Voetballende kinderen zie je overal. Ze spelen op pleintjes, in parken en tuinen of bij de plaatselijke voetbalclub. Ze imiteren hun idolen en hopen ooit in hun voetsporen te treden. Voor de overgrote meerderheid blijft het bij een droom, want minder dan één procent van de jonge spelertjes in Vlaamse voetbalclubs zal uiteindelijk profvoetballer worden.
...

Voetballende kinderen zie je overal. Ze spelen op pleintjes, in parken en tuinen of bij de plaatselijke voetbalclub. Ze imiteren hun idolen en hopen ooit in hun voetsporen te treden. Voor de overgrote meerderheid blijft het bij een droom, want minder dan één procent van de jonge spelertjes in Vlaamse voetbalclubs zal uiteindelijk profvoetballer worden. Om de vele would-be profs de ontgoocheling te besparen, zou het interessant zijn om talenten op jonge leeftijd te selecteren. In het voetbal is 'talent' echter een complex begrip. Hoe beoordeel je een vaardig achtjarig voetballertje, dat door zijn omgeving als 'jonge belofte' wordt geprezen? In disciplines als zwemmen en atletiek kun je talent en prestaties meten: zo snel gezwommen, zo hoog gesprongen... Iemand die van nature weinig snelle spiervezels heeft, moet zich in sprintnummers geen illusies maken. In het voetbal zijn individuele prestaties moeilijker te beoordelen, omdat voetballers presteren in een team. Sportwetenschappers Thomas Reilly en Mark Williams hebben alle eigenschappen die een rol kunnen spelen in de ontwikkeling van een elitespeler in kaart gebracht. Hun zogenaamde 'voorspellers van voetbaltalent' worden ingedeeld in fysieke factoren (lengte, gewicht, lichaamsbouw, botdiameter, lichaamsvet), fysiologische parameters (uithouding, aerobe en anaerobe capaciteit), psychologische factoren (perceptuele en cognitieve vaardigheden, persoonlijkheidskenmerken) en sociologische factoren (steun van de ouders, opvoeding, socio-economische achtergrond). Zo'n waslijst aan voorspellende parameters is natuurlijk weinig praktisch. Bovendien is het belang van de afzonderlijke factoren verschillend. Soms wordt een slechte score op de ene parameter gecompenseerd door een goede score op een andere: een voetballertje dat niet erg snel is, kan dat compenseren met tactiek. Er bestaat op dit moment geen standaardset aan vaardigheden en kenmerken om de top te bereiken. Het gebeurt maar al te vaak dat voetballers die in de jeugdreeksen uitblinken later geen progressie meer maken. Ze worden vaak voorbijgestoken door leeftijdsgenoten die zich eerder helemaal niet lieten opmerken. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de puberteit een belangrijk keerpunt is voor aanstormend voetbaltalent. Lichaamseigenschappen (gestalte, gewicht, spiersamenstelling) en scores op vaardigheidstests wijzigen sterk in die periode. Het is onverstandig om kinderen al te hard aan te moedigen (of onder druk te zetten) om in één sport te presteren, zoals nu vaak gebeurt. Kinderen maken meer kans om door te groeien naar topsport als ze op jonge leeftijd met zoveel mogelijk sporttakken in aanraking komen en lenigheid, spierkracht, snelheid en andere vaardigheden op uiteenlopende terreinen oefenen. Laat het vooral leuk blijven. Uit onderzoek bij olympischemedaillewinnaars in uiteenlopende disciplines blijkt dat 96 procent van hen pas na de puberteit definitief een sport heeft gekozen. Te hard van stapel lopen is totaal zinloos. Van de kinderen die zich op zeer jonge leeftijd (zeven à acht jaar) op één sport werpen, slaagt amper 5 procent erin om later tot de besten te behoren. Veelzijdig sporten zonder resultaatgerichte dwang of druk werpt meer vruchten af. Sportvaardigheden komen ook niet allemaal op hetzelfde moment tot ontwikkeling. Uithoudingsvermogen kun je bijvoorbeeld pas opbouwen vanaf acht jaar, terwijl snelheid pas vanaf twaalf jaar getraind kan worden en krachtoefeningen weinig zin hebben voor veertien jaar. De competitiegeest duikt bij de meeste kinderen trouwens pas op rond de leeftijd van 16 jaar. Wie langzaam ontwikkelt, ontwikkelt beter. Sport mag niet bedoeld zijn om kampioenen te kweken.