Altruïsme is een krachtig mechanisme in onze maatschappij. Je ziet het overal, zelfs losgekoppeld van persoonlijke motieven (zoals betaald worden om voor ouderen of zieken te zorgen). Maar altruïsme bezorgt biologen hoofdbrekens, want het past niet in het plaatje van 'ieder voor zich' dat de basis van de evolutieleer vormt. Iedereen is eropuit om zijn eigen genen zoveel mogelijk naar de volgende generaties voort te planten. Als dat kan via een vorm van sociaal gedrag, dan moet dat maar, hoewel het basisconcept dat van het individuele gewin blijft.
...

Altruïsme is een krachtig mechanisme in onze maatschappij. Je ziet het overal, zelfs losgekoppeld van persoonlijke motieven (zoals betaald worden om voor ouderen of zieken te zorgen). Maar altruïsme bezorgt biologen hoofdbrekens, want het past niet in het plaatje van 'ieder voor zich' dat de basis van de evolutieleer vormt. Iedereen is eropuit om zijn eigen genen zoveel mogelijk naar de volgende generaties voort te planten. Als dat kan via een vorm van sociaal gedrag, dan moet dat maar, hoewel het basisconcept dat van het individuele gewin blijft. De Britse bioloog Jack Haldane lanceerde in 1955 in een pub de stelling dat hij niet bereid was zijn leven te geven voor één broer, wel voor twee broers (of acht neven), omdat hij er pas dan statistisch zeker genoeg van was dat zijn altruïstische genen naar de volgende generaties zouden worden overgedragen. Altruïsme werd zo gekoppeld aan verwantschap ( kin selection), omdat wij een deel van onze genen gemeen hebben met onze verwanten. Hoe dichter de verwantschap, hoe meer gemeenschappelijke genen. Haldane leefde net lang genoeg om zijn provocerende gedachte als een sluitend verhaal te zien, toen de ook al Britse bioloog William Hamilton ze in 1964 in bruikbare formules goot. Hamilton gebruikte verwantschapsselectie om te verklaren waarom individuen in kolonies van sociale insecten zich opofferen om voor de eieren van de koningin te zorgen, in plaats van zelf eieren te leggen. Ze doen dat omdat ze allemaal verwant zijn aan elkaar. Het gaat dus nog altijd om de voortplanting van de eigen genen. Dat sterk op het individuele gen toegespitste denken raakte in 1976 wereldwijd verspreid door een boek van Hamiltons collega, Richard Dawkins, die het concept van het zelfzuchtige gen ( the selfish gene) lanceerde, waarmee hij lichamen herleidde tot vehikels om genen de kans te geven zich te propageren. Dawkins maakte van de mensenmaatschappij een bundeling van ego's - zijn ideeën werden enkele jaren later politiek vertaald in de weinig sociale regimes van Margaret Thatcher en Ronald Reagan. Maar altruïsme bleef een sluimerend probleem. Zeker omdat het vrij frequent is tussen niet-verwante individuen. Iemand helpen om de kans te vergroten dat je zelf geholpen wordt als je later in nood zit, was de eerste poging om een wetenschappelijk aanvaardbare uitweg voor dat altruïsme tussen onverwante individuen te vinden. Dat bracht echter geen oplossing voor het prangende probleem van het altruïsme op de lange afstand: mensen helpen die je nooit te zien zult krijgen, zodat de kans dat ze jou ooit uit de nood helpen nihil is. Jezelf bij je naasten adverteren als een goed iemand, wat gunstig is voor je status, en dus voor je kansen op voortplanting, was de volgende stap. Dat begint vergezocht te klinken. Sinds vorig jaar is er een kentering in het denken. Een kentering die teruggrijpt naar de oorsprong van de evolutietheorie, naar Charles Darwin, die in 1871 in het boek waarin hij zijn ideeën voor het eerst consequent op de mensensoort toepaste, stelde: 'Alhoewel een hoge standaard van moraliteit een individuele mens en zijn kinderen geen of slechts een klein voordeel oplevert ten opzichte van andere mensen van dezelfde stam, levert een verhoging van de standaard van moraliteit de ene stam ongetwijfeld een enorm voordeel op ten opzichte van de andere.' Darwin lanceerde daarmee het idee van de groepsselectie, die niet draait om competitie tussen individuen, maar om competitie tussen groepen van individuen. De logica ervan is: de mensenmaatschappij is complex, en kan alleen functioneren als mensen samenwerken. Maar dat maakt het systeem kwetsbaar voor echte egoïsten, die geen energie verliezen aan het helpen van anderen maar uitsluitend met zichzelf bezig zijn. Een maatschappij met te veel egoïsten kan echter niet als maatschappij functioneren. Wat voor de paradox zorgt dat sociaal gedrag een groep succesvoller maakt dan een andere groep, hoewel een egoïst binnen zo'n sociale constructie het er beter af kan brengen dan een sociaal iemand. De kernboodschap hier is: te veel zelfzuchtigheid is nefast voor een sociaal systeem. In de jaren 1960 was er, onder impuls van de Britse bioloog Vero Wynne-Edwards, een opstoot van aandacht voor groepsselectie, maar het concept werd al snel irrelevant beschouwd in vergelijking met de selectie binnen een groep. Dawkins gaf het, 100 jaar na Darwins stichtende zinnetjes, een nekslag. De groep was niet meer dan een instrument ten voordele van het individu. Maar de jongste jaren duiken er waarnemingen op die groepsselectie lijken te steunen. Zoals de verrassende vaststelling, vorig jaar in het vakblad Public Library of Science Biology, dat ook chimpansees altruïstisch gedrag vertonen ten opzichte van onverwante soortgenoten en van andere soorten, in casu de mens. Wat zou impliceren dat altruïsme diepere wortels in ons systeem heeft dan een soort sociale zekerheid voor later. We zijn er in feite niets mee gebaat om zwerfkatten in huis te halen of ons in te zetten voor de arme boeren van Senegal, maar voor een aantal mensen is het sterker dan henzelf: het lijkt in hun genen te zitten. Altruïsme wordt op alle niveaus waargenomen, van cellen die zelfmoord plegen om plaats te ruimen voor jongere opvolgers zodat het weefsel waarvan ze deel uitmaken optimaal kan blijven functioneren, tot mensen die minder kinderen maken dan ze zouden kunnen om te vermijden dat het systeem waarin ze leven kreunt onder overbevolking. Het feit dat wij nu zo weinig kinderen krijgen, is een moeilijk punt voor de op voortplanting van de eigen genen geënte denkers. Ze proberen de klip te omzeilen door zich te beroepen op de stelling dat het 'optimaal' doorgeven van genen naar de volgende generaties niet noodzakelijk betekent dat men zoveel mogelijk kinderen maakt, wel dat men net zoveel kinderen maakt als men goed op weg kan zetten. De Proceedings of the National Academy of Sciences bracht enkele jaren geleden echter een wiskundig model dat een op het succes van de groep toegespitste aantalsregulatie via een beperking van de voortplanting plausibel maakte. Een eerste opkikker voor de groepsselectie. Het topvakblad Nature publiceerde vorig jaar bevindingen met virussen die bacteriën aanvallen. Voorzichtige virussen doen het als groep beter dan agressievere soortgenoten die soms zo wild te keer gaan dat ze de bacteriepopulaties waarvan ze (allemaal) moeten leven uitputten. Recente analyses van veldonderzoek met leeuwen hebben, volgens het topvakblad Science, ook argumenten pro groepsselectie aangeleverd: dominante leeuwinnen besteden veel tijd aan het verdedigen van het territorium tegen indringers, een risicovolle onderneming, zonder dat ze daar meer persoonlijk voordeel uithalen dan leeuwinnen die een rustiger rol op zich nemen. Maar voor het welzijn van hun groep is het cruciaal dat ze de risico's nemen. Een inzicht dat eind vorig jaar in het blad New Scientist op mensenpopulaties werd toegepast, onder meer door de wereldberoemde Amerikaanse sociobioloog Edward Wilson. Hij is een mierenexpert die van het ontrafelen van de biologische drijfveren van sociaal gedrag (ook van mensen) zijn levenswerk heeft gemaakt. Wilson is nooit een vurige verdediger van exclusief zelfzuchtige concepten geweest, maar nu trekt hij duidelijk de kaart van de groepsselectie, ook om menselijke interacties te begrijpen. De sleutel daarbij is dat ons maatschappelijke systeem een vorm van gelijkheid tussen individuen voorziet die uniek is in de wereld. Bij onze naaste verwanten, de mensapen, draait alles nog om een op kracht en status gebaseerde hiërarchie, waarbij de besten de meeste middelen krijgen, en dus ook de meeste kansen op voortplanting. Maar bij de mens is dat anders. Zeker in de kleine prehistorische mensengemeenschappen moet er weinig hiërarchie in het spel zijn geweest. Om dat egalitaire systeem behoorlijk te doen functioneren, is een verregaande vorm van samenwerking geïntroduceerd. Die stap heeft het mogelijk gemaakt dat de mens de wereld is gaan domineren, net als andere hypersociale wezens zoals mieren en kakkerlakken. Er zijn dus wel veel mensen op de wereld, maar de meesten floreren in een groep, waarbij groepen met elkaar in competitie kunnen gaan. Oorlog is daarbij een sterke drijvende kracht. Oorlog stimuleert concurrerende gemeenschappen tot inventiviteit om de vijand op een afstand te houden of te overwinnen. Een visie die perfect in het concept van groepsselectie past. Ze verklaart ook waarom zoveel mensen schijnbaar zinloos hun leven op het spel zetten tegen een vijand die ze zelfs niet hoeven te kennen. Het gaat om hun groep, hoe moeilijk het soms ook lijkt om daar een leven voor op te offeren. Het topvakblad Science toonde het eind vorig jaar nog aan: altruïsme floreert vooral in een context van conflicten tussen groepen. Een oorlog hoeft zelfs niet permanent te zijn, een opstootje af en toe kan volstaan om mensen te doen samenklitten en hun groep tot een succes te maken. Het is niet verwonderlijk dat leiders soms een conflict uitlokken om hun volk achter zich te krijgen, hoewel zo'n strategie veel van zijn waarde verliest als mensen de indruk krijgen dat het uitzichtloos is - zoals de Amerikaanse president George W. Bush stilaan beseft nu zijn war on terror langer aansleept dan voorspeld. Wilson gaat uiteraard niet zo ver te zeggen dat de zelfzuchtige aspecten van natuurlijke selectie minder belangrijk zijn geworden. Zowel groeps- als individuele selectie speelt een rol. Maar hij drijft zijn nieuwe visies wel consequent door. In het vakblad BioScience poneerde hij enkele weken geleden dat de complexe mieren- en bijengemeenschappen puur op basis van altruïsme ontstaan kunnen zijn. Dat er dus eerst altruïsme was, en pas daarna complexe verwantschap. Het was hem onder meer opgevallen dat op koninginnen gebaseerde systemen ook opduiken bij bladluizen, die allemaal klonen van elkaar zijn of bij naakte molratten, die zich voortplanten als een doorsneezoogdier. Maar Wilsons tegenstanders, met de zelf nogal zelfzuchtig ingestelde Dawkins op kop, fulmineren dat hij het zot in de kop gekregen heeft, en fundamentele fouten tegen de basisideeën van verwantschapsselectie maakt. Wie in zijn omgeving echter oog heeft voor wat we maar het goede in de mens zullen noemen, zal zich spontaan kunnen vinden in Wilsons ideeën. Met als extra argument dat hij zich gesteund weet door een van de grootste denkers die de wereld ooit heeft voortgebracht: de vader van de evolutieleer zelf, Charles Darwin. DOOR DIRK DRAULANS