Romantiek in de moderne Nederlandse literatuur : Ton Anbeek ging op zoek naar een definitie.
...

Romantiek in de moderne Nederlandse literatuur : Ton Anbeek ging op zoek naar een definitie.De blanke beschaving, zo vond Gerard Walschap in ?Oproer in Kongo? (1953), is ver vooruit op en dus superieur aan de primitieve zwarte samenleving. Zoveel vooruitgangsoptimisme (en eigendunk) was toen vrij gangbaar. Fel in contrast daarmee stond Walschaps veel positievere inschatting van een andere, lokale primitiviteit, die van de natuurmens in ?Houtekiet? (1939). Die waardering verraadt dan weer een romantische trek, de antipode van het positivistische Verlichtingsdenken. In zijn boek ?Het donkere hart? wijst de Nederlandse hoogleraar Ton Anbeek op dat gebrek aan eenduidigheid in het antagonisme natuur-cultuur. Hij verklaart het niet, maar ziet het wel als een kenmerk van de romantiek. Toch is een verklaring mogelijk. Walschap zag zich in de Kongolees geconfronteerd met een heel concrete maar tegelijk ook vreemde figuur. Die beoordeelde hij omzichtiger (en conformistischer) dan Houtekiet, een volstrekt mythisch, zelf gecreëerd personage waarin hij om het even welke utopie kon projecteren. Zo'n onderscheid zegt veel over de plaats van de romantiek in de literatuur, in dit geval de Vlaamse en de Nederlandse. Dat wou Anbeek net in ?Het donkere hart? aan de orde stellen. Hij heeft het, in de ondertitel van zijn boek, zelfs met een wat overdreven term over romantische ?obsessies?. VERLANGEN NAAR HET ONMOGELIJKEMet zijn zorgvuldig geschreven en erudiete boek vatte Anbeek een hachelijke onderneming aan die respect verdient. Hij ging ervan uit dat de romantiek zich niet beperkt tot een historische periode (eind 18de, begin 19de eeuw), maar doorwerkt in de moderne literatuur. Maar romantiek inderdaad een ?glibberig? terrein laat zich moeilijk eenduidig definiëren : altijd liggen de platitudes en de tautologieën op de loer. Anbeek omzeilde die meestal met succes, doordat hij niet, euh, romantisch ging zwalpen, maar de romantiek thematiseerde. Hij koos trouwens de goede gidsen, vooral Irving Babbitt en natuurlijk Mario Praz. Voor Anbeek bestaat de essentie van romantiek uit onvrede met het bestaan. Maar is zo'n onvrede van alle tijden en stromingen, ze wordt romantisch wanneer ze die koppelt aan een ?verlangen naar wat je niet kent?, het onbereikbare, het absolute. Artistiek primeert daarbij de verwevenheid van kunst en leven van de artiest. Dat is een benadering waar mee te leven valt. Intrigerend is Anbeeks vaststelling dat romantiek een zaak van, welja, mannelijke auteurs is. Vrouwen komen daar nauwelijks aan te pas. Anbeek stelt dat vast, maar verklaart het niet, hoewel er aan hypothesen geen gebrek kan zijn. Komt het omdat vrouwen als moeder makkelijker een levensvervulling vinden, terwijl mannen gedoemd zijn om eeuwig onvoldaan te blijven, altijd smachtend naar iets anders, naar elders, omdat ze alleen in fictie echt iets denken te kunnen creëren ? Ook nemen de Vlaamse letteren een belangrijke plaats in Anbeeks boek in men notere dat Anbeek die in een literatuurgeschiedenis enkele jaren geleden straal had genegeerd. Bezit de Vlaamse literatuur dan een hoger romantisch gehalte dan de Nederlandse ? Hangt dat samen met het feit dat Vlaanderen een veel uitgebreider plattelandsliteratuur heeft, in tegenstelling tot de Nederlandse, die vrijwel exclusief een stadsliteratuur is ? Veel vragen, weinig antwoorden. Soms slaat Anbeek zelfs de omgekeerde richting in door het raadsel nog te vergroten. Toch is er niet altijd ?vaagheid?, dubbelzinnigheid of tegenspraak waar ze lijkt op te duiken. Zo ziet Anbeek een tegenstelling tussen de romantische cultus van het ego en het even romantische nationalisme. Toch hebben beide eenzelfde bron : het ongemakkelijk stemmende besef van een identiteitscrisis. Vanuit dat perspectief wordt de paradox al heel wat minder paradoxaal : het (organische) volk is een extensie van het ik. En kunnen katholicisme en satanisme, twee ?romantismen?, elkaars tegengestelde lijken, het tweede blijft niet minder een omkering van het eerste en is er daarom structureel aan gelijk. RATIO VERSUS EMOTIEDeze twee voorbeelden en ook het geval-Walschap tonen aan wat in ?Het donkere hart? ontbreekt : een historische dimensie. Anbeek plaatst zijn materie te weinig in een context, die een beter, vollediger begrip had kunnen opleveren. Een zeldzame uitzondering daarop loopt al snel uit op clichés en misverstanden. Zo delft Anbeek over Vlaanderen nog maar eens de oude mythe van de eeuwenlange ?vreemde overheersing? op of vervalt hij in anachronismen, bijvoorbeeld wanneer hij de Vlaamse boerenroman ?fascistoïde trekjes? toeschrijft of het nationalisme louter associeert met conservatisme en erger. Dit alles illustreert een merkwaardige huiver bij Anbeek. Zijn onderwerp fascineert en beangstigt hem tegelijkertijd. Hij wil het bezweren met een anachronistische moraal die evenwel het uitzicht belemmert op de romantiek als historisch verschijnsel. Want romantiek associeert hij uitsluitend met irrationaliteit zelfs aan het woord emotie komt hij niet toe. Tot in zijn titel schakelt hij dat gelijk met duisternis, met het uitdraaien van het licht. Voor Anbeek groeit in de mens het romantische verlangen naarmate hij de wereld meer beheerst, wat historisch tamelijk ongenuanceerd is. Dus vreest hij dat, nu de mens nog meer greep op de wereld krijgt (een al even betwistbare stelling), de romantische duisternis nog verder om zich heen zal grijpen, en ?dat is geen prettig vooruitzicht.? Anbeek is dus, zeer romantisch, verscheurd. In zijn nuchterheid klampt hij zich aan de ratio vast als aan een reddingsboei. Toch beseft hij beter dan wie ook dat de spanning tussen rede en ?irrationaliteit? een unieke artistieke bron is. Zijn boek is er om dat te bewijzen. Marc Reynebeau Ton Anbeek, ?Het donkere hart. Romantische obsessies in de moderne Nederlandstalige literatuur?, Amsterdam University Press, Amsterdam, 214 blz.Kunst en revolutie : romantiek !