Hoe groot ook zijn geloof en zijn talent, zelfs Martin Scorsese kan geen wonderen verrichten. "Kundun", zijn film over de kinder- en jeugdjaren van de veertiende en huidige dalai lama kan zeker niet tippen aan de vele cinematografische hoogtepunten in de carrière van de meest gerespecteerde Amerikaanse regisseur van de laatste kwarteeuw: "Mean Streets", "Taxi Driver", "Raging Bull", "The Age of Innocence", "Casino".
...

Hoe groot ook zijn geloof en zijn talent, zelfs Martin Scorsese kan geen wonderen verrichten. "Kundun", zijn film over de kinder- en jeugdjaren van de veertiende en huidige dalai lama kan zeker niet tippen aan de vele cinematografische hoogtepunten in de carrière van de meest gerespecteerde Amerikaanse regisseur van de laatste kwarteeuw: "Mean Streets", "Taxi Driver", "Raging Bull", "The Age of Innocence", "Casino". Natuurlijk is "Kundun" superieur aan "Seven Years in Tibet", de recente film van Jean-Jacques Annaud over de omstreden Oostenrijke avonturier Heinrich Harrer, die na zijn ontsnapping uit een Brits kamp in Indië, in Tibet belandt en er de mentor wordt van de jonge dalai lama - het is een belediging voor Scorsese om daar zelfs maar aan te twijfelen. "Kundun" is ook een betere film dan "The Little Buddha" (1993) van Bernardo Bertolucci, die andere spirituele oosterse odyssee van een westers regisseur die met zijn Italiaans katholieke erfenis worstelt. Maar het blijft een moeizame en hybridische mengelmoes van een religieus epos uit Hollywood en een voor dezelfde Hollywoodnormen radicale meditatie over geloof en transcendentie. Scorsese begint zijn vertelling in 1937 in Tibet. Als de dertiende dalai lama sterft, gaat een heilige man op zoek naar een kleine jongen die de volgende persoon wordt in wie de geest van Boeddha mag huizen. Hij vindt zo'n kind in een bergdorpje; de rest van de film toont vervolgens hoe de twee jaar oude Tenzin Gyatso ( Tenzin Yeshi Paichang) moet leren leven met zijn spirituele roeping, hoe de tiener een bescheiden en saaie jongeman wordt (nu gespeeld door Tenzin Thuthob Tsarong) die er niet zo zeker van is of hij wel weggelegd is voor zijn grote rol van spirituele en politieke leider van Tibet. De film eindigt in 1959. Nadat hij vergeefs probeerde een vreedzame regeling te treffen met de Chinese agressor, vlucht de dalai lama zijn land uit, en vestigt zich als banneling in India. Het is allemaal zeer fraai, nobel en wezenlijk ondramatisch. De dalai lama wordt nooit op de proef gesteld, zijn spirituele gratie is een voldongen feit, nooit is hij ten prooi aan de twijfels die de Jezus uit Scorseses "Last Temptation of Christ" voortdurend de duivel aandeden.MAO ZEDONGScorsese houdt zijn ingetogen stijl ook aan wanneer de Chinezen begin jaren vijftig Tibet binnenvallen en het gebied annexeren. Een bijna verwijfde Mao Zedong (die meer op de aartsschurk Blofeld gelijkt uit de James Bond-serie dan op de historische figuur die we kennen) zegt tegen de dalai lama dat godsdienst opium is voor het volk en dat het tijd wordt om de Tibetanen te bevrijden; het duurt niet lang of het Rode Leger begint op een systematische manier de erfenis en de sociale structuur van Tibet te verpletteren, onder meer door het bombarderen van de duizenden lamaïstische kloosters van dit diepgelovig vreedzaam volk. Van de regisseur van "Cape Fear" en "GoodFellas" zou je verwachten dat met de communistische invasie ook het bloed van het scherm druipt, maar de wreedheden worden ons grotendeels bespaard; het weinige dat we te zien krijgen, is zo bliksemsnel gemonteerd dat het gesublimeerd wordt. Dit past dan weer in het sprookjesachtige concept. Een groot deel van de film wordt gezien door de ogen van een kind dat vol verbazing de wereld ontdekt. En wat een wereld! We worden ondergedompeld in een betoverende, archaïsche beschaving die met een verbluffende picturale schoonheid in het Marokkaans hooggebergte werd gereconstrueerd, inclusief een reproductie van de beroemde tempel van de Heilige Stad Lhasa. Scorsese brengt in "Kundun" een vergane cultuur op somptueuze wijze tot leven. Hij zegt dat hij de film dan ook in de eerste plaats voor de Tibetanen heeft gemaakt: om ze ook voor de komende jaren een getuigenis te geven van hun door de Chinezen verwoeste cultuur en religie. Alhoewel er in vele scènes niet veel gebeurt, behalve boeddhisten die zitten te keuvelen over de verlichting, het karma en het nirwana, gunt de rusteloze, drukdoende visuele stijl je nauwelijks tijd om te verpozen. Scorsese zet de grote filmische middelen in om zijn kroniek zo cinematografisch mogelijk te maken: jump-cuts, overvloeiers, sierlijke camerazwenkingen, vertraagde beelden, opzichtige schuine camerastanden, repetitieve rijbewegingen. En er zijn schitterende visuele crescendo's, zoals de terugkerende kleureffecten van een zandtapijt; of de nachtmerrie van de dalai lama, omringd door lijken van duizenden monniken - gevat in een majestueuze kraanbeweging waarmee Scorsese kennelijk het beroemde shot van de ravages van de Burgeroorlog in "Gone With the Wind" wil overtreffen. En de schitterende beelden krijgen nog eens extra weerklank dankzij de score van Philip Glass, repetitieve koorzang van een zachtzinnig bezwerend karakter. Afgezien van het feit dat deze luxueuze verpakking indruist tegen het contemplatieve karakter van dit verhaal over een geestelijke leider die alles verliest (zijn jeugd, zijn familie, zijn vrienden, zijn leraars en uiteindelijk ook zijn land), kan de pyrotechniek ook niet verhullen dat de recente geschiedenis van Tibet iets wezenlijk anti-cinematografisch heeft. De Amerikaanse recensent David Denby slaat de spijker op de kop wanneer hij stelt dat alle grote filmpersonages ontzettend wilskrachtig zijn - als voorbeeld geeft hij Charles Foster Kane, Vito en Michael Corleone, maar ook Scorseses Jake La Motta. In "Kundun" gaat het integendeel over mensen die verzaken aan actie en verzet. EEN MODEVERSCHIJNSELGeweldloosheid zorgt zelden voor goede cinema, maar biedt zeker ook geen garantie voor een betere wereld, het - misleidende - voorbeeld van Gandhi ten spijt. De futiele pogingen van de jonge dalai lama om zijn volk te beschermen zonder naar de wapens te grijpen zijn tot mislukken gedoemd. Scorsese maakt er werk van om te tonen hoe de Tibetanen hun waardigheid bewaren, maar zijn suggestie dat ze als spirituele overwinnaars uit de strijd tevoorschijn komen, is toch een wat romantische voorstelling van de harde realiteit van een langzame genocide. Je gaat je ook afvragen of Scorsese wel de geschikte regisseur was voor dit materiaal. Bij soortgelijk stichtend spektakel denk je meer aan Steven Spielberg (vergeten we niet dat de scenariste van "Kundun", Melissa Mathison, ook "E.T" schreef) of, godbeware ons, Richard Attenborough. Natuurlijk mag ook Scorsese het over een andere boeg gooien en valt er niet te twijfelen aan de oprechtheid van zijn interesse in de Tibetaanse kwestie - in Hollywood toch ook een modeverschijnsel. Sommige Scorsese-dwepers van de harde lijn wringen zich in de vreemdste bochten om "Kundun" toch maar op een logische manier in het Scorsese-oeuvre te doen passen. Voor hen is "Kundun" "Casino" met boeddhisten. Hallo? De enige link tussen "Kundun" en de films die beter bij het temperament van de regisseur passen, is dat Scorsese ook hier de belangstelling van een antropoloog aan de dag legt. Met een welhaast fetisjistische gedrevenheid onderzoekt hij het ritueel formalisme van de Tibetaanse beschaving. Hij benadert hun bedreigde cultuur ook met het grootste respect; de meeste rollen worden gespeeld door Tibetaanse bannelingen. Dat maakt het dan weer jammer dat deze prent zo nodig in het Engels moest worden gedraaid. Hoe je het ooit wendt of keert, de boeddhisten uit "Kundun" zijn allemaal veel te vroom, heilig en moreel onberispelijk om enige spanning te genereren. Scorsese excelleert integendeel in milieus waarin niemand zonder zonde is, in portretten van individuen gedreven door een verwrongen religieus besef. Irriterend is ook dat Scorsese zo weinig kritisch is voor de Tibetaanse theocratie, een bedenkelijke staatsvorm die hier wel bijzonder idyllisch wordt afgeschilderd. Voor zijn eerstvolgende film bevindt de regisseur uit New Yorks Little Italy zich gelukkig weer op vertrouwd terrein. Het wordt een biopic over Dean Martin en de zogeheten Rat Pack (Martin, Frank Sinatra, Peter Lawford, Sammy Davis Jr.), de showbizzkliek die in de jaren zestig Las Vegas onveilig maakte. Patrick Duynslaegher