door dirk draulans
...

door dirk draulansMinister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht (Open VLD) was niet eens aanwezig op de top over Oost-Congo van de Verenigde Naties in de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Politiek toerisme in India was blijkbaar belangrijker. Maar veel doet het er niet toe. Diplomaten organiseren de ene top na de andere om wereldcrisissen aan te pakken, en lossen daarmee meestal niets op. Er komen afspraken en verdragen, en vervolgens gaan de vechters gewoon over tot de orde van de dag. Als de mensen die de crisissen veroorzaken, niet geïnteresseerd zijn in een oplossing, komt er niets van in huis. De Rwandese president Paul Kagame zou de crisis in Oost-Congo op zijn minst een andere wending kunnen geven, maar hij wil het niet. De Congolese president Joseph Kabila wil het wel, maar kan niet, want hij heeft de facto geen controle meer over de regio. De onvrede over het uitstel van het debat over Oost-Congo in de Veiligheidsraad van de VN is daarom niet meer dan wat gemor in de marge. Woordvoerders van de VN-vredesmacht in Congo spraken harde taal: ze zullen op de rebellen schieten als die de stad Goma zouden binnentrekken. De Uruguayanen en Indiërs die de hoofdmacht van de blauwhelmen vormen, weten wel beter: ze zullen zich verschansen in hun kampen en hun pantserwagens, en geen risico lopen het geld dat ze kunnen verdienen om thuis een groot huis te kopen op het spel te zetten. Ze zitten evenzeer in het defensief als de diplomaten. Het enige door de internationale gemeenschap (met name de Europese Unie) gesteunde leger dat in Oost-Congo ooit een verschil heeft kunnen maken, waren Franse troepen die in de zomer van 2003 kordaat een einde maakten aan etnische slachtingen. Een alle omstandigheden in acht genomen relatief lokaal probleem rond de stad Bunia, dat de Fransen snel onder controle kregen. Het was dus geen slecht idee dat politici voorstelden nu een Belgische strijdmacht naar de regio te sturen, en daarmee de politieke fall-out van de vermaledijde Rwandacommissie (eindelijk) van zich af te schudden. Helaas lijkt ook dat initiatief al een stille dood gestorven, versmacht door diplomatieke strubbelingen. De dure wereld van de internationale diplomatie staat in schril contrast met de wereld waarin miljoenen Congolezen al meer dan tien jaar lang moeten leven: een vreselijke wereld van armoede en barbaars geweld. De enige streng die de ene wereld met de andere verbindt, zijn de relatief schamele bedragen die regeringen uittrekken voor noodhulp. Hulp die vervolgens vooral door onafhankelijke en efficiëntie organisaties als Artsen Zonder Grenzen en Memisa ter plekke wordt gebracht. Maar ze kan nooit voldoende zijn om op structureel niveau het leven van een geteisterde bevolking te verbeteren. De hulp moet vooral dienen om onszelf de indruk te geven dat we de zielige mensen ter plekke niet vergeten zijn.