In november 2002 publiceerde ik mijn eerste dichtbundel Niets met jou als het openingsnummer in de Sandwichreeks onder redactie van Gerrit Komrij. De naam Komrij genereerde naast een hoge oplage en verkoop flink wat publiciteit. Overwegend positieve recensies verschenen in de Nederlandse en Vlaamse pers. Armand Plottier, journalist van De Morgen, kwam helemaal van aan de andere kant van het land tot bij mij thuis, om zich ervan te vergewissen dat Philip Hoorne echt bestond en niet een nieuw pseudoniem was van de toenmalige Nederlandse Dichter des Vaderlands.
...

In november 2002 publiceerde ik mijn eerste dichtbundel Niets met jou als het openingsnummer in de Sandwichreeks onder redactie van Gerrit Komrij. De naam Komrij genereerde naast een hoge oplage en verkoop flink wat publiciteit. Overwegend positieve recensies verschenen in de Nederlandse en Vlaamse pers. Armand Plottier, journalist van De Morgen, kwam helemaal van aan de andere kant van het land tot bij mij thuis, om zich ervan te vergewissen dat Philip Hoorne echt bestond en niet een nieuw pseudoniem was van de toenmalige Nederlandse Dichter des Vaderlands. Gesterkt door een nominatie voor de Vlaamse Debuutprijs, besloot ik voor mijn tweede dichtbundel een stimuleringsbeurs aan te vragen bij het Vlaams Fonds voor de Letteren. Een stimuleringsbeurs is een werkbeurs, voorbehouden aan auteurs die nog maar één literair werk hebben uitgebracht. In theorie klinkt het prachtig: het VFL 'stimuleert' Vlaamse schrijvers. Omdat ik debuteerde onder de vleugels van een van de voornaamste literatoren van ons taalgebied, meende ik dat die stimulans mij niet kon ontlopen. Het VFL besloot mij evenwel neer te sabelen in plaats van aan te moedigen. De beurs werd geweigerd en het commentaar in het beoordelingsverslag was vernietigend. Vooreerst werd mijn debuutbundel in dat verslag anders genoemd, wat mij deed twijfelen aan de ernst waarmee mijn dossier werd behandeld. Wat volgde, was een opeenstapeling van beledigingen jegens mijn poëzie en denigrerende uitspraken over gerenommeerde dichters als Rutger Kopland en Gerrit Komrij, met wie ik werd vergeleken. Het taalgebruik in een officiële brief van een Vlaamse overheidsinstelling klonk zowaar grover dan het gescheld dat je weleens aantreft op dubieuze internetfora. Op 30 april van dit jaar, vijf jaar na mijn hierboven beschreven ervaring, stuurde de Vlaamse Auteursvereniging (VAV) een bericht naar haar leden. Daarin staat: 'Een grote groep auteurs en illustratoren is verontwaardigd over de toonzetting van de beoordelingsverslagen. Deze verslagen worden vaak als 'pedant', 'vernederend' of 'demotive-rend' ervaren.' En verder: 'Nogal wat auteurs en illustratoren, onder hen verschillenden met naam en faam, ontvingen het nare bericht dat hen geen werkbeurs wordt toegekend of dat de toegekende beurs veel lager ligt dan verwacht.' De VAV belooft te ageren tegen datgene wat iedereen in het literaire wereldje weet, namelijk dat de toekenning van subsidies aan Vlaamse schrijvers geheel subjectief gebeurt. Het VFL, of beter de commissies bestaande uit zelfverklaarde literatuurpausen, waarachter het Fonds zich graag verbergt, lust een schrijver of lust hem niet. Waarom de portemonnee nu eens openklapt en dan weer op de knip blijft, is volstrekt onduidelijk. Talentvolle schrijvers die om wat voor reden ook niet in de smaak vallen, zijn zonder financiële steun niet in staat zich meer op hun schrijverij toe te leggen. Maar anderen kunnen dat, om even wazige redenen, dan weer wel. Minder tijd om te schrijven betekent minder kans om literair 'door te breken' en daarmee is de vicieuze cirkel rond. Een hemeltergende discriminatie, waarvan je zou denken dat ze alleen bestaat in dictaturen of bananenrepublieken. Op 22 mei is er een overleg tussen de Vlaamse Auteursvereniging en het Vlaams Fonds voor de Letteren over dit onwelriekend potje. Gaat het deksel eraf of blijft het erop? door Philip Hoorne