Henk Visch over zijn beelden in Middel- heim : ?Ze zijn niet geland om te blijven.?
...

Henk Visch over zijn beelden in Middel- heim : ?Ze zijn niet geland om te blijven.? ALS VOORSTEMMER van piano's kwam hij aan de kost. Hij wilde gitaarbouwer worden en stak een draailier in elkaar. Hij trok op met een straattheater dat steden bezette. Op z'n dertigste zag hij werk van Diane Arbus en was zo gepakt dat hij een beeld van een reus bouwde, zoals hij die had gezien op één van haar foto's. Henk Visch (46) had z'n roeping als beeldend kunstenaar ontdekt. Hoewel hij klassieke vormen en technieken niet schuwt, betovert hij vooral door zijn veelzijdigheid en veranderlijkheid. De Eindhovenaar is een meester in het vatten van het ongrijpbare. Zijn werk ontbrak niet op de hoogste schavotjes van het hedendaagse kunstgebeuren : Biennale van Venetië, Documenta IX en een solo-tentoonstelling in het Van Abbemuseum. Nog dichterbij was hij één van de vier gastkunstenaars op het ?Rendez(-)Vous? in het Gentse Museum van Hedendaagse Kunst (1993). Deze zomer is van hem in Middelheim de grote eenmanstentoonstelling ?In het Park? (tot 18.8) te zien. Je hebt het Braem-paviljoen een oosters aanschijn gegeven. Waarom ? HENK VISCH : Ik ben een keer opgebeld door iemand die zei : ik wil u graag interviewen over uw reizen naar India. Ik zei, daar ben ik nog nooit geweest en hij geloofde dat niet. Voordat ik begon met kunst heb ik wel Suzuki gelezen, over zen, als oriëntering om je denken in overeenstemming te brengen met wat je ermee wil. En om het denken te integreren in je bestaan. Ik schrijf daarover in de tekst voor Middelheim, zoals ik het in een Chinees boek las : dat de wereld aan je verschijnt als een vraag of dat de wereld aan jou verschijnt als een antwoord. In het eerste geval moet je zeggen : wat is dat ? En daar kom je niet uit. In het tweede geval zeg je wat het is, en dan kan het zijn dat je op iets hebt geantwoord waarop geen antwoord mogelijk is. En daar ben ik toch wel maanden mee bezig geweest, voordat ik beelden ging maken : wat is het dat niet gevraagd kan worden ? Waarin verschilt een antwoord op een vraag die niet gesteld kan worden van een antwoord op een vraag die men niet zou moeten stellen ? Er staan vijftien werken in het paviljoen, en toch maak je er een leegte mee. En dat lijkt me geen mystieke maar een reële ervaring. VISCH : Dat vind ik ook. Het gaat om het denken bijna als viering, of als ervaring van het onbegrijpelijke. En niet het denken, op technocratische wijze, als instrument om er te komen. Dat kan het denken ook : het onbegrijpelijke te leren kennen. En in die zin is dat leegte. En kan ik dat accepteren. In je titels geef je stellige antwoorden. VISCH : Kunst is op een bepaalde manier ook heel onschuldig omdat ze toegankelijk is voor alles en iedereen en eigenlijk bestaat dank zij de gratie van de toeschouwer. In die zin vertegenwoordigt het geen macht. Als ik een beeld maak ben ik altijd teleurgesteld... of denk ik altijd : nu kan ik er nog niets mee doen. Nu heb ik dit, en ja, en wat dan ? En dan probeer ik in de titels volstrekt concreet te zijn. Bijvoorbeeld : ?Ik heers en verdeel : Couleur Locale?, dat is dorpspolitiek, wat zeg maar in een hoop grote steden gebeurt : heers en verdeel. Nu is dat werk exact zo gemaakt. Want ik heb die kleuren daar, als ik heers en verdeel, willekeurig erop gezet. Dus het is identiek met het werk, op dezelfde wijze als een naam bij een mens hoort. Alleen, doordat het in de taal zit, en veel eenduidiger wordt terwille van die taal, hoop ik dan dat het ingrijpt, dat men niet in een raadsel verdwaalt maar dat er een zeer concrete zaak uitkomt. Hoezo ? VISCH : Als ik iets maak is dat een realiteit : duidelijker kan het niet zijn, concreter kan het niet zijn. Dat denk ik, als ik het maak. Maar als het eenmaal klaar is en je kijkt ernaar met de ogen van de beschouwer, dan ben je eigenlijk die realiteit kwijt. En dat is heel jammer. In die zin is het mislukt, omdat je weet dat je iets werkelijks maakt, dat bij de werkelijke dingen hoort, wat dan altijd blijkt niet zo te zijn. En om dat te compenseren hoort dat concrete van de titels erbij. De beelden in het paviljoen verwijzen alle naar elkaar. VISCH : Ik heb dit gezien als een plein met vele verschillende mensen die weliswaar allemaal graag bij mekaar zijn maar niet weten waarom. Dan krijg je ook van die ordeningen. Je staat bij mekaar maar hoort niet bij mekaar. In het begin had ik het zo neergezet alsof er bijzondere relaties waren tussen bepaalde werken. Maar ik vond dat te eenduidig en dan heb ik het maar weer uit elkaar getrokken. Tussen de figuren staan elementen uit een wat vreemde architectuur. Ze lijken uit de ?Scuola metafisica? van De Chirico gestapt. VISCH : Ik heb daar absoluut niet aan gedacht, maar ik ken die wel heel goed. Heel toevallig heeft iemand mij afgelopen maand vier faxen gestuurd, allemaal van De Chirico. Het was de ene of andere opdrachtgever die, terecht, dacht dat men mij daarmee kon verleiden. En het is ook gelukt. Toen ik student was heb ik dat allemaal gezien, ook zijn grafiek... en er was zo'n tijdschrift, ?Valori Plastici?. Kijk, hoe nauwkeuriger je dingen zegt, hoe beter je de spijker op de kop slaat, ja, hoe meer je dan ervaart dat het soms niets uitmaakt : je kunt gelijk hebben maar het heeft geen enkele zin. Je kunt inzicht hebben in iets maar het levert ook niets op. Ach, en schilderkunst of zo, ach dat is zo sferisch, en ik wil zelf niet zo sferisch zijn. Ik wil het raadsel niet als houvast. Zit je daar niet heel dicht bij ? VISCH : Ik hoop dat het raadsel niet gesloten is maar dat het toegankelijk is, en dat daar niks in blijft. Er is een heel mooi verhaal in een film van Andrej Tarkovski over een klokkengieter. In een dorp is de kerkklok gebroken. Die luidt niet meer. Iedereen is zeer verdrietig en, ja, men heeft een klok nodig. Nu, de man die de klokken giet, die is dood. En ze kunnen nergens een andere klokkenmaker vinden. En dan komt het negenjarig zoontje van de klokkenmaker bij de burgemeester en zegt : mijn vader heeft mij het geheim verteld hoe je klokken moet maken, ik kan het, geloof mij maar. Die jongen krijgt de opdracht om die klok te maken, en heel het dorp werkt mee. De klok wordt gegoten en ze doet het. In het dorp is het feest, iedereen is gelukkig en dan gaan ze het jongetje zoeken om het te bedanken maar ze kunnen het nergens vinden. Dan blijkt dat het onder een boom zit te huilen. Het is toch een gelukkige dag, je zou toch blij moeten zijn ? Wat is er dan ? Zegt dat jongetje : nee, mijn vader had het geheim niet verteld... Dat geheim is natuurlijk niks, dat is het mooie daarvan. Want een geheim, dat kun je niet vertellen, daarom is het een geheim. Als het dat niet was, was het geen geheim maar gewoon informatie die niet toegankelijk is. Dat is toch hetzelfde ? VISCH : Ja maar, dat is het punt. Het werk wordt symbolisch zodra je er afstand van hebt. Maar als je het maakt, is het werkelijk. In die sprong ontstaat eigenlijk dat geheim. Dat je het niet meer weet, je hebt dat niet werkelijk in de hand. Ja, in principe begrijp ik mijn werk niet meer als het klaar is. Zo is dat ook. Als je het maakt wèl, dan heb je daar volledig contact mee, en op die manier begrijp je het wel. Zou het zin hebben om je gedachten tijdens het werken op tape te zetten ? VISCH : Ik schrijf ook wel eens op, maar dat slaat altijd tegen. Is dat dan niet de waarheid over het werk ? VISCH : Maar het blijkt altijd weer iets anders te zijn dan wat je denkt. Elke waarheid die geformuleerd wordt, lijkt niet te voldoen. Dan blijkt weer duidelijk dat het dat niet is. Het zou eigenlijk heel mooi zijn dat de betekenis van het werk is, alles wat het niet is. Dat is een breed veld. VISCH : Ja, zo zou het ook moeten zijn. Dus, alles wat je zou kunnen zeggen daarover, dat is het allemaal niet. Je werken lijken in het paviljoen een zachte landing te hebben gemaakt. VISCH : Eigenlijk om weg te gaan. Ze zijn niet geland om te blijven. Uit je beelden spreekt een voorkeur voor de lichte welving, de buigende lijn van de contouren. VISCH : Ik heb altijd tekeningen gemaakt, ook droge naald-grafiek. Ik tekende ook veel na, en nog wel. Bijvoorbeeld Egon Schiele. Als je die tekeningen ziet, en je volgt die lijnen, en je tekent ze na, dan merk je dat ze niet de registraties zijn van wat ie gezien heeft maar wat ie aangeraakt heeft. Dus die lijnen zijn eigenlijk, ja, de erotische lijnen. De aanraaklijn. En dat is een hele andere dan de optische. Jij spreekt hier over de ronde lijnen, wat ik erg leuk vind. Dat is iets heel wezenlijks denk ik. Omdat daarin enerzijds het lichaam zit... in die gebogen lijnen zit een lichaam, wat aangeraakt is. Je raakt toch ook aan met je ogen. VISCH : Ja, maar dat is toch totaal iets anders. Dat zie je bij Egon Schiele, die heeft lijnen die helemaal niet kunnen zijn, dat zijn lijnen waar hij geweest is met zijn gedachten, met zijn handen. Het lichamelijke is daar werkelijkheid. De lijn is eigenlijk het spoor van aanraking. Wat is die ervaring van het lichamelijke dan ? VISCH : Voor mij is het lichaam abstract. De ervaring van het lichamelijke is een zeer gecompliceerde zaak. Zonder vertaling van het lichaam in iets van wat jij van waarde vindt, lukt dat niet. In die zin is het puur lichamelijke bijna niet te vatten, niet te verdragen, en is het nodig om dat te ontstijgen, te sublimeren. Oorspronkelijk zou je een brug maken tussen Middelheim-hoog en -laag met een hoogspanningsmast. Die gedachtengang, om een brug te maken, zit er nog een beetje in. VISCH : Mijn eerste indruk in het park was : door hier te exposeren word je deel van die traditie, en dat heb ik altijd waardevol gevonden, en zo zie ik er ook geen scheiding in. Ik denk dat er heel veel verschillende zaken zijn, en zo wil ik het ook verbinden. Het park is voor mij heel exotisch. Zoals het gemaakt is, is het gedacht vanuit het kunstwerk dat voorbeeldig is naar de toeschouwer toe, dat de ideale wereld verbeeldt, nodig heeft, zoekt. Dat is nu niet meer zo, kunst functioneert niet meer als zodanig. Kunst wil deel zijn van de wereld, en zich ook zo manifesteren, en niet meer de quasi heilige plekken bezetten. Sommige werken die hier staan worden exotische dingen die je eigenlijk niet meer kunt begrijpen. Dat is een nieuwe kwaliteit, het worden bijzondere dingen, helemaal los van alles. En dat heeft opeens zo'n nieuwe waarde, die heel aantrekkelijk is als bijzonderheid. Een tentoonstelling, dat zijn eigenlijk vele bijzondere dingen bij elkaar. Waar jij, op voet van gelijkheid ook met de oude kunst, deel van uitmaakt ? VISCH : Ja. Ik denk dat verscheidenheid een kwaliteit is. Je hebt kunstenaars die steeds weer op hetzelfde thema terugkomen en er uitputtend op ingaan. De idee van identiteit van dingen die vaststaan, dat is mijn praktijk niet meer. Identiteit is iets wat tussen mensen ontstaat, wat afhankelijk is van omstandigheden. Zo denk ik dat het heel erg nodig is om voortdurend in verschillende omstandigheden en omgevingen te staan waardoor er zoveel mogelijk mogelijkheden van wie je zou kunnen zijn, aan bod komen. Zo hecht ik veel waarde aan het benoemen van verschillen. Ik denk dat dit interessanter is dan het zoeken van overeenkomsten. Het idee van afhankelijkheid, te weten dat wij afhankelijk zijn van elkaar, vind ik heel belangrijk. En niet het idee dat dingen onafhankelijk van elkaar bestaan. En als je die afhankelijkheid accepteert en zegt wat voor waarde je er aan geeft, dan ben je bezig met interpretatie, met empathie en zo. Op Middelheim-laag werk je eerder met klassieke sculptuurvormen. Is dat bewust ? VISCH : In dit nieuwe gedeelte zie je dat in de kunst van de tachtiger en negentiger jaren begrippen als transparantie en het ontwijken van het centrum meespelen, en dat iedereen in de marges zijn plek zoekt. Op een gegeven moment is dat zoiets komisch... Die onmacht... dat steun zoeken in de marge. En dat is eigenlijk een politiek statement over de kunst : ze zal geen machtspositie meer innemen, ze kan het niet meer en ze wil het niet meer. Ik heb er nadrukkelijk voor gekozen om iets heel klassieks gewoon neer te zetten in de ruimte, centrum zoekend zonder dat het bedreigend is in de zin van macht uitstralend. Het werk, ?Telling no Lies?, dat Middelheim aankoopt, verbindt hemel en aarde. Het alludeert op een vruchtbaarheid die het zowel uit de grond als uit de lucht haalt. VISCH : Elke inhoudsvorm is algauw baarmoederachtig en daardoor verbonden met vruchtbaarheid enzovoort. In die zin is het ook bijna het cliché van natuurbeeld. En daarom ook : ?Telling no lies !?. Het cliché is ook waar, dat is namelijk het punt. Er is niet iets wat alleen waar is of alleen niet waar. Alles is zeg maar heel veel. Dus ?Telling no lies !? is eigenlijk onmogelijk. En het is tegelijk het enige wat we natuurlijk voortdurend doen. Maar de waarheid te spreken... er zijn zoveel waarheden als mensen. In het werkelijk gesprek is er geen eenduidige waarheid. Er is een acceptatie, een tolerantie. Als we mekaar maar geen leugens wijsmaken. VISCH : Ja, ja. De waarheidsidee past helemaal op de symboliek van het totalitaire denken, en dat zit natuurlijk in dat hoge park. Daar hoort ook de waarheid bij, het Voorbeeld als Waarheid. Kunst als Voorbeeld voor Innerlijke Waarheid. In dat hoge park ga jij de Waarheid te lijf met een brutaal hedendaagse, knalrode sculptuur. VISCH : Het is ook bijna het cliché van wat moderne kunst moet doen : brutaliseren, door het plastic en dat rood, jaja. Dat is het ook... En tegelijk is het ook iets prachtigs. Het is net zo ontroerend als een veld tulpen. Je kiest zoveel onmogelijke vormen, gewoon redeloze dingen. VISCH : Ja. Ik beweer wel eens : in het onbegrijpelijke en in het niet-weten, daar ken ik de weg, zeg maar. Daar voel ik die vrijheid om iets te doen. Jan Braet Henk Visch, beelden in het Braem-paviljoen : een plein met vele verschillende mensen. Telling no lies, '96, brons, h.300 cm : bijna het cliché van natuurbeeld. De metafoor, '96, brons, 115x100x60 cm : een lichaam dat aangeraakt is. Henk Visch : zoveel mogelijk mogelijkheden van wie je zou kunnen zijn.Wie zichzelf beheerst, beheerst de wereld('96), brons, 85x60cm. : te weten dat wij afhankelijk zijn van elkaar...