden als poppetjes door de lucht. Alle mogelijke ongelukken kwamen samen in dat moment. Ik zat op die kist, en ik begreep er niets van. Daarbuiten lagen gewonde mecaniciens, Ratzenberger was dood, Ayrton misschien ook. Bij twee of drie mensen ben ik met mijn vragen blijven doorboren tot ik vernam dat Senna in het ziekenhuis van Bologna lag. Ik regelde een helikoptertransfer en ben ernaartoe gevlogen. Ik heb hem gezien op de operatietafel. Een paar artsen hadden zich rond zijn hoofd opgesteld, zijn gezicht was bedekt. Tja. Op dat moment wist ik dat mijn bezoek een afscheid was. Berger: Bij de startopstelling. Ik was uitgestapt omdat de Italianen me als Ferraripiloot bejubelden. Ayrton zat in zijn auto, keek me aan en ik kon zijn pretoogjes onder zijn helm zien oplichten. Dat is het laatste beeld dat ik van hem heb. Zo zie ik hem vandaag nog voor mij. Berger: Iedereen dacht dat Ayrton niet kapot te krijgen was. Dat het uitgerekend hem overkwam, was alsof de zon uit de hemel viel. We werden wakker geschud. Vooral Max Mosley, die toen voorzitter van de automobielwereldbond was en formule 1-chef Bernie Ecclestone stonden erop dat de racecircuits de uitloopzones zouden vergroten. De crashtests werden strenger en strenger. Er bleef geen steen op de andere staan. Dat was het positieve aan de hele kwestie. Voor de coureurs van vandaag is veiligheid iets vanzelfsprekends geworden. Als ik nu soms racecircuits zie waarop niet meer gereden wordt, en ik zie die vangrails en de bomen erachter, dan denk ik: het kan toch niet dat we hier vroeger met 300 kilometer per uur voorbijraasden? Dat was toch zelfmoord! © Der Spiegel