Onze directeur heeft zich in zijn carrière slechts één keer moeten verontschuldigen. In feite twee keer, maar de tweede was privé. Dat was toen wij eens met een paar redacteurs samen naar Abbeville moesten. We hadden afgesproken om tien uur 's morgens in een Novotel net over de grens bij Rijsel, en vandaar zouden we met drie auto's verder rijden.
...

Onze directeur heeft zich in zijn carrière slechts één keer moeten verontschuldigen. In feite twee keer, maar de tweede was privé. Dat was toen wij eens met een paar redacteurs samen naar Abbeville moesten. We hadden afgesproken om tien uur 's morgens in een Novotel net over de grens bij Rijsel, en vandaar zouden we met drie auto's verder rijden. 'Volgt uw leider', riep onze directeur door zijn geopende raampje en draaide bij het verlaten van het parkeerterrein naar links, terwijl de autoweg naar Abbeville dertig meter verder rechts lag. Zoals een mastodont van een verkeersbord aanwees. Sus, die niet graag toegaf dat hij zich vergist had, reed zich hopeloos vast in een wirwar van straatjes en steegjes, doorkruiste velden en bossen, en bereikte pas twee uur later opnieuw een grote weg, waar een bordje 'Mons 12 km' ons deed vermoeden dat we de verkeerde windrichting waren uitgereden. Het schemerde toen we eindelijk in Abbeville stonden. Toen heeft hij zich verontschuldigd. Voor de slechte bewegwijzering in Frankrijk. Voor de rest herinneren wij ons één keer, begin jaren zeventig, toen op de cover van Knack twee totaal van elkaar losstaande reportages nogal ongelukkig samen werden vermeld. Waardoor de kop op de voorpagina luidde: 'Joden in Antwerpen. Geld verdienen zonder werken.' Dat betekende ei zo na het einde van Knack. Maar dankzij een lange boetetocht langs alle synagogen en diamantcentrales, en middels een fantasierijk betoog over de Bergrede dat enkele rabbijnen in verrukking bracht, slaagde onze directeur er uiteindelijk in de scherven te lijmen. Als tegengebaar nam hij Sus Van Elzen in dienst met de woorden: 'Gij schrijft van nu af aan elke week een stuk over het Midden-Oosten en ik wens daarin geen Palestijn in gunstige zin te horen noemen.' Helaas vergat hij later een einde aan deze opdracht te maken, zodat Van Elzen nog altijd elke week over het Midden-Oosten bericht, zij het dat hij dat van die Palestijnen niet meer zo strikt opvolgt. Onze directeur was een pracht van een mens. In zijn gezelschap was zich vervelen uitgesloten. En slim! De verstandigste die ooit heeft geleefd. En dat wist hij, wij zouden zeggen ipso facto, beter dan wie ook. Toen lang geleden de Wies Andersenshow populair was, deed Verleyen ook een keer mee. Per uitzending werden twintig vragen gesteld, en toen onze directeur de eerste veertien allemaal foutloos had beantwoord, riep hij vertwijfeld uit: 'Ik ben te slim voor dit spel.' Op dat moment zaten kolonel Candries en Paul Snoek aan vier en Johan Anthierens aan twee. Verleyen heeft eens een lezing gehouden aan de vermaarde Princeton universiteit, waar hij een auditorium van drieduizend topwetenschappers schokte door te verklaren dat Albert Einstein een bedrieger was. Of toch op zijn minst een knoeier. 'Bij mij kreeg hij september', vervolgde onze directeur die zich door de overrompelende blasfemie van zijn betoog in het voordeel wist, en daarvan graag gebruik maakte om er nog een schepje bovenop te doen. 'Ik zal niet zeggen dat hij het met opzet deed, al heb ik ook geen bewijs van het tegendeel, maar mocht ik bij het samenstellen van mijn blad zo lichtzinnig te werk gaan als Albert bij zijn behandeling van de wetten der mechanica, de Knack zou niet veel meer verkopen hè mannekes.' Die 'mannekes' bestonden uit het kruim van de Amerikaanse wetenschappelijke wereld en telden zeven Nobelprijswinnaars, minstens duizend hoogleraren, en één doctor honoris causa van de KUL. Onze directeur, door de inleider met een understatement voorgesteld als 'the most brilliant brain in Europe', genoot een poosje van de verwarring die hij had gezaaid, maar besefte dat het tijd was om de schuchter loskomende protesten in de zaal de kop in te drukken: de tweelingparadox! Wellicht kent u het principe. Neem een identieke tweeling, stuur een van hen gedurende zes jaar naar een ruimtestation, en als hij terugkeert op aarde zal blijken dat hij twee maanden jonger is geworden dan zijn broer. Wij vereenvoudigen het nu een beetje, maar onze directeur had een krijtje gepakt en was het bord vooraan op het podium aan het vol kribbelen met ingewikkelde formules. Uiteindelijk trok hij met kardinaalsrood drie dikke strepen onder zijn conclusie: ds2 = dt2 - dx2 - dy2 + mc2. Hierna gooide hij zijn krijtje met een achteloze boog feilloos in een zeven meter verder staande prullenmand, leunde opnieuw op zijn lessenaar en sprak tot zijn verbouwereerd gehoor: 'Ziehier mijne heren het bewijs: tijd is niet relatief maar absoluut. Wat ge voor uw verbaasde en bewonderende ogen ziet staan, is de absolutismetheorie van Sus Verleyen. En die laat geen twijfel: de tweelingparadox is nonsens. Dat geldt trouwens ook voor de klokkenparadox. Het volstaat nader kennis te maken met enkele airhostessen, zoals ik heb gedaan, om te weten dat een goed horloge precies even snel loopt als men de wereld in oostelijke dan wel in westelijke richting rondvliegt. Ik spreek dan uiteraard niet over een Amerikaans of Japans prul, maar over Zwitsers precisiewerk. De enige paradox die ik aanvaard, is de ravenparadox van Hempel, maar om die te begrijpen, zijn jullie te dom. En nu daag ik om het even wie van u uit op het poolbiljart.'Van een ander zou het arrogant geklonken hebben, maar van onze directeur aanvaardde men zoiets. Dat zijn de grote mannen. Het is weer bijna die vervloekte 13e oktober, en we doen het ondertussen vijf jaar zonder Sus. Maar zoals vroeger wordt het nooit meer. U hebt er geen idee van hoe jammer wij dat vinden. Koen Meulenaere