'De oorlog was afgelopen en de wereld vergaan. Maar tegelijkertijd was ze nog volop aanwezig. Men had te maken met een nieuwe werkelijkheid en moest een nieuwe wereld en vooral een nieuw Europa vanuit de ruïnes van het oude opbouwen.' Zo begint de Nederlandse historicus H.W. von der Dunk het hoofdstuk over de jaren twintig in zijn magistrale cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw De verdwijnende hemel. De jaren twintig, betoogt hij, waren jaren van 'vrijheid en onrust'. Een klein college.
...

'De oorlog was afgelopen en de wereld vergaan. Maar tegelijkertijd was ze nog volop aanwezig. Men had te maken met een nieuwe werkelijkheid en moest een nieuwe wereld en vooral een nieuw Europa vanuit de ruïnes van het oude opbouwen.' Zo begint de Nederlandse historicus H.W. von der Dunk het hoofdstuk over de jaren twintig in zijn magistrale cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw De verdwijnende hemel. De jaren twintig, betoogt hij, waren jaren van 'vrijheid en onrust'. Een klein college. Was het Verdrag van Versailles het begin van een nieuwe tijd? HERMANN VON DER DUNK: Onmiskenbaar. De Eerste Wereldoorlog had voor een cultuurbreuk gezorgd. Het hooggestemde burgerlijke vooruitgangsgeloof had een geweldige dreun gekregen. In heel Europa heerste in de jaren twintig een soort eschatologische stemming. Het gevoel dat de mensheid voor een beslissende tweesprong stond: de terugval in algehele barbarij of de komst van een nieuwe, gelouterde mens. En dat ging natuurlijk gepaard met het roepen om een nieuwe Messias, een Grote Leider. De oorlog had een enorme leegte nagelaten. De oude elites, de adel, de hogere standen hadden gefaald. Dus die nieuwe leider moest uit het volk komen. En daar hebben figuren als Mussolini en Hitler schitterend op ingespeeld. Stond de opkomst van het nationaalsocia-lisme in de sterren geschreven? Bevatte de vredesregeling van Versailles al de kiem van een toekomstige catastrofe? VON DER DUNK: De verleiding is groot om dat achteraf, vanachter de schrijftafel van de historicus, te constateren. Het nationaalsocialisme in Duitsland, het fascisme in Italië en het bolsjewisme in Rusland zijn natuurlijk niet te begrijpen zonder de Eerste Wereldoorlog. Maar dat betekent niet dat je het natio-naalsocialisme in 1918 kon zien aankomen. De grote tegenstelling, daar was iedereen van overtuigd, was die tussen links en rechts. Niemand kon op dat moment voorspellen dat er een derde kracht zou opkomen: een mengsel van oud en nieuw, van reactionair en revolutionair. Een zendingsgedachte - er komt een nieuwe wereld! - gekoppeld aan een radicale wil tot destructie. Typerend voor de jaren twintig is de cultus van de jeugd. Had dat ook weer met die oorlog te maken? VON DER DUNK: Zoiets komt nooit uit de hemel gevallen natuurlijk. Het was eigenlijk op het einde van de negentiende eeuw al begonnen, met de opkomst van de jeugdbewegingen en de massasport. Jongeren werden niet langer gezien als mislukte volwassenen. Door de oorlog werd het contrast tussen de jeugd en de ouderen nog verscherpt. De militaire en politieke oorlogsleiders waren kale, witbesnorde, buikige heren - een man als Georges Clemenceau bijvoorbeeld was al over de tachtig. Zijn wereldbeeld was gevormd door de Krimoorlog en de Commune van Parijs. De jonge generatie, die het kanonnenvlees had moeten leveren, kwam uit de oorlog met het gevoel: wij zijn door onze vaders geslachtofferd. En die vaders wilden niet wijken? VON DER DUNK: Nee, maar er was wel degelijk iets veranderd. Een interessant detail in dat verband is dat je plotseling overal het standbeeld van de Onbekende Soldaat zag opduiken. Dat moet je toch zien als een erkenning voor de offers die de jonge generatie had gebracht: in de negentiende eeuw was zoiets ondenkbaar geweest. Maar de oudere generatie klampte zich inderdaad vast aan de macht. Hoe zat het intussen met de moeders? VON DER DUNK: De Eerste Wereldoorlog, zo kun je achteraf constateren, was een belangrijke stap in het kader van de vrouwenemancipatie. Vrouwen moesten overal in het achterland de functies van mannen overnemen, als tramconducteur of als postbode - noem maar op. En de oorlog had natuurlijk ook de seksuele normen veranderd. De victoriaanse cultus van de preutsheid werd overboord gegooid. De achtergebleven vrouwen vonden nieuwe minnaars, en de mannen aan het front moesten zich maar op een andere manier zien te behelpen. Na de oorlog kreeg je een stormloop op bars en danslokalen. De mode veranderde, de rokken werden korter. Joséphine Baker maakte furore. Het is de tijd van de eerste naaktrevues, de Parijse cancan, de charleston en de foxtrot. Zeker in een land als Duitsland, dat na de nederlaag volkomen de kluts kwijt was, had je in de jaren twintig een enorme seksuele vrijheid. Berlijn was het centrum van al die nieuwe vrijheden. Er gebeurde enorm veel, het was een overweldigende uitbarsting van inventiviteit en hedonisme. Die geweldige catastrofe, dat drama van de oorlog, maakt in een samenleving blijkbaar ook creatieve krachten los. Destructieve krachten, maar ook creatieve. Hoe verklaart u in zo'n tijd het succes van een doemdenker als Oswald Spengler met zijn De ondergang van het Avondland? VON DER DUNK: Een van de grote vragen die ik me voortdurend stel, als ik met het Derde Rijk bezig ben, is hoe het kon dat zoveel vooraanstaande intellectuelen door de knieën gingen. Het heeft, denk ik, ook te maken met dat eschatologische bewustzijn waar ik het al over had: de oude cultuur had gefaald en de intellectuelen hadden een slecht geweten. Intellectuelen hebben kennelijk altijd extra behoefte om te laten zien dat ze met hun tijd meegaan en openstaan voor nieuwe ontwikkelingen. In de jaren twintig voelden ze zich ontzettend onzeker. Ze keurden allerlei praktijken natuurlijk wel af, maar wie weet kwam de nieuwe mens wel uit het nationaalsocialisme voort. Maar Spengler was natuurlijk geen nazi. Hij vond dat ordinair. Hij hoopte wellicht de intellectuele referentie van de natie te worden. Dat verklaart ook waarom iemand als Martin Heidegger, de grondlegger van het existentialisme, even met het nationaalsocialisme is meegegaan. Weer vanuit dat idee: misschien is dit het begin van de nieuwe tijd. Uit angst om de boot te missen? VON DER DUNK: Ja. Zoals ook in België en in Nederland een aantal intellectuelen zich met de fascistische beweging inliet. In Vlaanderen kun je dat nog enigszins verklaren door het verzet tegen de verfransing, maar Nederland kende dat probleem niet. Toch is ook in Nederland een minderheid van de intellectuelen gezwicht. Ontstaat er in de jaren twintig al zoiets als een massacultuur? VON DER DUNK: Zeker. Een belangrijke factor daarin is natuurlijk de techniek. De fotografie wordt steeds beter en goedkoper. Beeld wordt op massale schaal reproduceerbaar. De radio bevordert de communicatie voor brede bevolkingslagen. Je kunt zelfs een buitenlandse zender ontvangen! De schlager neemt het over van het volkslied en de smartlap. En dan is er de film en Hollywood. Het begrip 'filmster' maakt opgang: Greta Garbo en Rudolph Valen-tino zijn de nieuwe idolen. In tegenstelling tot het dure toneel is film voor iedereen toegankelijk. Een film kan in honderden zalen tegelijk worden vertoond. Die drie elemen-ten verklaren het ontstaan van de massacultuur na 1918. De wereld werd plotseling beschikbaar? VON DER DUNK: Dat zou na 1945 natuurlijk in nog veel grotere mate het geval zijn, maar het was een begin. Tegelijk kreeg je een versterking van het nationalisme. Mensen klampten zich vast aan het eigene. Er was een behoefte aan emancipatie. Maar tegelijkertijd identificeerde de kleine man zich sterker met zijn staat. Hij wilde alleen niet meer naar de oude standen luisteren, hij wilde het zelf voor het zeggen hebben. Het is vergelijkbaar met wat we vandaag meemaken, als een reactie op de globalisering en tegen de Europese elite. De massacommunicatie zorgde voor een vulgarisering van de politiek. In de kunsten zette dada zich al tijdens de Eerste Wereldoorlog af tegen de traditionele cultuur. Als die zo voorbeeldig was, waarom voorkwam ze dan die slachtpartij niet? Bij het jaar 1917 denkt iedereen aan de Russische Revolutie. Maar 1917 was ook het jaar waarin de Franse kunstenaar Marcel Duchamp op een tentoonstelling in New York een urinoir exposeerde om de verheven kunst en haar gelovigen voor schut te zetten. Wat Duchamp deed, was ook een revolutie. Van dan af was kunst een kwestie van kijken. Kunst was voortaan wat je kunst noemt. Er was geen objectieve norm meer. Het wereldbeeld was definitief gekanteld. H.W. VON DER DUNK, DE VERDWIJNENDE HEMEL, MEULENHOFF, AMSTERDAM, (TWEE DELEN: 496 EN 576 BLZ.), 45 euro. INGEKORTE VERSIE, LEES HET VOLLEDIGE INTERVIEW IN KNACK HISTORIA: EUROPA NA '14-'18, VANAF 22 OKTOBER IN DE WINKEL, 6 EURO. DOOR PIET PIRYNS EN HUBERT VAN HUMBEECK