In zijn door Joël De Ceulaer afgenomen interview ('We moeten wat vaker aan het heelal ruiken', Knack nr. 44) verklaart professor Ulrich Libbrecht dat ik hem (a) voor antisemiet heb uitgemaakt en (b) dat ik spreek over zaken waar ik niets van afweet. Libbrecht is een zeergeleerde man die geen raad weet met literatuur: hij begrijpt uitsluitend abstraheringen en daarom is hij ook filosoof geworden. Maar het maakt dat hij slecht leest. Ik heb in De Standaard verklaard dat hij ongetwijfeld absoluut geen antisemitische sympathieën koestert, maar evengoed wel opvattingen debiteert die het intellectuele antisemitisme van vandaag alleen maar voeden. De god in de thora noemde hij in een interview in diezelfde krant - en op dat interview reageerde ik - een tiran. Nu maakt hij zich daar met een semantisch handigheidje van af, hij zou het Grieks voor ogen hebben gehad, de tyrannos, zijnde de vorst. Nebb...

In zijn door Joël De Ceulaer afgenomen interview ('We moeten wat vaker aan het heelal ruiken', Knack nr. 44) verklaart professor Ulrich Libbrecht dat ik hem (a) voor antisemiet heb uitgemaakt en (b) dat ik spreek over zaken waar ik niets van afweet. Libbrecht is een zeergeleerde man die geen raad weet met literatuur: hij begrijpt uitsluitend abstraheringen en daarom is hij ook filosoof geworden. Maar het maakt dat hij slecht leest. Ik heb in De Standaard verklaard dat hij ongetwijfeld absoluut geen antisemitische sympathieën koestert, maar evengoed wel opvattingen debiteert die het intellectuele antisemitisme van vandaag alleen maar voeden. De god in de thora noemde hij in een interview in diezelfde krant - en op dat interview reageerde ik - een tiran. Nu maakt hij zich daar met een semantisch handigheidje van af, hij zou het Grieks voor ogen hebben gehad, de tyrannos, zijnde de vorst. Nebbisj, hij bedoelde wel degelijk een dictator. Vandaar mijn polemiek, Professor in het Niets, gevoerd door iemand die met het Hebreeuws is opgevoed: ik weet wel iets van die thora en aanverwante geschriften. Libbrecht mag vinden wat hij wil, maar mij van onwetendheid beschuldigen, is een zwakke retorische truc. In antwoord op mijn polemiek ontving ik een brief van twintig pagina's, voetnoten incluis. Daarop reageerde ik met onderstaand schrijven (het dateert van 20 september jongstleden), dat denk ik alles zegt wat er door de literatuur tegen dit soort a-literaire wijsbegeerte te zeggen valt: 'Uw brief, een half proefschrift, was een buitengewoon chique manier om te reageren op mijn polemiek - ik dank u daarvoor. Ik heb u beledigd, zoveel is duidelijk, en dat terwijl "u" mij helemaal niet interesseerde... ik sprak een koor van historische en contemporaine stemmen tegen, waarvan u als voorzanger fungeerde. Daarom was de titel van mijn stuk ook verkeerd, die had Boeddha of Thora moeten luiden; maar het ras der eindredacteurs is van een ongeneeslijke wijsheid. Ikzelf trouwens ook. Kortom, ik bied u zoveel verontschuldiging aan als u nodig hebt om mij mijn hardvochtigheid te vergeven - maar met de kwestie zelf heeft dat niets te maken. De kwestie is dat als Literatuur tegen Filosofie praat, Filosofie haar complimenteert met haar fraaie wendingen, haar retorische krullen, haar tremolo's, enzovoorts. En waarom doet zij dat? Omdat Filosofie denkt dat die lichtzinnige ijdeltuit "esthetisch" is en "dus" (pagina 15 van uw brief) niet met "waarheidscriteria" "benaderd" kan worden... Maar de literatuur, waarde opponent, is uit ander hout gesneden. Zij is niet verpakking, ornament, bibelot of wat dan ook, zij spreekt de onacademische waarheid! U verwijt mij onwetenschappelijkheid? Maar ik ben een schrijver, ik ga prat op mijn onwetenschappelijkheid, ik roep tegen Pascals sterrenhemel: "De vorm! Alleen de vorm kan ons redden!"Begrijpt u mij? Natuurlijk niet. U kunt mij eenvoudigweg niet begrijpen. Ik, klassiek geschoold westers intellectueel, moet qualitate qua een beetje redelijker worden. Ik moet een beetje ophouden schrijver te zijn, en mij Popperiaans-objectief-emotieloos uitdrukken; want de literatuur van zo'n opgewonden standje is bombast. Ondertussen schrijft u mij (op pagina 1) iets over rationalistische hubris, waar veel wetenschapsmensen even hard om zullen lachen als u om mij. Het probleem tussen ons beiden is, dat we elkaar toespreken in twee verschillende talen. U leest om te beginnen al dermate veel beweringen in mijn eenvoudige opstel die er helemaal niet in staan, dat ik me afvraag hoe u de bijbel of de Upanishaden of de rest van de krant kunt lezen, zonder terstond uw geest in een baan rond uw eigen denkwereld te lanceren. Zo ben ik helemaal geen joodse proseliet, ik ben een judeochristelijk-agnostische anglicaan, als u zich daarbij iets kunt voorstellen. Zo beschuldig ik u volstrekt niet van antisemitisme. Zo ben ik totaal niet anti-Vlaams, alleen verafschuw ik het nationalisme. Hoe komt u toch bij dat soort non-sequiturs? Ik van mijn kant begrijp u best: ik heb de godsdienstfenomenologie en de geschiedenis der wijsbegeerte grondig genoeg bestudeerd om al uw geleerdheid op eerbiedwaardige afstand te volgen. Maar uw syncretisme is als een suprahumane ether waarin mijn hele beschaving verdampt. Ja, mijn provincialisme lost om zo te zeggen op in uw kosmos!'Kortom, wij kunnen niet met elkaar praten; onze woorden zouden daarvoor een of ander derde punt nodig hebben. Het is hopeloos, beste professor. Maar ook u wens ik graag sjaloom toe, want u lijkt me een door en door fatsoenlijk mens.'Voilà. Libbrecht is dus geen antisemiet (a) en ik ben geen onwetende (b). Meer heb ik hierover niet te zeggen. Benno Barnard, Sint-Agatha-Rode.