In 1841 ontdekte Johann David Passavant in het prentenkabinet van Dresden een adembenemend gedetailleerde portrettekening van een oudere man in religieus gewaad. De treffende gelijkenis met een in Wenen bewaard schilderij maakte de identificatie gemakkelijk. De hand die zo nauwgezet en subtiel met de zilverstift het fijn doorgroefde gelaat tot leven had gewekt, behoorde toe aan Jan van Eyck (ca. 1390-1441). De geportretteerde, zo ontdekte Max Rooses in 1902, was niemand minder dan de Bolognese kard...

In 1841 ontdekte Johann David Passavant in het prentenkabinet van Dresden een adembenemend gedetailleerde portrettekening van een oudere man in religieus gewaad. De treffende gelijkenis met een in Wenen bewaard schilderij maakte de identificatie gemakkelijk. De hand die zo nauwgezet en subtiel met de zilverstift het fijn doorgroefde gelaat tot leven had gewekt, behoorde toe aan Jan van Eyck (ca. 1390-1441). De geportretteerde, zo ontdekte Max Rooses in 1902, was niemand minder dan de Bolognese kardinaal Niccolo Albergati (1357-1443), die in opdracht van de paus onder andere in Brugge was geweest om er over het beëindigen van de Honderdjarige Oorlog te onderhandelen. Omdat het gaat om de enige eigenhandige tekening van Van Eyck die bewaard bleef, heeft het Albergati-portretje een haast mythische roep verworven. Daarom werd het nog niet altijd met de grootste zorg behandeld, zegt Thomas Ketelsen. De Dresdense conservator reisde het naar het Brugse Groeningemuseum na, waar het samen met een tachtigtal oud-Nederlandse tekeningen (en een handvol schilderijen) geëxposeerd wordt (tot 28/2). In de negentiende eeuw werd het zelfs twintig jaar lang aan het volle licht blootgesteld, zo Ketelsen. Had men niet tijdig ingegrepen, dan was er van het meesterwerkje uit de laatmiddeleeuwse kunst niets meer overgebleven. Maar bij het zien van de lijkbleek in het gezicht teruggetrokken ogen van de kardinaal, krijgt men toch het gevoel dat de tekening langzamerhand door het papier opgeslorpt geraakt. Tegen oxidatieprocessen valt niet veel te beginnen. De delicate uitvoering van oud-Nederlandse tekeningen doet eigenlijk nauwelijks vermoeden dat ze extreme gevoelens en gedachten uitdrukken, tussen onwereldse vroomheid, onversneden wreedheid en het grotesk monsterachtige. De wurgende spanning in de donkere Hof van Olijven bij de Meester van Frankfurt, de edele bewogenheid van de staande Maagd met kind uit de omgeving van Hugo van der Goes, de kinderverslinder Saturnus wiens geslacht met een mes wordt afgesneden op een anonieme tekening, de bosschiaanse wezens met hun dierlijk-menselijke trekken, zoals de Meester van Absalom zich die verbeeldde. Grote en kleine meesters lieten zich overigens in hun atelierpraktijken niet altijd door louter religieuze inspiratie leiden. Een pentekening van een Mariafiguur met Jezuskind in een mooie loggia laat aan de achterzijde ook een vrouwenhoofd zien in de vorm van een kont met een penis. Thomas Ketelsen noemt dat fijntjes 'de nachtzijde van de 15e eeuw'. J.B.