1886, ?het verschrikkelijke jaar? van de arbeidersopstanden in Luik en Charleroi.
...

1886, ?het verschrikkelijke jaar? van de arbeidersopstanden in Luik en Charleroi.W ie zijt gij ?Ik ben een slaaf.Zo begon de Catéchisme du Peuple, een opruiende brochure waarvan in de loop van 1886 zo'n 200.000 Franstalige en 60.000 Nederlandstalige exemplaren aan de man werden gebracht. Die Volkscatechismus was een onderdeel van de socialistische campagne voor het algemeen stemrecht die haar hoogtepunt zou bereiken, in juni, met een grote demonstratie in Brussel. Mocht de liberale burgemeester Charles Buls die betoging niet hebben verboden. De Volkscatechismus, geheel naar het katholieke vraag-antwoord-model, was opgesteld door Alfred Defuisseaux, een advocaat uit het Henegouwse Baudour en leider van de Parti Socialiste Républicain. Hij was de zoon van Nicolas Defuisseaux, een liberale volksvertegenwoordiger voor Bergen, en broer van Léon Defuisseaux, eveneens advocaat die naderhand ook Kamerlid werd, eerst voor de liberalen daarna voor de socialisten. Léon en Alfred waren in die jaren de onbetwiste leiders van de republikeinse beweging, een niet onbelangrijke maar overwegend Franstalige factie binnen de progressieve kringen. DE EERSTE EXEMPLAREN van de Volkscatechismus waren al van de persen gerold toen midden maart 1886 in Luik een arbeidersopstand losbarstte. Nadat de sociale woede naar Charleroi was overgeslagen, waar ze door generaal Alfred Vander Smissen op bloedige wijze de kop werd ingedrukt, konden de meeste Waalse arbeiders de Volkscatechismus uit het hoofd afsnauwen. ?1886 het land zou vanaf de onafhankelijkheid in 1830 tot 1914 geen dramatischer jaar kennen,? constateerde de historicus Frans Van Kalken in zijn nu onvindbare Commotions populaires en Belgique (1834-1902). Nochtans was de Belgische burgerij op deze sociale beroering in het geheel niet voorzien. Eudore Pirmez had het nog gezegd : ?Het is de situatie van de bezittende klasse die minder goed is. Zij is het die lijdt. Van de kant van de arbeiders zijn er geen klachten.? En het liberale kamerlid uit Marcinelle, gewezen burgemeester van Marchienne-au-Pont, ex-minister van Binnenlandse Zaken en intussen minister van State, gold als een bolleboos in sociale en economische kwesties. Zakte het jaarsalaris van de mijnwerker van 1.006 frank in 1883 naar 783 frank in 1886, dan stelde Pirmez eenieder gerust met zijn vaststelling dat het hier om ?een crisis ten gevolge van de overvloed? ging. Er was dus geen reden tot ongerustheid. Terwijl hevige sociale onlusten de omliggende landen, Frankrijk, Engeland, Nederland en Spanje teisterden, werd het Belgische parlement volkomen in beslag genomen door het klassieke getouwtrek rond de jaarlijkse begroting. België worstelde met een economische crisis als gevolg van overproductie, van de terugloop van de consumptie en de stijgende werkloosheid. Maar daarvan was weinig terug te vinden in de dagelijkse berichtgeving. ?De beweging van 1886 was plots en gewelddadig, zoals de opstand van de beeldenstormers,? schreef historicus Henri Pirenne naderhand. Volgens Arthur Verhaegen, de latere stichter van de krant Het Volk, overviel de opstand het land ?als donderweer bij heldere hemel.? Ineens leek het erop alsof heel het Walenland in brand stond. HET BEGON ALLEMAAL in Luik, op donderdag 18 maart, met een door de anarchisten georganiseerd evenement ter gelegenheid van de vijftiende verjaardag van de opstand van de Parijse Commune. Gelijkaardige herdenkingen in Parijs en Brussel waren telkens vlekkeloos verlopen. De viering in de Brusselse taveerne De Zwaan was zelfs met een dansavond afgesloten. Wat in Luik als een herdenkingsmeeting op de Place Saint-Lambert was aangekondigd, draaide uit op een regelrechte stampage, met plunderingen en vernielingen in het stadscentrum. De Luikse mijnwerkers, die zich om twee uur in de namiddag al hadden laten bovenhalen om gevolg te geven aan de oproep van de anarchisten, waren nochtans niet gewelddadig gestemd, schreef Van Kalken. ?Ze voelden alleen dat obscure verlangen om met gelijk welk middel, een einde aan hun miserie te maken.? Eén van de opruiers had de demonstranten uitgedaagd met : ?Kijk naar al die spullen in de winkels ! Jullie maken ze, maar genieten er niet van. Een troep lafaards, dat zijn jullie !? Daarop steeg de wanorde ten top. De Luikse burgemeester, Julien d'Andrimont-de Mélotte, een liberaal Senator en mijnbaron, was volkomen verrast door de gewelddadigheid van de uitbarsting. Hij zat op het moment van de gebeurtenissen gezellig te tafelen met de oude toondichter Franz Liszt, die op doortocht was in Luik. De burgemeester moest het banket vroegtijdig verlaten en zou aan de episode de bijnaam Monsieur Fine Huître overhouden. D'Andrimont ging evenwel beredeneerd en doortastend te werk. Hij trommelde zijn politiemensen en burgermilities op, maar hij weigerde, wijselijk, het inzetten van troepen, waardoor de repressie binnen de perken bleef. Een drietal dagen later was de Luikse binnenstad opnieuw rustig. Er brak nadien weliswaar een mijnstaking uit, eerst in het bekken van Seraing, daarna in Tilleur en Flémalle. Maar de socialisten hielden ditkeer de zaak stevig in de klauw. Bovendien stuurde de katholieke minister van Oorlog, generaal Charles Pontus, troepen uit die via de bezetting van de Maasbruggen de stakers uit het centrum hielden. ?Soldaten als agenten van de industriële feodaliteit,? gnuifde La Réforme. ONDANKS ENKELE schermutselingen in Seraing en Tilleur was op maandag 22 maart alles opnieuw rustig in het Luikse. Zo rustig zelfs dat die avond minister Pontus ter plekke de toestand ging opmeten tijdens een diner ten huize van baron Eugène Sadoine, grote baas van Cockerill. De bezorgdheid van de regering voor dat bedrijf werd achteraf toegeschreven aan het forse pakket Cockerill-aandelen dat de graaf van Vlaanderen, vader van de latere Albert I, in portefeuille hield. Maar terwijl in Luik gaandeweg de orde werd hersteld, geraakten in en rond Charleroi de gemoederen verhit. De eerste tekenen van onrust werden al in de ochtenduren van donderdag 25 maart opgemerkt, in en om de kroegen in het gehucht Taillis-Prés, langs de weg van Charleroi naar Fleurus. De klanten daar, voor het merendeel Vlamingen, genoten een kwalijke reputatie. Vanuit Taillis-Prés vertrok een groep van een tweehonderdtal mijnwerkers naar andere mijnputten en fabrieken om er het werk stil te leggen. 's Middags al was het volgens Van Kalken duidelijk dat het hier niet om een één van die ?grèves des patates? handelde, kortstondige stakingen die veelal bij de eerste lentewarmte uitbraken, omdat de arbeiders dan veeleer zin hadden om in hun tuin te werken dan in de putten af te dalen. Nu lagen in een mum van tijd de bedrijven en mijnen rond Charleroi plat. Bij enkele glasbedrijven werden ook grote vernielingen aangericht. De lokale overheid, geleerd door de gebeurtenissen in Luik, schoten meteen in actie. De liberale burgemeester Jules Audent vroeg de regering om versterking. De ongeregeldheden bereikten een hoogtepunt op vrijdagnamiddag met de raid van de arbeiders op het glasbedrijf van Eugène Baudoux in Jumet. Baudoux kreeg de volle aandacht van de arbeiders want de onderneming was recent gemoderniseerd met de nieuwste Siemens-machines. Dat kostte tal van banen. De stakende arbeiders sloopten nagenoeg het hele bedrijf. ?Een heidens spektakel,? beweerden ooggetuigen. ?De wijnkelder van Baudoux werd ter plekke leeggedronken, waarna lallende arbeiders verkleed in de jurken en japonnen van mevrouw Baudoux paradeerden.? CHARLEROI GERAAKTE in paniek. In de stad werd verteld dat alle fabrieken en alle kastelen in de omtrek in brand stonden. In Brussel, waar al een eerste beursschok was gevoeld, oordeelde de katholieke regering van eerste-minister August Beernaert dat het tumult lang genoeg had geduurd. De eerste ijzervreter van het land, generaal Vander Smissen, werd uitgestuurd. Vander Smissen, de zoon van een generaal die als orangist was veroordeeld en naar Duitsland gevlucht, nam nooit halve maatregelen. Dat was eerder al gebleken tijdens zijn campagnes met de Fransen in Noord-Afrika en met het expeditieleger dat in Mexico keizer Maximiliaan ondersteunde. In Charleroi muilkorfde de generaal terstond de pers en gaf hij het bevel zonder waarschuwing op de muitende arbeiders te schieten waarschuwingsschoten waren volgens de generaal bijzonder gevaarlijk voor omstaanders. Het resultaat liet niet op zich wachten. Bij een eerste treffen met het leger, op zaterdag 27 maart in Roux, bleven twaalf arbeiders dood achter. In totaal zou Vander Smissens aanpak een twintigtal levens kosten. Op dinsdag 30 maart echter was de orde hersteld. Langs de invalswegen naar Charleroi werden de eerste bedelende arbeiders en arbeidsters opgemerkt. De schuldigen voor de opstanden waren gauw gevonden. Volgens de media waren Duitse anarchisten en Russische nihilisten in het spel. Het gerecht daarentegen veroordeelde zonder veel plichtplegingen twee aanvoerders van de opstanden in Charleroi, Xavier Schmidt en Oscar Falleur, tot twintig jaar dwangarbeid. Hen werd vooral de verwoesting van het glasbedrijf Baudoux aangewreven. Volgens de katholieke voorman Charles Woeste waren de muiterijen het zoveelste bewijs dat in de scholen de echte catechismus die van Mechelen onvoldoende werd onderwezen. ?Dat komt ervan als de arbeiders god noch gebod vrezen,? mijmerden de katholieken bladen. Op 4 juni verscheen auteur van de Volkscatechismus Alfred Defuisseaux voor zijn rechters. Hij werd ervan beschuldigd met zijn geschrijf te hebben aangezet tot ongehoorzaamheid en het koninklijk gezag in het gedrang te hebben gebracht hij gaf er Leopold II ferm van langs. Hoewel het niet met zoveel woorden werd gezegd, zou Defuisseaux volgens het gerecht mee de arbeidersopstanden hebben opgefokt een oordeel dat historicus Charles Terlinden nadien onderschreef. In elk geval werden tijdens en meteen na de opstanden wekelijks tot 20.000 exemplaren van de Volkscatechismus verspreid. Defuisseaux, die kon aanvoeren dat hij meermaals de arbeiders tot kalmte had aangemaand, werd tot twee keer zes maanden gevangenis veroordeeld. Maar alvorens het Hof de uitspraak deed, kon hij ontkomen, richting Frankrijk, waar hij tot september 1894 in ballingschap verbleef. Nog voor zijn terugkeer naar België was de Parti Socialiste Républicain opgelost in de Belgische Werklieden Partij. Defuisseaux, die achteraf nog tot socialistische Kamerlid werd verkozen, stierf op 11 november 1901 in Petit-Nimy, nabij Bergen. Met zijn dood kwam een einde aan de republikeinse stroming in België. Rik Van Cauwelaert Alfred Defuisseaux, de laatste republikein, was volgens het gerecht mee verantwoordelijk voor onder meer de raid op het glasbedrijf Baudoux.