Het was nipt. Het hing af van een enkele staat en er waren juridische betwistingen. De kiezersblokken zagen er eender uit, zoals ook bijna al de staten die de twee kandidaten wonnen: het was, in zekere zin, een herhaling van de verkiezingen in 2000 - met twee belangrijke uitzonderingen. De verkiezingen van 2004 vonden plaats in de schaduw van oorlog en globaal terrorisme. En dit keer deden de Republikeinen in hun campagnetactiek bijna alles goed wat ze vier jaar geleden fout hadden gedaan.
...

Het was nipt. Het hing af van een enkele staat en er waren juridische betwistingen. De kiezersblokken zagen er eender uit, zoals ook bijna al de staten die de twee kandidaten wonnen: het was, in zekere zin, een herhaling van de verkiezingen in 2000 - met twee belangrijke uitzonderingen. De verkiezingen van 2004 vonden plaats in de schaduw van oorlog en globaal terrorisme. En dit keer deden de Republikeinen in hun campagnetactiek bijna alles goed wat ze vier jaar geleden fout hadden gedaan. Het resultaat was dat George W. Bush een duidelijke zege boekte. Hij kreeg 51 procent van de stemmen, 3,5 miljoen meer dan John Kerry, en in absolute termen het grootste aantal stemmen ooit behaald door een presidentskandidaat. Het was veel beter dan in 2000, toen Bush de ' popular vote'(het totale aantal uitgebrachte stemmen) verloor. De Republikeinen vergroten hun meerderheid, zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat. En Bush' meerderheid berust op een breder electoraat (Curtis Gans, van het Comité voor de Studie van het Amerikaans Electoraat, becijfert dat 119, 8 miljoen mensen stemden in 2004, 14,4 miljoen meer dan in 2000). Dit keer kan het oordeel van de kiezers alvast niet betwijfeld worden. De zege van George W. Bush is des te opvallender, gelet op het feit dat de oorlog in Irak de natie verdeeld heeft en het economisch herstel wankel is. De helft van de kiezers zeiden dat ze dachten dat het de verkeerde kant opging in Irak en, in economische termen, thuis. Hij won ondanks, niet dankzij die dingen. Zijn overwinning boekte hij door terug te gaan naar fundamentele politieke principes - zweren bij een enkele boodschap, een plan hebben om de kiezers over de brug te halen - en dat beter te doen dan de tegenstander. Even leek de strijd uit te draaien op een exacte kopie van 2000. Meer dan 12 uur na het sluiten van de stembureaus in de cruciale staat Ohio, leek het erop alsof het hertellen van betwiste stembiljetten de uitroeping van een winnaar wekenlang kon tegenhouden. In het besef dat de kloof sowieso te groot was, gooide de uitdager dan toch de handdoek in de ring. 'Over het resultaat moeten de kiezers beslissen, geen langdurige juridische steekspelen', zei hij. In het jaar 2000 hoopten Bush en zijn campagnegoeroe Karl Rove een 'permanente regeringsmeerderheid' te vormen. Maar uiteindelijk moest de president alle zeilen bijzetten om herverkozen te raken. Er was geen ommekeer ten voordele van de ambtsdrager in de laatste dagen, zoals soms gebeurt wanneer een land in oorlog is. Opiniepeilingen aan de vooravond stelden een stabiele strijd vast, en, statistisch gesproken, een gelijke stand. Bush gaf niet meer uit dan Kerry in de laatste dagen, wat hij wel gedaan had tegenover Al Gore. Alles samen besteedden de twee kampen zowat 583 miljoen euro aan televisieadvertenties en aan acties om kiezers over de brug te halen. John Kerry veroverde 89 procent zelfverklaarde Democraten, meer dan Al Gore had gedaan. In het weekend voor de verkiezingen hield zijn campagne een bijeenkomst in Madison, Wisconsin, de grootste volksverzameling die de stad ooit had gezien: 80.000 mensen kwamen opdagen om Kerry en zijn 'supporting act' Bruce Springsteen te horen. ('Senator Kerry is zo te zien wel een serieuze publiekstrekker', sprak The Boss laconiek.) De Bush-campagne dacht af en toe dat Kerry's onbetwiste zwakheden als kandidaat betekenden dat hij een vogel voor de kat was. Als dat al zo was, dan kreeg de campagne van de uitdager in de laatste maand wel de bovenhand, zijn reputatie als goed eindsprinter eer aandoend. Een geslaagd optreden in de drie televisiedebatten werd gevolgd door twee weken slecht nieuws uit Irak, met als toppunt het bericht dat honderden ton zware explosieven uit een wapenarsenaal verdwenen waren. Zelfs een videoboodschap op de valreep van Osama Bin Laden leek niet zoveel verschil te hebben uitgemaakt. De grotere marge van de president in het kiescollege is bijna volledig te wijten aan een demografische verandering, niet aan een beslissende wijziging in het stemmenpatroon van de staten. Omdat de mensen verhuizen naar Republikeins-stemmende staten in het zonnige zuiden, groeide het totaal van de president in het kiescollege aan, zelfs zonder staten van de Democraten in te pikken. Maar wat verklaart nu een prestatie die beter was dan in 2000 en indrukwekkender dan waarschijnlijk leek tijdens een strijd die nek-aan-nek bleef tot op de verkiezingsdag? Het antwoord is een aantal kleine verschuivingen, en één potentieel grote. Er was een groeiende verschuiving in Amerika's ideologische samenstelling. In 2000 omschreef de helft van de kiezers zichzelf als gematigd en 29 procent als conservatief. Dit keer liep het aandeel zelfverklaarde gematigden terug tot 45 %, terwijl dat van de conservatieven klom tot 33 %. Amerika zette nog een kleine stap naar rechts. De opkomst steeg, maar niet genoeg om Kerry te helpen. Democraten rekenden dat een hoge opkomst inhield dat een heleboel kiezers voor het eerst zouden gaan stemmen, en dat die veeleer voor hen zouden stemmen. Pre-electorale onderzoeken leerden dat nieuwe kiezers met twee tegen één de voorkeur gaven aan Kerry boven Bush. Ze waren meestal jonger, veeleer geneigd om zichzelf tot de 'werkende klasse' te rekenen, en minder vaak naar de kerk te gaan. De Democraten hoopten dat het electoraat tot boven de 120 miljoen zou stijgen, of meer dan 60 procent van de kiesgerechtigden. De uiteindelijke 59,5 procent was het hoogst gemeten cijfer sinds 1968 en het stijgingstempo sinds 2000 was bijna twee keer zo groot als het in 1996-2000 was geweest. Rhodes Cook, een onafhankelijk politiek analist, betoogt dat een stijging in opkomst gewoonlijk een verandering van heersende partij betekent (zoals in 1992 en 2000 gebeurde). Dit keer was het niet zo. Kerry won bij degenen die voor het eerst stemden overtuigend met 54 tegen 45 %. Maar ze waren met te weinigen. Slechts 11 % van de mensen gingen voor het eerst naar de stembus - slechts weinig meer, als een aandeel van het totaal, dan in 2000. Kerry deed het ook goed bij jonge kiezers (18-29 jaar oud), de leeftijdsgroep die hem het meest steunt. Maar zij vormden hetzelfde aandeel - 17 % - als voorheen. Hij won zelfs bij onafhankelijke kiezers met 50 tegen 47 % (de meesten die voor het eerst stemmen laten zich als onafhankelijken registreren). George W. Bush is de eerste president in jaren die de stemmen van de onafhankelijken verloor. Maar dit woog allemaal niet op tegen Bush' succes bij het mobiliseren van zijn basis. In 2000 identificeerde 39 % van wie stemden zichzelf als Democraten, in vergelijking met 35 % als Republikeinen. Dit keer waren ze met 37 % gelijk verdeeld. Dit was des te opmerkelijker omdat registraties bij de Democraten dit jaar sneller gegroeid zijn dan bij de Republikeinen. Die mogen het minder goed gedaan hebben in het registreren van nieuwe kiezers, maar ze slaagden er veel beter in om hun kiezers (oud en nieuw) in de stemlokalen te krijgen. Het resultaat was dat de partij in staat was om zijn basis in Republikeins-stemmende regio's te consolideren en tegelijk Democratische stemmen te sprokkelen in onuitgesproken regio's. Ze wist veel beter het potentieel aan stemmen aan te boren. Beide partijen besteedden ongeveer evenveel geld aan het contacteren van kiezers, zo'n 97 miljoen euro (voor de Republikeinen was dat drie keer zoveel als in 2000). Maar terwijl de Republikeinen hun ' get-out-the-vote'-operaties zelf organiseerden, grotendeels met vrijwilligers, deden de Democraten in hoge mate een beroep op onafhankelijke groepen zoals America Coming Together, die niet verondersteld werden hun inspanningen te coördineren met de Democratische Partij. Maar misschien de belangrijkste uitleg voor het succes van Bush was het onverwachts opduiken van 'morele waarden' als het brandpunt van de campagne. In exit polls vermeldden meer mensen dit als het belangrijkste punt dan dat er waren die de economie, Irak of het terrorisme voorop plaatsten. Viervijfde van de Amerikanen die morele waarden op de eerste plaats stelden, stemde voor George W. Bush. Wat dit precies betekent, is evenwel niet duidelijk. Op het eerste gezicht suggereert dit dat thema's als het homohuwelijk en abortus meer gewicht kregen dan de oorlog tegen het terrorisme en de economie (200.000 verloren jobs in Ohio alleen al, in de afgelopen vier jaar). Het lijkt erop dat Karl Roves streven om de verkiezingen van 2004 te winnen door met dat soort thema's het gemoed te bespelen van vier miljoen 'ontbrekende' Evangelische Protestanten (die, zegt hij, in 2000 voor Bush hadden kunnen stemmen maar het niet deden) voortreffelijk gelukt is. Nu is het wel mogelijk dat 'morele waarden' niet alleen een zaak van sociaal conservatisme zijn maar ook een code voor vertrouwen in de kandidaat, of respect voor zijn bereidheid om kleur te bekennen - waar Bush het gemakkelijk haalde. John Kerry slaagde er nooit echt in om de kiezers te overtuigen van zijn leiderscapaciteiten. Wat kan de manier waarop Bush herverkozen is, betekenen voor een tweede termijn? In zijn zegerede sprak hij de aanhangers van Kerry rechtstreeks aan: 'Ik zal uw steun nodig hebben en ik zal werken om hem te verdienen.' Maar, met het winnen van de 'popular vote', heeft hij een mandaat voor een programma - dat radicale belastinghervorming en veranderingen in de sociale zekerheid inhoudt - zonder noemenswaardige Democratische steun. Door de controle van zijn partij op het Congres te vergroten, staat hij nu dichter bij het punt waarop hij zijn voorstellen zonder veel inspraak van de andere partij goedgekeurd kan krijgen. En gezien zijn sterke steun bij maatschappelijke en religieuze conservatieven, kan hij in de verleiding komen om die steun te consolideren door, bij voorbeeld, gelijkgezinde rechters voor het Hooggerechtshof voor te stellen. De zege van George W. Bush heeft Amerika het leed van nog eens een weifelachtige verkiezing bespaard. Maar hij brengt zijn eigen zorgen mee voor het regeren in de tweede termijn. © The Economist Copyright The EconomistAmerika zette opnieuw een kleine stap naar rechts.