Het is in de laatste tijd: computers lijken wel het nieuwe wondermiddel om onze scholen aantrekkelijk en succesvol te maken. Is dat ook zo? Dirk Frimout en Marleen Wynants zijn daar in elk geval van overtuigd. Hun boek Heeft de school van je kind nog toekomst? gaat over het gebruik van informatie- en communicatie-technologie (ICT) in scholen. Voor leken: hoe worden computers, multimedia en internet gebruikt in het onderwijs?
...

Het is in de laatste tijd: computers lijken wel het nieuwe wondermiddel om onze scholen aantrekkelijk en succesvol te maken. Is dat ook zo? Dirk Frimout en Marleen Wynants zijn daar in elk geval van overtuigd. Hun boek Heeft de school van je kind nog toekomst? gaat over het gebruik van informatie- en communicatie-technologie (ICT) in scholen. Voor leken: hoe worden computers, multimedia en internet gebruikt in het onderwijs? Het is een kritisch boek, dat met veel kennis van zaken de evolutie van de laatste jaren onder de loep neemt. Uitgangspunt is dat ons onderwijs achterloopt. Dat wordt nog duidelijker door de snelle evolutie van wat we de 'kennismaatschappij' noemen. Het wordt tijd, zeggen de auteurs, dat de vraag naar ICT hardop wordt gesteld. Want dat al die nieuwe technologie er ook in de scholen komt, staat vast. Niet alleen omdat een minister van Onderwijs dat wil, niet omdat het bedrijfsleven daarop aandringt, maar omdat ze nu eenmaal bestaat. Hoe en wanneer gebruiken we ICT? Bijna alle scholen leveren nog steeds een statisch leerproces. Dat wil zeggen dat we alle kinderen en jongeren, per leeftijdsgroep, een geijkt aantal uren in klaslokalen zetten. Alle tijd en energie gaat naar het volstoppen van leerlingen met informatie. Dat levert ontegensprekelijk een zeer hoge kwaliteit, maar ook een enorme groep zittenblijvers en een snel aangroeiende groep jonge schoolverlaters zonder enige kwalificatie. Dat alles bezorgt het secundair onderwijs ook veel kritiek van hogescholen en universiteiten: scholieren hebben niet geleerd vragen te stellen, antwoorden te zoeken, informatie mee te delen en door te geven (opvallend is dat de bedrijfswereld net hetzelfde zegt over de universiteiten en hogescholen). Maar het is ook de stelling van de auteurs: kritische mensen, die problemen zien, oplossingen vinden en meedelen, worden niet gevormd door een statisch leerproces.KOPEN EN GEBRUIKENDe kritiek is bekend en de leraren zijn het ondertussen beu gehoord en raken hoe langer hoe meer gefrustreerd. En ze hebben gelijk: er wordt van de school en de leraren erg veel geëist, maar niemand helpt. Ook niet nu het om computertechnologie gaat. Het probleem is niet dat scholen computers moeten aankopen, zeggen Frimout en Wijnants, dat hebben ze gedaan. Het probleem is dat de rol van leerlingen en leraren opnieuw bekeken moet worden. We moeten leerlingen informatie leren zoeken: dat veronderstelt nieuwsgierigheid maar ook kritisch leren omgaan met de massa informatie. De leraar kan die informatie beoordelen en de manier van beoordelen aan zijn leerlingen meegeven. Daar houdt het niet mee op: de elementen van het antwoord moeten worden bijeengebracht en verwoord. Dat vraagt helder formuleren, wat nieuwe vragen oproept, waarna het proces herbegint. Kinderen zullen - voor wie zich daarover bezorgd maakt - dezelfde dingen leren. Alleen de vorm is anders. Ze zullen tegelijk bezig moeten zijn met verschillende vakken omdat in de wereld (niet op school) alles samenhangt. Dat vraagt om een lossere structuur, kleinere klassen, anders opgeleide leraren. Leraren moeten helpers worden, begeleiders, mensen die over bepaalde dingen meer weten, maar verder net als hun leerlingen leren: elke dag. De vraag is natuurlijk wie dat allemaal zal betalen? Want kleinere klassen, allround leraren, inschakelen van experts en veralgemening van ICT zullen geld kosten, veel geld. Misschien moeten we iets minder terughoudend zijn tegenover het bedrijfsleven als dat wil helpen, zeggen de auteurs. Vlaams Minister van Onderwijs Marleen Vanderpoorten (VLD) lijkt op dezelfde lijn te zitten.DUALISERINGMaar ondanks die paar computers is de ICT-cultuur duidelijk nog niet echt tot in het klaslokaal doorgedrongen. Uit onderzoek blijkt trouwens dat de overgrote meerderheid van jongeren tussen 16 en 23 nauwelijks internet gebruikt. Er wordt, zeggen experts, te gemakkelijk aangenomen dat iedereen over een pc en internet beschikt. Enquêtes wijzen uit dat meer welvarende gezinnen wel over pc en internet beschikken, waardoor de dreigende dualisering in het onderwijs zeker versterkt wordt. Leraren uit alle netten bevestigen dit beeld. Hoewel ze niet helemaal akkoord gaan met de uitgangspunten van Frimout en Wynants. Ze wijzen erop dat in veel technische opleidingen computertechnologie gemeengoed is: er wordt vooral in het algemeen secundair onderwijs te weinig met computers gewerkt. Daar zijn veel redenen voor aan te geven. De infrastructuur bijvoorbeeld. Niet alle scholen hebben genoeg ruimte om van elke klas een computerklas te maken. Pc's kunnen natuurlijk op de gang, maar dan krijg je het probleem van vandalisme en veiligheid. Bovendien is de computer- en internettaal Engels. Toch een groot struikelblok, zeker als het om 'moeilijkere' informatie gaat. En er is de manier van gebruiken. Natuurlijk zijn computers ideaal om elk kind onderwijs op maat te geven. Voor het indrillen van bijvoorbeeld woordenschat en grammatica bestaan heel wat technische hulpmiddelen. Jammer genoeg valt die dril niet onder de noemer creatief en kritisch. Daartoe zijn zoekprojecten nodig en dan moet het onderwijs wel heel erg veranderen. Echt gebruik van ICT kan alleen als de klassieke vijftig-minuten-les verdwijnt en de scholen afstappen van volgepropte programma's. En dan veronderstellen we in de gauwte dat leraren echt iets afweten van internet en pc's. Wat niet klopt. Heel wat afgestudeerden uit de pedagogische hogescholen (normaalschool en regentaten) blijken niets af te weten van ICT. Toch zou de moderne lerarenopleiding erop gericht moeten zijn dat ICT even automatisch wordt als het gebruik van naslagwerken en woordenboeken. Tekstverwerking moet binnen de opleiding, maar ook didactisch inzicht in het proces om met internet en multimedia aan het werk te gaan. Dat is trouwens al jaren de boodschap van James Schnitz, die na dertig jaar lesgeven in secundair en hoger onderwijs in 1994 overstapte naar IBM waar hij educatieve projecten uitwerkt en begeleidt. Voor hem is de lerarenopleiding het belangrijkst: vandaag hebben we een 'alwetende' leraar-producent die in een bepaalde tijd in een bepaald gebouw leerlingen-consumenten onderwijst. Computers veranderen het onderwijs niet als niet ook de leraar verandert. Leren, zegt Schnitz, moet opnieuw een dynamisch proces worden waarbij de resultaten tellen, niet het aantal uren dat aan de opdracht besteed wordt. Leren moet ook een sociaal gebeuren worden, waarbij ouders, leraren, leerlingen van elkaar leren.ORDE IN CHAOSComputers in het schoolgebouw zijn maar een eerste stap en zeker als het over internet gaat: wie schept daar orde in de chaos? Er zijn natuurlijk educatieve sites. Maar die zijn vaak encyclopedisch, saai en komen eigenlijk neer op een ingescand leerboek. De vraag is natuurlijk of je de feiten weer in een artificiële educatieve wereld moet bijeenbrengen of juist de kenmerken van internet - actualiteit en overvloed aan informatie - moet gebruiken. Wie op internet gaat surfen, komt in een ongeordende chaos terecht. De leraar wordt dan een gids die helpt de snelste en beste weg naar de oplossing te zoeken, die het tijdsgebruik in het oog houdt en structuur aanleert. Dat hij of zij dan veel minder op de hoogte is dan de expert op internet, is geen bezwaar. Scholieren geloven al lang niet meer dat volwassenen alles weten. Enkel op school wordt de schijn opgehouden. En die schijn opgeven is veel moeilijker dan algemeen wordt aangenomen. Ook voor leraren geldt dat en een dergelijke ingrijpende verandering in het leerproces veroorzaakt drempelvrees. Zelfs bij de wiskundeleraren bestond en bestaat nog veel weerstand tegen ICT. Pas nu het een verplicht onderdeel is in het leerprogramma, volgt iedereen bijscholing. En daar hebben heel wat mensen vragen bij. De enthousiaste groep die altijd al kwam, zou het zonder die bijscholing ook wel klaren. De groep die gedwongen komt, vraagt eigenlijk om voorgesneden brood: klaargemaakte lesjes die ze morgen zo in de klas kunnen toepassen. Je kan dat, zeggen experts, uitbreiden naar scholen. Een beginnende leraar, zo blijkt uit onderzoek, valt in de eerste jaren in een plooi waar hij of zij nog maar moeilijk uitkomt. Moedigt de school proberen aan, dan zal de leraar daarin meegaan. Remt de school vernieuwing af, dan hervalt de leraar in doceren. En school betekent dan: collega's, directie. Hun invloed is zeer groot. Ook daar moet dus een en ander veranderen. En dan zijn er natuurlijk de kosten. Vlaanderen trekt veel geld uit om scholen van pc's te voorzien, maar wie betaalt de toch nog steeds dure computers, internetaansluitingen (en telefoonkosten) van leraren die ICT willen gebruiken? Drempelvrees, angst voor verandering, gebrek aan bij- en nascholing en uiteraard de dure installatie brengen mee dat de veralgemeende invoering van ICT - waar de leerlingen in de 21ste eeuw recht op hebben - er maar niet komt. Ook de beleidsnota onderwijs en alle andere officiële verklaringen veranderen daar niets aan.Misjoe Verleyen